Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:OGHACMB:2020:162

Instantie
Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba
Datum uitspraak
26-06-2020
Datum publicatie
30-06-2020
Zaaknummer
SXM2019H00113
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Ontbinding arbeidsovereenkomst cessentia zwartgeld procesovereenkomst

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

BURGERLIJKE ZAKEN 2020

Zaaknummers: SXM201900661 (voorheen EJ160/2019) / SXM2019H00113

Uitspraak: 26 juni 2020

GEMEENSCHAPPELIJK HOF VAN JUSTITIE VAN

ARUBA, CURAÇAO, SINT MAARTEN EN VAN

BONAIRE, SINT EUSTATIUS EN SABA

Beschikking in de zaak van:

de besloten vennootschap

KRK CORPORATION B.V. h.o.d.n. MILANO DIAMOND GALLERY & DIAMONDS FOREVER,

gevestigd in Sint Maarten,

hierna te noemen: KRK,

oorspronkelijk verzoekster, thans appellante,

gemachtigde: E.I. Maduro,

tegen

[Geïntimeerde],

wonende in Sint Maarten,

hierna te noemen: [Geïntimeerde],

oorspronkelijk verweerster, thans geïntimeerde,

gemachtigde: mr. J.G. Snow,

1 Het verloop van de procedure

1.1.

Voor hetgeen in eerste aanleg is gesteld en verzocht, voor de procesgang aldaar en voor de overwegingen en beslissingen van het Gerecht in eerste aanleg van Sint Maarten (hierna: GEA) wordt verwezen naar de tussen partijen in de zaak met SXM201900661 gegeven en op 2 oktober 2019 uitgesproken beschikking. De inhoud van die beschikking geldt als hier ingevoegd.

1.2.

KRK heeft in een beroepschrift, ingekomen op 13 november 2019, dus tijdig, hoger beroep ingesteld tegen voornoemde beschikking. Hierin heeft zij het hoger beroep toegelicht en geconcludeerd dat het Hof de bestreden beschikking zal vernietigen. En opnieuw rechtdoende, alsnog de vorderingen van KRK zal toewijzen en [Geïntimeerde] zal veroordelen in de kosten van dit geding in beide instanties, de griffierechten inbegrepen, met verklaring van de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

1.3.

Op 13 januari 2020 hebben beide partijen producties bij het Hof ingediend.

1.4.

Op 17 januari 2020 heeft een mondelinge behandeling plaatsgevonden. Beide partijen zijn verschenen bijgestaan door hun raadslieden. De raadslieden hebben conform een pleitnota het woord gevoerd. De zaak is verwezen naar de rol van 14 februari 2020 voor akte uitlating regeling zijdens partijen.

1.5.

Op 15 mei 2020 hebben beide partijen een gezamenlijke ‘uitlating akte’ met productie genomen waarin zij verklaren niet tot een volledige regeling te zijn gekomen en het Hof verzoeken om te beslissen op de resterende geschilpunten.

1.6.

Beschikking is bepaald op heden.

2 De gronden van het hoger beroep

Voor de gronden van het hoger beroep wordt verwezen naar het beroepschrift.

3 Beoordeling

3.1.

Het Hof gaat uit van het volgende:

a. [Geïntimeerde] is per 6 juni 2006 in loondienst getreden van Genoa Jewelers (SXM) N.V. (hierna: Genoa) voor een maandelijks brutoloon van

NAf 3.470,- (productie bij de akte van 15 mei 2020).

In een kortgedingvonnis van het GEA van 28 september 2018 (SXM201801036) zijn Genoa en KRK hoofdelijk veroordeeld tot doorbetaling aan [Geïntimeerde] van haar loon van maandelijks netto US$ 1.265,68, te vermeerderen met de gemiddelde commissie van US$ 109,95 netto per maand (productie 8 bij inleidend verzoekschrift). Hiertegen is niet geappelleerd.

Op 23 november 2018 is ter zitting van het GEA in kort geding (SXM201801382/01383/01386/01387) tussen enerzijds onder meer [Geïntimeerde] als eiseres en anderzijds Genoa, KRK en [Naam 1] (hierna: [Naam 1]) als gedaagden een vaststellingsovereenkomst tot stand gekomen. Het proces-verbaal vermeldt (productie 9 bij inleidend verzoekschrift):

1. Gedaagden zijn hoofdelijk gehouden het volledig loon van ieder der eisers, inclusief het commissie gedeelte dat is toegewezen bij vonnis van 28 september 2018 door te blijven betalen aan ieder der eisers, totdat de arbeidsovereenkomst tussen partijen op rechtsgeldige wijze zal zijn beëindigd;

2. Dat gedaagden zullen afgeven aan ieder der eisers de schriftelijke opgave als bedoeld in artikel 7A:1614ba BW zowel van de reeds gedane betalingen van het overeengekomen loon aan ieder der eisers als de toekomstige;

3. Dat de kwestie omtrent de gestelde zwarte inkomsten door partijen zou mogelijk in der minne geregeld zal worden;

4. Dat gedaagden hoofdelijk gehouden zijn tot betaling aan eiseres [Naam 2] en eiseres [Naam 3] van NAf. 1000,- ieder terzake van gemachtigdesalaris (dus in totaal NAf. 2000,-);

5. Dat de onderhavige kortgeding zaken worden ingetrokken.

Bij kortgedingvonnis van het GEA van 23 juli 2019 (SXM201900658/00660/00659/00657) is de vordering van KRK tot schorsing van de tenuitvoerlegging van voornoemd kortgedingvonnis van 28 september 2018 afgewezen (productie 3 van [Geïntimeerde] d.d. 10 september 2019).

Bij beschikking van het GEA van 23 juli 2019 (SXM201900278/00277/00276/00275) tussen enerzijds Genoa, KRK en [Naam 1] als verzoekers en anderzijds onder meer [Geïntimeerde] als verweerster, zijn KRK en [Naam 1] niet-ontvankelijk verklaard en is jegens Genoa het verzoek tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst met [Geïntimeerde] afgewezen (productie 3 van [Geïntimeerde] d.d. 10 september 2019).

Bij de in de huidige appelprocedure bestreden beschikking van het GEA van 2 oktober 2019 (SXM201900661) tussen enerzijds KRK als verzoekster en anderzijds onder meer [Geïntimeerde] als verweerster heeft het GEA het verzoek van KRK tot verklaring voor recht dat er tussen KRK en [Geïntimeerde] geen arbeidsovereenkomst bestaat, met opheffing van een beslag, afgewezen.

Bij beschikking van het GEA van 31 maart 2020 (SXM201901067 en SXM201901068) tussen enerzijds onder meer [Geïntimeerde] als verzoekster en anderzijds KRK als verweerster heeft het GEA, ter zake van een zwartgeldbeding, KRK veroordeeld tot betaling aan [Geïntimeerde] van (in totaal) US$ 1.200 netto, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 1 juni 2018 tot aan de dag van algehele voldoening. Het Hof weet ambtshalve dat van deze beschikking geen hoger beroep is ingesteld.

3.2.

De ‘uitlating akte’ die de gemachtigde Edwin I. Maduro op 15 mei 2020 namens beide partijen aan het Hof deed toekomen houdt in:

Do hereby inform Your Court of our joint decision to resolve the disputes that exist between us with respect to the employment agreement, which we arrived to after lengthy discussions and negotiations that took place between us and our legal representatives.

Taking into consideration:

- The length of time that transpire since parties has not been able to settle their differences and it became evident that a fruitful working relationship with each other in the future no longer can be expected;

- That the employers has indicated that they have no placement anymore for the employee and that the return of the employee on the workplace is no longer possible and that a termination of the employment agreement is the only option,

- That parties thereafter reached to an understanding with respect hereto and negotiated a termination compensation, but were unable to reach to a consensus with respect to the exact amount to be paid out to the employee and have jointly resolute and agreed upon to request Your Court to estimate and determine in good justice the amount which the employee must be paid by the employer,

- Parties shall be then at liberty to wind up the financial part of the termination agreement in the way that they shall agree upon, such in the best interest of all parties.

Reasons for which parties do hereby jointly request Your Court, taking all facts and circumstances of the disputes, the cases and of the parties, more in particular of the employees into account to estimate and determine the termination amounts to be paid out to the employee and also the date that the employment-agreement shall come to terminate, which decision will be binding upon the parties.

3.3.

Het Hof legt deze (proces)overeenkomst aldus uit dat KRK haar verzoek wijzigt met toestemming van de wederpartij en dat beide partijen het Hof de vrijheid geven, zonder verplichting strikt regels van materieel recht en procesrecht in acht te nemen, rekening houdende met alle tussen partijen gevoerde rechtszaken, in goede justitie (‘in good justice’) de beëindigingsdatum van de arbeidsrelatie te bepalen en de bedragen bindend vast te stellen die KRK aan [Geïntimeerde] verschuldigd is uit hoofde van deze beëindiging.

3.4.

Het Hof gaat ervan uit dat tussen partijen een arbeidsovereenkomst bestaat en dat deze arbeidsovereenkomst geacht wordt een voortzetting te zijn van die met Genoa. Het Hof sluit zich aan bij het oordeel te dezen van de kortgedingrechter van 28 september 2018.

Beëindigingsdatum

3.5.

Het conflict tussen partijen sleept zich al circa twee jaren voort zonder dat kennelijk [Geïntimeerde] voor KRK arbeid verrichtte, hetgeen vraagt om een spoedige beëindiging. Partijen wensen dit ook kennelijk beide. Het Hof zal in goede justitie de beëindigingsdatum stellen op: 1 juli 2020 en per die datum de arbeidsovereenkomst ontbinden.

Doorbetaling loon

3.6.

Bij kortgedingvonnis van 28 september 2018 is KRK veroordeeld aan [Geïntimeerde] te betalen het overeengekomen schriftelijk vastgelegde nettoloon van US$ 1.265,68, te vermeerderen met de gemiddelde commissie van US$ 109,95 netto per maand, te verhogen met de tot 10% gemaximeerde wettelijke verhogingen, alsmede de wettelijke rente vanaf de dag van opeisbaarheid van de diverse loonbestanddelen tot de dag van algehele voldoening. Het Hof sluit zich hierbij aan en zal deze veroordeling overnemen. KRK dient het loon door te betalen tot 1 juli 2020. Tot het loon behoort ook de niet-uitbetaalde vakantiedagen.

Zwartgeldbeding

3.7.

Bij beschikking van 31 maart 2020, inmiddels in kracht van gewijsde gegaan, heeft het Gerecht het geschil tussen partijen over het mondelinge zwartgeldbeding beslecht. Het Gerecht heeft KRK veroordeeld tot betaling aan [Geïntimeerde] van US$ 1.200,- netto, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 1 juni 2018 tot de dag van algehele voldoening. Het Hof zal zich hierbij aansluiten.

Cessantia-uitkering

3.8.

Artikel 3 lid 1 van de Cessantialandsverordening luidt:

1. De werknemer wiens dienstbetrekking eindigt, anders dan door zijn schuld of tengevolge van een aan hem toe te rekenen omstandigheid, wordt door de werkgever een eenmalige uitkering, gebaseerd op het laatstgenoten loon, toegekend, waarvan de hoogte als volgt wordt berekend:

- voor het eerste tot en met het tiende volle dienstjaar één weekloon per dienstjaar;

- voor het elfde tot en met het twintigste volle dienstjaar een en een kwart maal het weekloon per dienstjaar;

- voor de daarop volgende volle dienstjaren tweemaal het weekloon per dienstjaar.

Voor de berekening van volle dienstjaren geldt een periode van meer dan zes maanden na het eerste dienstjaar als een vol dienstjaar.

3.9.

In casu doet zich voor dat de dienstbetrekking van de werknemer eindigt ‘anders dan door zijn schuld of tengevolge van een aan hem toe te rekenen omstandigheid’, zodat [Geïntimeerde] recht heeft op een cessantia-uitkering.

3.10.

De Cessantialandsverordening rekent slechts met volle dienstjaren, waarbij een periode van meer dan zes maanden na het eerste dienstjaar geldt als een vol dienstjaar (zie het slot van het geciteerde artikel 3 lid 1). [Geïntimeerde] is op 6 juni 2006 in dienst getreden, zodat per 1 juli 2020 met 14 volle dienstjaren moet worden rekening gehouden.

3.11.

Haar maandloon is NAf 3.470,- bruto. De Cessantialandsverordening rekent met een weekloon dat in geval van een maandloon is: ‘de geldswaarde van het loon per maand vermenigvuldigd met 12 en gedeeld door 52’ (artikel 1 slot). (NAf 3.470,- x 12 = NAf 41.640,-) : 52 = NAf 800,77 bruto als weekloon. Met het mondelinge zwartloonbeding wordt geen rekening gehouden. Dit is in lijn met de beschikking van het Gerecht van 31 maart 2020 waarin wat betreft het zwartloongedeelte geen vergoeding van vakantiedagen is toegekend en geen wettelijke verhoging. Bovendien heeft beperking van het verschuldigde bedrag en matiging in de tijd plaatsgevonden.

3.12.

Voor de eerste tien volle jaren is de cessantia-uitkering ingevolge het geciteerde artikel 3 lid 1 Cessantialandsverordening: 10 x NAf 800,77 = NAf 8.007,70 bruto. Voor de 4 resterende volle jaren: 4 x 1,25 x NAf 800,77 = NAf 4.003,85‬ bruto. Totaal: NAf 8.007,70 + NAf 4.003,85 ‬ = NAf 12.011,55 bruto, opeisbaar per 1 juli 2020.‬‬

Uitkomst

3.13.

Het Hof heeft geen bedenkingen tegen de bestreden beschikking en zal deze bevestigen. Daarnaast zal het Hof doen wat partijen in hun ‘uitlating akte’ wensen.

3.14.

De kosten van het hoger beroep worden gecompenseerd.

4 Beslissing

Het Hof:

- bevestigt de bestreden beschikking en beslist voorts op verzoek van partijen als volgt:

- ontbindt de arbeidsovereenkomst tussen partijen per 1 juli 2020;

- bepaalt dat, in verband met de beëindiging van de arbeidsovereenkomst, KRK aan [Geïntimeerde] het volgende verschuldigd is, voor zover nog niet voldaan, en veroordeelt zo nodig KRK daartoe:

- overeenkomstig het dictum van het kortgedingvonnis van 28 september 2018 is KRK aan [Geïntimeerde] verschuldigd: tot 1 juli 2020 door te betalen (inclusief nog niet betaalde vakantiedagen) het overeengekomen nettomaandloon van US$ 1.265,68, te vermeerderen met de gemiddelde commissie van US$ 109,95 netto per maand, te verhogen met de tot 10% gemaximeerde wettelijke verhogingen, alsmede de wettelijke rente vanaf de dag van opeisbaarheid van de diverse loonbestanddelen tot de dag van algehele voldoening;

- overeenkomstig het dictum van de beschikking van het Gerecht van 31 maart 2020 is KRK aan [Geïntimeerde] verschuldigd te betalen: US$ 1.200,- netto, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 1 juni 2018 tot de dag van algehele voldoening;

- met ingang van 1 juli 2020 is KRK aan [Geïntimeerde] verschuldigd als cessantia-uitkering te betalen: NAf 12.011,55 bruto, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 1 juli 2020;‬‬

- verklaart deze veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad

- compenseert de kosten van het hoger beroep aldus dat iedere partij de eigen kosten draagt;

- wijst af het meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mrs. M.W. Scholte, M.B. van den Enden en F.W.J. Meijer, leden van het Hof, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 26 juni 2020 in Curaçao, in tegenwoordigheid van de griffier.