Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:OGHACMB:2020:153

Instantie
Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba
Datum uitspraak
09-06-2020
Datum publicatie
23-06-2020
Zaaknummer
AUA2019H00128
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Formele rechtskracht

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Burgerlijke zaken over 2020 Vonnis no.:

Registratienummer: AUA201901391 – AUA2019H00128

Uitspraak: 9 juni 2020

GEMEENSCHAPPELIJK HOF VAN JUSTITIE

van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en

van Bonaire, Sint Eustatius en Saba

V O N N I S IN KORT GEDING

in de zaak van:

de openbare rechtspersoon LAND ARUBA,

zetelend te Aruba,

oorspronkelijk gedaagde,

thans appellante,

gemachtigden: mrs. J.A.R. Bryson en A.F.J. Caster,

tegen

de naamloze vennootschap OCEAN FAITH N.V.,

gevestigd in Aruba,

oorspronkelijk verzoekster,

thans geïntimeerde,

gemachtigde: mr. R.A. Wix.

De partijen worden hierna het Land en Ocean Faith genoemd.

1 Het verloop van de procedure

1.1

Voor het procesverloop in eerste aanleg wordt verwezen naar het tussen partijen gewezen en op 5 juni 2019 door het Gerecht in eerste aanleg van Aruba (verder: het Gerecht) in kort geding uitgesproken vonnis. Bij akte van hoger beroep, ingediend ter griffie op 25 juni 2019, is het Land in hoger beroep gekomen van dit vonnis.

1.2

Bij op 15 juli 2019 ingekomen memorie van grieven heeft het Land 4 grieven tegen het bestreden vonnis aangevoerd en toegelicht. Zijn conclusie strekt ertoe dat het Hof het bestreden vonnis zal vernietigen en, opnieuw rechtdoende, alle vorderingen van Ocean Faith zal afwijzen, met veroordeling van Ocean Faith in de proceskosten in beide instanties, dan wel een beslissing zal nemen als het Hof in goede justitie vermeent te behoren.

1.3

Ocean Faith heeft geen memorie van antwoord ingediend.

1.4

Op de daarvoor nader bepaalde dag hebben partijen pleitnotities met producties ingediend.

1.5

Vonnis is gevraagd en nader bepaald op heden.

2 De feiten

2.1

De in het bestreden vonnis onder 2.1 tot en met 2.10 vastgestelde feiten staan tussen partijen niet ter discussie, zodat het Hof daar in hoger beroep vanuit gaat. Kort samengevat is het volgende van belang:

2.2

Ocean Faith exploiteert ruim 26 jaar een watersportbedrijf op het strand nabij Marriott Ocean Club. Zij heeft daarvoor een houten bouwwerk laten plaatsen om de watersportactiviteiten aan te bieden. De omvang van dat bouwwerk is (tenminste) 25 m2.

2.3

Per beschikking van 9 juli 2018 heeft het Land Ocean Faith gesommeerd om het bouwwerk onmiddellijk te (doen) ontruimen, bij gebreke waarvan het Land op kosten van Ocean Faith over zal gaan tot het doen wegnemen van het bouwwerk. Ocean Faith heeft tegen deze beschikking bezwaar gemaakt. Voorts heeft zij het Gerecht verzocht bij voorlopige voorziening de beschikking te schorsen, hetgeen het Gerecht bij beslissing van 10 augustus 2018 heeft gedaan.

2.4

Op 14 augustus 2018, aan Ocean Faith op 15 november 2018 uitgereikt, heeft het Land de vergunningaanvragen van Ocean Faith voor de jaren 2017 en 2018 deels afgewezen en vergunningen afgegeven voor het gedurende de jaren 2017 en 2018 innemen van domeingrond op het strand nabij Marriott Ocean Club en het plaatsen van een verwijderbare schaduwvoorziening van maximaal 9 m2 ten behoeve van het aanbieden en verkopen van watersportactiviteiten. Hiertegen heeft Ocean Faith bezwaar gemaakt.

2.5

Ocean Faith heeft op 14 november 2018 een vergunningaanvraag voor het jaar 2019 ingediend, voor onder meer een stuk domeingrond van 25 m2 ten westen van Marriott Ocean Club. Hierop is door het Land bij beschikking van 20 maart 2019 afwijzend beslist. Ocean Faith heeft tegen deze afwijzende beschikking bezwaar gemaakt.

2.6

Aan Ocean Faith is op 18 januari 2019 mondeling medegedeeld dat de Directie Infrastructuur en Planning (hierna: DIP) het houten bouwwerk zal gaan slopen, indien Ocean Faith hiertoe niet zelf overgaat. Op 23 januari 2019 heeft het Land in de nachtelijke uren het houten bouwwerk van Ocean Faith gesloopt en verwijderd.

2.7

Het Hof voegt daaraan de volgende feiten toe. Op een verzoek om een voorlopige voorziening van Ocean Faith heeft het Gerecht bij uitspraak van 20 mei 2019 de bestreden beschikking van het Land van 20 maart 2019 geschorst totdat op het daartegen gerichte bezwaar zal zijn beslist. Het Gerecht heeft verder bij wijze van voorlopige voorziening geoordeeld dat totdat op het bezwaar zal zijn beslist, zal worden gehandeld als ware Ocean Faith in het bezit van een vergunning tot het innemen van domeingrond op het strand nabij Marriott Ocean Club en voor het plaatsen van een verwijderbare schaduwvoorziening van maximaal 9 m2 ten behoeve van het aanbieden en verkopen van watersportactiviteiten.

3 De beoordeling

3.1

In hoger beroep gaat het nog om de vordering van Ocean Faith tot herstel van het gesloopte bouwwerk en tot vergoeding van schade. Het Gerecht heeft het Land op straffe van een dwangsom veroordeeld op zijn kosten een (verwijderbaar) bouwwerk op te richten van ten minste 9 m2 en het Land veroordeeld tot betaling van een bedrag van Afl. 15.000,- als voorschot op de door Ocean Faith geleden en te lijden schade. Het Gerecht heeft hiertoe overwogen –kort weergeven- dat het Land onrechtmatig heeft gehandeld door na te laten op ordelijke wijze de toegepaste bestuursdwang aan te zeggen.

3.2

Het gaat in dit kort geding in de kern om de vraag of het Land jegens Ocean Faith onrechtmatig heeft gehandeld. De grieven I, II en IV (bedoeld zal zijn: III), die zijn gericht tegen de hierop betrekking hebbende overwegingen van het Gerecht, lenen zich voor gezamenlijke behandeling.

3.3

Het Hof stelt voorop dat de leer van de formele rechtskracht met zich brengt dat de civiele rechter uit dient te gaan van de rechtmatigheid van een overheidsbesluit indien hiertegen geen bezwaar of beroep is ingesteld, dan wel van de onrechtmatigheid ervan indien een dergelijk besluit door de bestuursrechter wordt vernietigd. Anders dan het Gerecht heeft overwogen, is het niet aan de civiele rechter om te beoordelen of het handelen van het Land voldoet aan de daarvoor bestaande (bestuursrechtelijke) normen, nog daargelaten dat het Land geen bestuursorgaan is en dus niet gerechtigd is bestuursdwang toe te passen.

3.4

Ter beoordeling van de vraag of het Land onrechtmatig heeft gehandeld is onder meer van belang of het Land de vergunningaanvragen van Ocean Faith over de jaren 2017, 2018 en 2019 terecht (deels) heeft geweigerd. Ten aanzien van deze vergunningaanvragen lopen nog bestuursrechtelijke bodemprocedures. Zolang deze nog niet zijn afgerond kan hierover en dus ook over de onrechtmatigheid geen (voorshands) oordeel worden gegeven. Het Land heeft weliswaar een risico genomen door, in afwachting van de afloop van de bestuursrechtelijke bodemprocedures, het bouwwerk reeds te slopen en te verwijderen maar dat is niet voldoende om ten aanzien van de onrechtmatigheid een (voorlopig) oordeel te geven. Het Hof merkt nog op dat Ocean Faith in strijd met de vergunningsvoorschiften heeft gehandeld: het (gesloopte) bouwwerk van (tenminste) 25 m2 was in strijd met de vergunning voor een bouwwerk van 9 m2 die voor de jaren 2017 en 2018 aan Ocean Faith is verstrekt en tevens in strijd met de geweigerde vergunning voor het jaar 2019. Daarmee is, hangende de bestuursrechtelijke bodemprocedures, in elk geval sprake van onrechtmatig handelen aan de zijde van Ocean Faith.

3.5

Het voorgaande betekent dat voorshands niet aannemelijk kan worden geacht dat het Land onrechtmatig heeft gehandeld. Voormelde grieven slagen en de vordering tot herstel van het gesloopte bouwwerk moet alsnog worden afgewezen. Hetzelfde geldt voor de vordering tot betaling van schadevergoeding. Ocean Faith zal als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de proceskosten.

B E S L I S S I N G

Het Hof:

vernietigt het bestreden vonnis en opnieuw rechtdoende:

wijst de vorderingen van Ocean Faith af;

veroordeelt Ocean Faith in de proceskosten aan de zijde van het Land gevallen en tot op heden in eerste aanleg begroot op Afl. 2.500,- aan gemachtigdensalaris en in hoger beroep op Afl. 1.092,14 aan verschotten en Afl. 1.500,- aan gemachtigdensalaris.

Dit vonnis is gewezen door mrs. E.A. Saleh, W.J. Geurts-de Veld en Th.G. Lautenbach, leden van het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba en ter openbare terechtzitting van het Hof in Aruba uitgesproken op 9 juni 2020 in tegenwoordigheid van de griffier.