Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:OGHACMB:2020:139

Instantie
Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba
Datum uitspraak
09-06-2020
Datum publicatie
09-06-2020
Zaaknummer
AUA201702255
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Drie jaar terugwerking van nieuwe inschaling niet onrechtmatig

formele relatie: AUA201702255

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GEMEENSCHAPPELIJK HOF VAN JUSTITIE VAN

ARUBA, CURAÇAO, SINT MAARTEN EN VAN

BONAIRE, SINT EUSTATIUS EN SABA

Beschikking in de zaak van:

[APPELLANT],

wonende in Aruba,

oorspronkelijk verzoeker, thans appellant,

procederende in persoon,

tegen

1 de stichting EDUCACION PROFESSIONAL BASICO,

gevestigd in Aruba,

oorspronkelijk verweerster sub 1, thans geïntimeerde sub 1,

gemachtigde: mr. M.D. Tromp,

en

2 de openbare rechtspersoon HET LAND ARUBA,

zetelend in Aruba,

oorspronkelijk verweerder sub 2, thans geïntimeerde sub 2,

gemachtigde: mr. M.P. Jansen (ambtenaar in dienst van het Land),

Partijen worden hierna aangeduid als [Appellant], EPB en het Land.

1 Het verloop van de procedure

1.1.

Voor wat in eerste aanleg is gesteld en verzocht, voor de procesgang aldaar en voor de overwegingen en beslissingen van het Gerecht in eerste aanleg van Aruba (hierna: GEA) wordt verwezen naar de tussen partijen in de zaak met nummer AUA201702255 (voorheen EJ 1873/2017) gegeven en op 6 februari 2018 uitgesproken beschikking (verder: de beschikking). De inhoud van de beschikking geldt als hier ingevoegd.

1.2. [

[Appellant] heeft in een beroepschrift, met producties, op 19 maart 2018 per fax ingediend en op 12 april 2018 ter griffie, hoger beroep ingesteld tegen voornoemde beschikking. [Appellant] heeft het hoger beroep toegelicht en geconcludeerd dat het Hof de beschikking zal vernietigen, en zijn vorderingen alsnog zal toewijzen, kosten rechtens.

1.3.

Op 13 november 2018 hebben EPB en het Land een verweerschrift ingediend.

1.4.

Op 22 januari 2019 heeft de mondelinge behandeling plaatsgevonden. De gemachtigden mrs. Jansen en Tromp en de heer [Appellant] zijn verschenen. Het optreden van Jairon J.C. Odor, zijnde professioneel rechtshulpverlener maar geen toegelaten zaakwaarnemer, als gemachtigde van [Appellant] is door het Hof geweigerd. [Appellant] heeft verzocht om aanhouding omdat zijn zaak zou zijn behandeld in de ministerraad van december 2018, maar dat het inschalingsbesluit nog niet concreet uitgewerkt was. Het uitstel is toegelaten.

1.5.

Op 22 oktober 2019 heeft [Appellant] een akte genomen betreffende de voortgang van de procedure.

1.6.

Op 21 januari 2020 hebben EPB en het Land een antwoordakte genomen.

1.7.

Beschikking is nader bepaald op heden.

2 De gronden van het hoger beroep

Voor de gronden van het hoger beroep wordt verwezen naar het beroepschrift.

3 Beoordeling

3.1.

Het Hof begrijpt uit de stukken dat partijen geen voortzetting van de behandeling verlangen. Het Hof ziet het nut daarvan thans evenmin. Het gaat nu enkel – zie hierna – om de mate van terugwerking van de nieuwe inschaling van [Appellant].

3.2. [

[Appellant] heeft bij akte van 22 oktober 2019 overgelegd: een eerste blad van een brief, kennelijk van de Minister van Onderwijs, aan EPB van 8 mei 2019 (productie 2) en een brief van de Minister van Onderwijs aan EPB van 13 mei 2019 (productie 3). Aan het verlangen van [Appellant] om bezoldigd te worden overeenkomstig schaal 34, in plaats van schaal 27, is blijkens het eerste blad van de eerste brief voldaan.

3.3.

Blijkens de tweede brief gaat de nieuwe inschaling in per 1 januari 2016 op grond van het geldend beleid van terugwerkende kracht. Kennelijk is gekozen voor drie jaren vóór de datum van nieuwe inschaling.

3.4. [

[Appellant] verzoekt veroordeling van EPB en het Land tot nieuwe inschaling met ingang van begin 2008. Het Hof zal zich beperken tot de kwestie van de terugwerkende kracht. Voor het overige acht het Hof de kostenveroordeling in eerste aanleg van onvoldoende belang voor het hoger beroep (artikel 281b Rv).

3.5.

Volgens het Land (akte 21 januari 2020, p. 2) moet [Appellant] tegen de beslissing tot beperking van de terugwerking separaat ageren. Echter, [Appellant]s petitum in zijn inleidend verzoekschrift houdt in: ‘met terugwerkende kracht tot 2008’. De kwestie van de mate van terugwerking valt dus binnen de grenzen van de rechtsstrijd.

3.6.

EPB stelt (akte van 21 januari 2020, onder 6) dat [Appellant] bezwaar krachtens de Landsverordening administratieve rechtspraak (LAR) had moeten aantekenen. Veronderstellenderwijs ervan uitgaande dat het geen belemmering is dat de brieven van de Minister van Onderwijs niet mede aan [Appellant] zijn gericht, acht het Hof de besluiten, in de uitleg van het Hof, van algemene strekking. In beginsel gelden zij ook voor andere leerkrachten in dezelfde positie als [Appellant]; zie het eerste blad van de brief van 8 mei 2018: “een beleid voor soortgelijke ‘niet erkende bijzondere gevallen’ ”. Daarmee is de LAR-weg afgesloten.

3.7.

Blijkens het eerste blad van de brief van 8 mei 2019, berustte de beslissing van de ministerraad op ‘de geest van de wet’, een ‘rechtvaardige interpretatie van de omstandigheden terzake’, ‘erkenning van de feitelijke invulling van de functie’, ‘een nog te ontwikkelen beleid voor soortgelijke ‘niet erkende bijzondere gevallen’ en een ‘niet erkende rechtspositionele gelijkheid’ . In Nederland mag de regelgeving volgens [Appellant] gewijzigd zijn ([Appellant]s akte van 22 oktober 2019, onder 11), in Aruba kennelijk niet. Terecht voert EPB aan (akte van 21 januari 2020, onder 4) dat de beslissing niet steunde op de wet.

3.8.

Dat het Land onder deze omstandigheden de terugwerking beperkte tot drie jaren is geenszins onrechtmatig jegens [Appellant].

3.9. [

[Appellant] kon bij indiensttreding bij EPB niet anders verwachten dan dat EPB wat betreft de bezoldiging gebonden is aan regelgeving van het Land. Van wanprestatie van EPB is daarom geenszins sprake.

3.10.

Het Hof is niet ervan overtuigd dat sprake was van een ‘juridische ondoorzichtige situatie’ ([Appellant]s akte van 22 oktober 2019, onder 5 en 9), laat staan dat dit tot verdere terugwerking behoort te leiden.

3.11. [

[Appellant]s beroep op het gelijkheidsbeginsel faalt. Het noemen van één geval, waarin inschaling bij ministeriële beschikking van 11 juni 2001 per 1 augustus 2000 geschiedde (productie 6 bij akte van 22 oktober 2019), aangenomen dat dit geval relevant vergelijkbaar is, is daartoe onvoldoende.

3.12.

Uit het voorgaande volgt dat het hoger beroep faalt. Het Hof ziet geen aanleiding over te gaan tot een kostenveroordeling in hoger beroep.

Beslissing

Het Hof verwerpt het hoger beroep.

Deze beschikking is gegeven door mrs. M.W. Scholte, F.W.J. Meijer en J. de Boer, leden van het Hof, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 9 juni 2020 in Aruba, in tegenwoordigheid van de griffier.