Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:OGHACMB:2020:131

Instantie
Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba
Datum uitspraak
15-05-2020
Datum publicatie
28-05-2020
Zaaknummer
SXM2019H00020 tot en met SXM2019H00025 en SXM2019H00030 tot en met SXM2019H00032
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

In hoger beroep is de vraag aan de orde of belanghebbende terecht niet-ontvankelijk in zijn bezwaar is verklaard. Belanghebbende stelt zich op het standpunt dat de op 2 april 2015 opgelegde belastingaanslagen niet op de voorgeschreven wijze zijn bekend gemaakt en dat sprake is van een verschoonbare termijnoverschrijding. Het Hof is van oordeel dat de Inspecteur (en de Ontvanger) een dergelijk verwijt niet kan worden gemaakt. De Inspecteur beschikte niet over een ander adres dan het hem laatste en enige bekende adres te Sint Maarten. Het feit dat belanghebbende op 1 april 2015 bij de dienst Burgerzaken kenbaar heeft gemaakt dat hij per die datum zou emigreren naar Nederland doet daaraan niet af. In de kennisgeving aan de dienst Burgerzaken is namelijk niet het toekomstige adres van belanghebbende vermeld. Nu de Inspecteur een onjuiste adressering niet kan worden verweten en de op 2 april 2015 opgelegde belastingaanslagen op de voorgeschreven wijze zijn bekendgemaakt, vangt de bezwaartermijn aan op de dag na de dagtekening, te weten op 3 april 2015. Belanghebbende heeft pas op 10 februari 2017 bezwaar gemaakt (tegen de op 2 april 2015 opgelegde belastingaanslagen) en is dus te laat in bezwaar gekomen. Voorts heeft de Inspecteur ter zitting van het Hof nadrukkelijk en zonder voorbehoud verklaard de ontvankelijkheid van de op 18 juli en 8 augustus 2016 opgelegde belastingaanslagen niet langer te betwisten, belanghebbende voor die belastingaanslagen ontvankelijk in diens bezwaar te achten en het beroep en hoger beroep in zoverre gegrond te achten.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Uitspraak

SXM2019H00020 tot en met SXM2019H00025 en SXM2019H00030 tot en met SXM2019H00032

Datum uitspraak: 15 mei 2020

GEMEENSCHAPPELIJK HOF VAN JUSTITIE

VAN ARUBA, CURAÇAO, SINT MAARTEN

EN VAN BONAIRE, SINT EUSTATIUS EN SABA

Uitspraak op het hoger beroep van:

[Belanghebbende],

wonende in Den Haag, Nederland,

appellant (belanghebbende),

tegen de uitspraak van het Gerecht in eerste aanleg van Sint Maarten (het Gerecht) van 9 januari 2019 in de zaak BBZ nrs. SXM201800960 t/m SXM201800962 en SXM201800985 t/m SXM201800990 in het geding tussen:

belanghebbende,

en

de inspecteur der belastingen in Sint Maarten,

verweerder (de Inspecteur).

1 Procesverloop

1.1.

Aan belanghebbende zijn op 2 april 2015 navorderingsaanslagen in de inkomstenbelasting en premie AVBZ over het jaar 2012 opgelegd naar een inkomen van NAf 97.150, alsmede gelijktijdig een verzuimboete opgelegd van NAf 250.

1.2.

Aan belanghebbende zijn op 18 juli 2016 navorderingsaanslagen in de inkomstenbelasting en premie AVBZ over het jaar 2013 opgelegd naar een inkomen van NAf 298.363, alsmede gelijktijdig een vergrijpboete (50%) van NAf 57.304.

1.3.

Aan belanghebbende zijn op 8 augustus 2016 aanslagen in de inkomstenbelasting en premie AVBZ voor het jaar 2014 opgelegd naar een inkomen van NAf 300.000, alsmede gelijktijdig een vergrijpboete (50%) van NAf 57.330.

1.4.

Aan belanghebbende is op 2 april 2015 een naheffingsaanslag Belasting op bedrijfsomzetten (BBO) over het jaar 2012 opgelegd ten bedrage van NAf 2.337, alsmede gelijktijdig een vergrijpboete (25%) van NAf 584.

1.5.

Aan belanghebbende is op 2 april 2015 een naheffingsaanslag BBO over het jaar 2013 opgelegd ten bedrage van NAf 16.455, alsmede gelijktijdig een vergrijpboete (25%) van NAf 4.113.

1.6.

Aan belanghebbende is op 2 april 2015 een naheffingsaanslag BBO over het jaar 2014 opgelegd ten bedrage van NAf 18.792, alsmede gelijktijdig een vergrijpboete (25%) van NAf 4.698.

1.7.

Belanghebbende heeft op 10 februari 2017 bezwaar gemaakt tegen voornoemde belastingaanslagen en boetes. De Inspecteur heeft bij uitspraak van 21 mei 2018 de bezwaren niet-ontvankelijk verklaard vanwege overschrijding van de bezwaartermijn.

1.8.

Belanghebbende heeft op 19 juli 2018 beroep ingesteld tegen de uitspraken op bezwaar. Daarbij is NAf 150 aan griffierecht betaald. De Inspecteur heeft op 14 september 2018 een verweerschrift ingediend.

1.9.

Het Gerecht heeft het beroep op 9 januari 2019 ongegrond verklaard.

1.10.

Tegen deze uitspraak heeft belanghebbende op 13 februari 2019 hoger beroep ingesteld bij het Hof en dit hoger beroep nader gemotiveerd op 4 april 2019.

Ter zake van dit beroep heeft de griffier van belanghebbende een griffierecht geheven van NAf 300.

De Inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.

1.11.

Op 17 oktober 2019 heeft belanghebbende nog een nader stuk overgelegd, te weten een reactie van de Belastingdienst/Oost/Central [L Office op een verzoek van de Inspecteur om inlichtingen op grond van de artikelen 36 en 37 van de Belastingregeling voor het Koninkrijk (BRK), gedagtekend 4 mei 2016.

1.12.

De zitting heeft plaatsgehad op 29 november 2019 te Philipsburg.

Aldaar zijn toen verschenen en gehoord namens belanghebbende [A] van BZSE en namens de Inspecteur [B] en [C].

1.13.

Belanghebbende en de Inspecteur hebben tijdens de zitting een pleitnota voorgedragen en exemplaren daarvan overgelegd aan het Hof en aan de andere partij. De Inspecteur en belanghebbende hebben over en weer verklaard geen bezwaar te hebben tegen overlegging van de bij deze pleitnota’s behorende bijlagen.

1.14.

Aan het einde van de zitting heeft het Hof het onderzoek gesloten.

2 Feiten

Het Gerecht heeft de volgende, in hoger beroep niet bestreden, feiten vastgesteld, welke feiten het Hof als vaststaand overneemt:

“2.1 Belanghebbende heeft zich op 22 augustus 2012 uitgeschreven uit Nederland. Blijkens een uittreksel uit de basisadministratie van Sint Maarten van 1 september 2014 heeft belanghebbende zich met zijn gezin op 2 augustus 2013 ingeschreven in Sint Maarten.

2.2

Belanghebbende heeft van 2012 tot 2015 een woning gehuurd aan [adres] te Sint Maarten. Op 1 september 2013 is een huurovereenkomst getekend voor de periode van 1 september 2013 tot en met 31 augustus 2014. De huurprijs bedraagt USD 2100 per maand.

2.3

Belanghebbende heeft op 2 mei 2012 te Sint Maarten de vennootschap [RM] NV (de NV) opgericht. Alle aandelen zijn in handen van belanghebbende. De NV is statutair gevestigd in Sint Maarten en ingeschreven in het handelsregister op 2 mei 2012.

2.4

Op 17 januari 2013 heeft de NV een overeenkomst met het Ministerie van Algemene Zaken van Sint Maarten gesloten voor het verrichten van advieswerkzaamheden voor de periode van 1 december 2012 tot en met 31 december 2014. Blijkens de overeenkomst worden de werkzaamheden verricht door belanghebbende. Het uurtarief bedraagt NAf 175,18 (USD 96,25).

2.5

Uit een betaaloverzicht van de Ontvanger blijkt dat alle betalingen van het Ministerie in de jaren 2012 tot en met 2014 zijn gedaan op een privé-rekening van belanghebbende.

2.6

Blijkens een verhuisbericht van de dienst Burgerzaken van Sint Maarten heeft belanghebbende op 1 april 2015 aangifte gedaan bij deze dienst dat hij Sint Maarten, [adres], verlaat om zich te vestigen in Den Haag, Nederland.

2.7

Belanghebbende heeft op 2 juni 2014 een aangifte inkomstenbelasting 2013 ingediend over de periode 12 september 2013 tot en met 31 december 2013 naar een belastbaar inkomen van -/- NAf 18.547. Voor de jaren 2012 en 2014 heeft belanghebbende geen aangiften inkomstenbelasting ingediend.

2.8

Namens de Inspecteur is bij belanghebbende een boekenonderzoek ingesteld naar de jaren 2012 en 2013. De bevindingen zijn neergelegd in een rapport van 24 april 2015. Daarin is onder meer het volgende opgemerkt:

2.1 Rechtsvorm onderneming

Voordat er een NV werd opgericht werden de werkzaamheden verricht als eenmanszaak. In 2014 is de eenmanszaak overgegaan in een NV.

2.2.

Bedrijfsactiviteiten

De bedrijfsactiviteiten bestaan uit advieswerkzaamheden voor het Government Sint Maarten.

2.3

Ingediende aangiften

Vóór de aankondiging van het onderzoek [GEA: op 4 februari 2015] waren door belastingplichtige, voor zover relevant voor dit onderzoek, de volgende aangiften ingediend:

  • -

    IB 2013

  • -

    Op 2 juni 2014 werd door (belanghebbende] de aangifte 1B 2013 ingediend over de periode 12 september t/m 31 december. Het belastbare inkomen is -/- 18.547. De meeste bijlagen zijn onduidelijk en niet goed controleerbaar.

3.2

Verloop onderzoek

( ... ) Tijdens het gesprek op 9 september 2014 deelde (belanghebbende] het volgende kort gezegd mede:

  • -

    De oprichting van de NV was nog in behandeling

  • -

    De NV of eenmanszaak was voor geen enkel middel beschreven op dat moment

  • -

    Het aanmelden was nog niet gedaan omdat er stukken lagen bij de adviseur Jean James

  • -

    [Belanghebbende] is woonachtig op Sint Maarten vanaf augustus 2013

  • -

    [Belanghebbende) heeft Nederland in augustus 2012 verlaten en heeft 1 jaar gewoond op Trinidad

  • -

    De aangifte Inkomstenbelasting 2013 zou zijn ingediend

Naar aanleiding van de aangifte Inkomstenbelasting 2013 heb ik op 22 september 2014 per mail een aantal vragen gesteld aan [belanghebbende] inzake de NV en privé. Op 23 september 2014 neemt de adviseur, dhr. [VH], via de mail contact met mij op. Hij deelde mij mede dat niet alle gegevens direct beschikbaar zijn. ( ... ) Op 21 oktober 2014 heb ik via de mail aan dhr. [VH] gevraagd of er al enige informatie is. ( ... ) Op 20 januari 2015 mail ik dhr. [VH] met de vraag of er al wat nieuws te melden valt. Dhr. [VH] mailt mij op 27 januari 2015 dat [belanghebbende] pas in februari 2015 naar Trinidad zal reizen. Daarnaast zat er als bijlage een, niet door beide partijen, ondertekend huurcontract bij van het [adres] te Sint Maarten.

Aangezien ik naar mijn mening voldoende de tijd heb gegeven aan [belanghebbende] om zijn zaken bij de belastingdienst op orde te maken, heb ik [belanghebbende] en [VH] op 4 februari 2015 het boekenonderzoek voor [RM] NV en [belanghebbende] privé aangekondigd. Op 6 februari 2015 mail ik de belastingplichtige en zijn adviseur dat ik uiterlijk eind februari de gevraagde stukken wil ontvangen. Op 24 februari 2015 verzoekt de adviseur om uitstel tot 15 april 2015. Dit verzoek heb ik afgewezen. Het rapport wordt bij deze afgewerkt.

3.3

Inlichtingenplicht

Ingevolge artikel 40, lid 1, letter a ALL, is een ieder gehouden aan de inspecteur op diens verzoek de gegevens en inlichtingen te verstrekken welke voor de belastingheffing ten aanzien van hem van belang kunnen zijn. Artikel 41, lid 1 ALL stelt dat gegevens en inlichtingen duidelijk, stellig en zonder voorbehoud dienen te worden verstrekt, mondeling, schriftelijk of op andere wijze - zulks naar keuze van de inspecteur - binnen een door de inspecteur te stellen termijn.

3.4

Administratieplicht

Op basis van artikel 43, lid 2 ALL zijn administratieplichtigen onder andere gehouden van hun vermogenstoestand en van alles betreffende hun bedrijf naar de eisen van dat bedrijf op zodanige wijze een administratie te voeren dat te allen tijde hun rechten en verplichtingen evenals de voor de heffing van de belasting overigens van belang zijnde gegevens, hieruit duidelijk blijken.

3.5

Bewaarplicht

Op basis van artikel 43, leden 2 en 6 ALL zijn administratieplichtigen verplicht hun administratie en de daartoe behorende gegevensdragers gedurende 10 jaar te bewaren.

3.6

Factureringsplicht

Ingevolge artikel 44, lid 1, ALL zijn administratieplichtigen gehouden ter zake van hun leveringen en diensten een doorlopend genummerde en gedagtekende factuur aan de afnemer uit te reiken.

3.7

Oordeel administratie

Aan geen van de hier bovenstaande verplichtingen, genoemd onder de punten 3.3 t/m 3.6, werd voldaan. Een gedegen onderzoek is niet mogelijk.

De in dit hoofdstuk genoemde bevindingen ten aanzien van de administratie en administratieve verplichtingen hebben gevolgen voor de in dit onderzoek betrokken belastingaangiften. Ik verwijs naar de volgende onderdelen van dit rapport:

- 4. Belastingen op bedrijfsomzetten

- 5. Inkomstenbelasting

4. BELASTING OP BEDRIJFSOMZETTEN

4.1

Belastingplichtige

Ingevolge artikel 1, lid 1, letter d LBBO is een ieder die een bedrijf of beroep zelfstandig uitoefent ondernemer voor de BBO. In dit geval dus ook [belanghebbende].

( ... )

Artikel 5, lid 3, LBBO:

Buiten het heffingsgebied wonende of gevestigde ondernemers die in artikel 2, onder b, bedoelde gevallen leveringen en diensten verrichten aan een binnen het heffingsgebied wonende of gevestigde afnemer, worden geacht voor deze prestaties domicilie te hebben gekozen ter Inspectie der Belastingdienst.

Voor de BBO maakt het, in het geval van [belanghebbende], dus niet uit waar hij woont of gevestigd is, zijn diensten zijn belast voor de BBO.

4.2.

Aansluitingen

De verschuldigde BBO wordt berekend over de ontvangsten, het zgn. kasstelsel. Uit betalingslijsten van de Government is gebleken dat in 2012 NAf 46.754 werd ontvangen en in 2013 NAf 329.115.

Jaar 2012 2013 2014

Ontvangen omzet 46.754 329.115 379.440

Verschuldigde BBO (5%) 2.337 16.455 18.972

Aangegeven 0 0 0

Verschil 2.337 16.455 18.972

Correctie BBO 2.237 16.455 18.972

5. INKOMSTENBELASTING

5.1

Algemeen

[Belanghebbende] verricht zijn werkzaamheden voor Government vanaf 2012. Om te bepalen of [belanghebbende] voor zijn inkomstenbelasting hier belastingplichtig is heb ik hem op 22 september 2014 via de mail en bij de aankondiging van het boekenonderzoek de volgende vragen/bewijzen gevraagd:

[RM] NV

Namens deze NV heeft u contracten afgesloten met het Government van Sint Maarten. Deze contracten lopen vanaf 2012. Graag zie ik van de NV de volgende kopieën tegemoet:

  • -

    Kopie oprichtingsakte

  • -

    Kopie aandeelhoudersregister

  • -

    Kopie inschrijving Kamer van Koophandel

  • -

    Kopieën van belastingaangiften van deze NV waar dan ook

PRIVE

Tijdens ons gesprek hier bij mij op kantoor op 9 september jl. deelde u mij onder andere mede dat u in augustus 2012 uit Nederland bent vertrokken met uw gezin, 1 jaar woonachtig bent geweest op Trinidad en dat u met uw gezin vanaf augustus 2013 woonachtig bent op Sint Maarten. In verband hiermee verzoek ik u om de volgende kopieën:

  • -

    Kopie uitschrijving bevolkingsregister Nederland

  • -

    Kopie inschrijving bevolkingsregister Trinidad

  • -

    Kopie uitschrijving bevolkingsregister Trinidad

  • -

    Kopie melding immigratie op Sint Maarten van u en uw gezin

  • -

    Kopie inschrijving bevolkingsregister Sint Maarten van u en uw gezin

  • -

    Kopieën van belastingaangiften van u en uw gezien waar dan ook

  • -

    Kopieën van de overtocht van u en uw gezin naar Sint Maarten. Dit zijn bijvoorbeeld vliegtickets, container transport huisraad etc.

Tot op heden heb ik nog op geen enkele van bovenstaande vragen een reactie gekregen. Wel heb ik een niet door beide partijen ondertekend kopie huurcontract van de [adres] ontvangen. Dit contract loopt vanaf 1 september 2013 t/m 31 augustus 2014. (Belanghebbende] heeft volgens de informatie van de GEBE [GEA: energiebedrijf Sint Maarten] een aansluiting op dit adres vanaf 30 augustus 2011. De eerste contracten werden opgemaakt door Government met [belanghebbende] en niet [RM] NV. Ook de betalingen vonden plaats aan [belanghebbende] privé.

Gezien bovenstaande ben ik dan ook van mening dat [belanghebbende] vanaf 01-01-2012 voor de inkomstenbelasting op Sint Maarten belastingplichtig is zoals genoemd in artikel 1, lid 1, LIB.

5.2

Fiscale Winstberekening

5.2.1

Omzet

In 2012 werd er voor NAf 107.945 gefactureerd aan Government en in 2013 NAf 331.515.

5.2.2

Kosten algemeen

Wegens het ontbreken van stukken stel ik de totale kosten vast op 10% van de omzet.

5.2.3

Fiscale winst

Jaar 2012 2013 2014

Omzet 107.945 331.515 335.000

Kosten 10.795 33.152 35.000

Winst 97.150 298.363 300.000

Correctie BBO 2.237 16.455 18.972

6. GEVOLGEN VOOR DE BELASTINGHEFFING

6.1

Inkomstenbelasting

Ik stel voor om over onderstaande berekeningen navorderingsaanslagen op te leggen:

2012

2013

2014

Aangegeven/vastgesteld belastbaar inkomen

0

0

0

Fiscale winst

97.150

298.363

300.000

Vastgesteld belastbaar inkomen na correctie

97.150

298.363

300.000

(…)

8.1

Opmerkingen

Wegens het plotselinge vertrek van [belanghebbende] en zijn gezin van Sint Maarten werd dit rapport op 24 april 2015 afgegeven bij zijn adviseur.”

2.9

De Inspecteur heeft op 2 april 2015 navorderingsaanslagen inkomstenbelasting en premie AVBZ over het jaar 2012 opgelegd, alsmede de naheffingsaanslagen BBO over de jaren 2012 tot en met 2014. De Inspecteur heeft de (navorderings)aanslagen inkomstenbelasting en premie AVBZ over de jaren 2013 en 2014 opgelegd op respectievelijk 18 juli 2016 en 8 augustus 2016. Deze aanslagbiljetten zijn verzonden aan het adres van belanghebbende op Sint Maarten, [adres].

2.10

De invordering van voornoemde belastingaanslagen en boetes is geschied door betekening van dwangschriften op het [adres] te Sint Maarten. Omdat niemand op dat adres is aangetroffen, is bij brief van 13 december 2016 aan de Belastingdienst te Nederland verzocht om bijstand bij de invordering van de belastingaanslagen in de inkomstenbelasting.

2.11

De Ontvanger van de Belastingdienst Amsterdam heeft bij brief van 31 januari 2017 belanghebbende verzocht tot betaling van de in Sint Maarten verschuldigde inkomstenbelasting over de jaren 2012 tot en met 2014.

2.12

Belanghebbende heeft op 10 februari 2017 bezwaar gemaakt tegen de (navorderings) aanslagen in de inkomstenbelasting en premie AVBZ over de jaren 2012 tot en met 2014, de naheffingsaanslagen BBO over de jaren 2012 tot en met 2014, en de daarmee samenhangende boetes.

2.13

De Inspecteur heeft op 22 augustus 2016 aan de NV ambtshalve een aanslag in de winstbelasting voor het jaar 2014 opgelegd van NAf 100.000.

2.14

De NV heeft op 26 september 2018 aangiften winstbelasting voor de jaren 2012, 2013 en 2014 ingediend.”

In aanvulling op de door het Gerecht vastgestelde feiten stelt het Hof op grond van de stukken van het geding en het onderzoek ter zitting de volgende feiten en omstandigheden vast:

2.15.

Voor de zitting heeft belanghebbende de reactie van de Belastingdienst/Oost/ Central [L] Office op een verzoek van de Inspecteur om inlichtingen op grond van artikel 36 en 37 BRK, gedagtekend 4 mei 2016, overgelegd. Hierin is ten aanzien van belanghebbende, voor zover van belang, het volgende vermeld:

  • -

    Meneer is gehuwd met M.C.N.H, geboortedatum [000];

  • -

    Woonadres: [adres] ’s-Gravenhage;

  • -

    Mobiel nummer: [0000];

  • -

    E-mailadres is onbekend;

  • -

    Sinds 01-05-2015 is hij een bedrijf gestart met de naam [ID]. Deze is gevestigd op het woonadres van de heer [belanghebbende];

  • -

    Meneer beschikt over diverse bankrekeningnummers met een totaal aan saldo van ca. € 9.000.

Er wordt aanbevolen tot invordering over te gaan.”

3 Geschil in hoger beroep

3.1.

In hoger beroep is de vraag aan de orde of belanghebbende terecht niet-ontvankelijk in zijn bezwaar is verklaard voor de belastingaanslagen vermeld onder 1.1 en 1.4 tot en met 1.6.

Belanghebbende beantwoordt deze vraag ontkennend, de Inspecteur bevestigend.

Ter zitting van het Hof heeft de Inspecteur verklaard belanghebbende (alsnog) ontvankelijk te achten in zijn bezwaar tegen de aanslagen vermeld onder 1.2 en 1.3; dit komt nader aan de orde in de overwegingen 5.10 tot en met 5.12.

3.2.

Partijen doen hun standpunten steunen op de gronden die daartoe door hen zijn aangevoerd in de van hen afkomstige stukken, alsmede op hetgeen zij ter zitting hebben aangevoerd.

3.3.

Belanghebbende concludeert tot vernietiging van de uitspraak van het Gerecht, vernietiging van de uitspraken op bezwaar, ontvankelijkheid van de bezwaren en terugwijzing naar de inspecteur, opdat de Inspecteur opnieuw uitspraken op bezwaar kan doen.

De Inspecteur concludeert tot bevestiging van de uitspraak van het Gerecht voor wat betreft de belastingaanslagen die zijn vermeld onder 1.1 en 1.4 tot en met 1.6.

4 Het oordeel van het Gerecht

Het Gerecht heeft, voor zover hier van belang, het volgende overwogen:

Ontvankelijkheid bezwaar

4.1

In artikel 29, lid 1, van de Algemene landsverordening Landsbelastingen (ALL) is bepaald dat degene die bezwaar heeft tegen een hem opgelegde belastingaanslag, binnen twee maanden na de dagtekening van het aanslagbiljet een gemotiveerd bewaarschrift kan indienen bij de Inspecteur.

4.2

De onderhavige aanslagbiljetten zijn gedagtekend op 2 april 2015, 18 juli 2016 en 8 augustus 2016. Belanghebbende is eerst op 31 januari 2017 bekend geworden met deze aanslagen. Het bezwaarschrift is op 10 februari 2017 ingediend.

4.3

De omstandigheid dat een aanslag niet op de voorgeschreven wijze is bekendgemaakt, leidt ertoe dat de bezwaartermijn niet aanvangt op de dag na die van de dagtekening, maar pas aanvangt op de dag van de ontvangst door de belanghebbende of zijn vertegenwoordiger van het aanslagbiljet of van een afschrift daarvan (vgl. HR 15 maart 2000, nr. 34.999, ECLl:NL:HR:2000: AA5141; HR 29 juni 2012, nr. 11/03759, ECLl:NL:HR:2012:BW0194).

4.4

Voor de vraag of de onderhavige belastingaanslagen op de voorgeschreven wijze zijn bekendgemaakt, is het volgende van belang.

4.5

Vaststaat dat belanghebbende op 1 april 2015 de dienst Burgerzaken van Sint Maarten op de hoogte heeft gesteld van zijn emigratie naar Nederland. Belanghebbende heeft toen niet voldaan aan zijn verplichting als bedoeld in artikel 9, lid 3, ALL om terstond aangifte te doen voor de inkomstenbelasting en de BBO. Belanghebbende heeft evenmin op andere wijze de Inspectie der Belastingen op Sint Maarten in kennis gesteld van het feit dat zijn adres met ingang van 1 april 2015 was gewijzigd. De Inspecteur en de Ontvanger zijn niet, zoals belanghebbende veronderstelt, gehouden om bij de dienst Burgerzaken te onderzoeken wat het woonadres is van een belastingplichtige (vgl. Raad van Beroep voor Belastingzaken 15 oktober 1999, nr. 1998/185, ECLl:NL:ORBBNAA:1999:BU9678). Het Gerecht is dan ook van oordeel dat het aan belanghebbende zelf is te wijten dat de aanslagbiljetten hem niet tijdig hebben bereikt.

4.6

Nu de aanslagen en boetebeschikkingen op de voorgeschreven wijze zijn bekendgemaakt, is de bezwaartermijn aangevangen op de dag na die van de dagtekening van de onderhavige aanslagbiljetten. Dit betekent dat het bezwaarschrift ruimschoots buiten de wettelijke termijn van twee maanden is ingediend.

4. 7 Een niet-ontvankelijkverklaring van een bezwaar op grond van termijnoverschrijding blijft echter achterwege, indien redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat de indiener van het bezwaar in verzuim is geweest (Raad van Beroep voor Belastingzaken 3 september 2010, nr. 2009/0050, ECLl:NL:ORBBNAA:2010: BQ8906). Niet gebleken is dat zich te dezen een dergelijk geval voordoet. Anders dan belanghebbende betoogt, valt het hem immers te verwijten dat hij de aanslagbiljetten niet heeft ontvangen waardoor niet tijdig bezwaar kon worden gemaakt.

Slotsom

4.8

Gelet op het vorenstaande heeft de Inspecteur de bezwaren terecht niet­ontvankelijk verklaard. De beroepen zijn derhalve ongegrond.”

5 Gronden

Ontvankelijkheid bezwaar tegen de belastingaanslagen opgelegd op 2 april 2015

5.1.

Op 2 april 2015 heeft de Inspecteur aan belanghebbende navorderingsaanslagen inkomstenbelasting en premie AVBZ over het jaar 2012 opgelegd, alsmede een verzuimboete en naheffingsaanslagen BBO over de jaren 2012 tot en met 2014, alsmede, voor al die jaren, vergrijpboetes (de op 2 april 2015 opgelegde belastingaanslagen). Belanghebbende heeft tegen de op 2 april 2015 opgelegde belastingaanslagen op 10 februari 2017 bezwaar gemaakt, nadat hij op 31 januari 2017 met deze belastingaanslagen bekend is geraakt.

Artikel 29, eerste lid, van de ALL bepaalt dat degene die bezwaar heeft tegen een aan hem opgelegde belastingaanslag binnen twee maanden na dagtekening van het aanslagbiljet een bezwaarschrift kan indienen bij de Inspecteur. Uitgaande van de dagtekening van de aanslagbiljetten – 2 april 2015 – is tegen de op 2 april 2015 opgelegde belastingaanslagen buiten de termijn van twee maanden (op 10 februari 2017), en dus te laat, bezwaar gemaakt.

5.2.

Zoals het Gerecht juist heeft geoordeeld leidt de omstandigheid dat een belastingaanslag niet op de voorgeschreven wijze bekend is gemaakt ertoe dat de bezwaartermijn niet aanvangt op de dag na die van de dagtekening, maar pas op de dag van de ontvangst door belanghebbende of zijn vertegenwoordiger van het aanslagbiljet of een afschrift daarvan1. Voorts geldt dat bij een indiening buiten de wettelijke termijn niet-ontvankelijkheid achterwege blijft indien redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat belanghebbende, als indiener van het bezwaar, in verzuim is geweest.

Belanghebbende stelt zich op het standpunt, naar het Hof begrijpt, dat de op 2 april 2015 opgelegde belastingaanslagen niet op de voorgeschreven wijze zijn bekend gemaakt en dat sprake is van een verschoonbare termijnoverschrijding. De Inspecteur daarentegen betoogt dat de op 2 april 2015 opgelegde belastingaanslagen wel op de voorgeschreven wijze zijn bekend gemaakt en dat geen sprake is van een verschoonbare termijnoverschrijding.

5.3.

Belanghebbende stelt dat hij de dienst Burgerzaken van Sint Maarten op 1 april 2015 in kennis heeft gesteld van zijn emigratie naar Den Haag in Nederland, dat hij op 1 april 2015 nog niet beschikte over adresgegevens in Den Haag en dat hij op 29 april 2015 geregistreerd is op het adres de [adres] in Den Haag.

Voorts stelt belanghebbende dat de op 2 april 2015 opgelegde belastingaanslagen op grond van artikel 6 van de Landsverordening Dwanginvordering (PB 1942, 246) onmiddellijk zijn ingevorderd, dat de op 2 april 2015 opgelegde belastingaanslagen door de belastingdeurwaarder niet konden worden betekend omdat belanghebbende niet langer woonachtig was op het adres [adres] te Sint Maarten, dat de belastingdeurwaarder het betreffende dwangschrift om die reden betekend heeft aan het Openbaar Ministerie en dat de conclusie dan ook moet zijn dat de Inspecteur en de Ontvanger reeds op 2 april 2015 bekend waren met het feit dat belanghebbende niet langer meer woonachtig was op het bij de Belastingdienst bekende adres, omdat hij Sint Maarten metterwoon had verlaten.

In verband met hetgeen hiervoor is vermeld, heeft belanghebbende ook nog gewezen op de met ingang van 1 september 2001 van kracht geworden ‘Uitwisseling persoonsgegevens tussen Nederland, de Nederlandse Antillen en Aruba’, op grond van welke regeling een automatische uitwisseling van persoonsgegevens tussen Nederland en Sint Maarten zou moeten hebben plaatsgevonden. Uit dien hoofde zou de Belastingdienst van Sint Maarten op de hoogte moeten zijn van de (her)vestiging van belanghebbende in Nederland.

5.4.

De Inspecteur stelt dat belanghebbende geen adreswijziging heeft doorgegeven aan de Belastingdienst en dat hij ook niet heeft voldaan aan de verplichting van artikel 9, derde lid, van de ALL, alwaar is bepaald dat de belastingplichtige die Sint Maarten metterwoon wenst te verlaten, verplicht is terstond aangifte te doen voor onder andere de inkomstenbelasting en de BBO tot het einde van de belastingplicht.

De Inspecteur stelt voorts dat hij wel vermoedde dat belanghebbende voornemens was te emigreren, om welke reden op 2 april 2015 de belastingaanslagen zijn opgelegd, de Ontvanger deze op 2 april 2015 heeft laten betekenen en een versnelde invordering is ingesteld op het laatst bekende adres van belanghebbende. Pas op 4 mei 2016, ruim een jaar nadat de belastingaanslagen waren opgelegd heeft de Inspecteur, na een daartoe bij de inspecteur in Nederland gedaan verzoek, het nieuwe adres van belanghebbende in Nederland ontvangen. Van belanghebbende zelf is nooit een adreswijziging ontvangen, aldus de Inspecteur.

De Inspecteur geeft daarnaast aan dat het nieuwe adres in Nederland niet bij de dienst Burgerzaken van Sint Maarten bekend was.

5.5.

Niet in geschil is dat de op 2 april 2015 opgelegde belastingaanslagen zijn verzonden naar het voor de Ontvanger laatste en (op dat moment) enige bekende adres van belanghebbende, [adres] te Sint Maarten. Voorts heeft de Ontvanger vanwege het vermoeden dat belanghebbende voornemens was Sint Maarten metterwoon te verlaten, eveneens op 2 april 2015, dwangschriften laten betekenen en een versnelde invordering ingesteld op het adres [adres] te Sint Maarten. Naar het oordeel van het Hof heeft de Ontvanger de op 2 april 2015 opgelegde aanslagen op de voorgeschreven bekend gemaakt. Dit zou alleen anders zijn indien sprake zou zijn geweest van een onjuiste adressering die de Inspecteur (Ontvanger) is te verwijten2. Een dergelijk verwijt kan de Inspecteur (en de Ontvanger) niet worden gemaakt. De Inspecteur beschikte niet over een ander adres dan het hem laatste en enige bekende adres [adres] te Sint Maarten. Het feit dat belanghebbende op 1 april 2015 bij de dienst Burgerzaken kenbaar heeft gemaakt dat hij per die datum zou emigreren naar Nederland doet daaraan niet af. In de kennisgeving aan de dienst Burgerzaken is namelijk niet het toekomstige adres van belanghebbende vermeld. Bovendien, al zou wel een toekomstig adres zijn vermeld, redelijkerwijs kan niet worden verwacht dat de Inspecteur (de Ontvanger) één dag na de ontvangst van de kennisgeving van de emigratie door de dienst Burgerzaken tijdig op de hoogte van de emigratie zou zijn. Evenmin kan worden verwacht dat de Inspecteur (de Ontvanger) op 2 april 2015 door Nederland op grond van de ‘Uitwisseling persoonsgegevens tussen Nederland, de Nederlandse Antillen en Aruba’ zou zijn geïnformeerd. Dat zou al niet kunnen reeds omdat belanghebbende pas op 29 april 2015 geregistreerd is op het adres [adres] in Den Haag.

5.6.

Nu de Inspecteur een onjuiste adressering niet kan worden verweten en de op 2 april 2015 opgelegde belastingaanslagen op de voorgeschreven wijze zijn bekendgemaakt, vangt de bezwaartermijn aan op de dag na de dagtekening, te weten op 3 april 2015. Belanghebbende heeft pas op 10 februari 2017 bezwaar gemaakt tegen de op 2 april 2015 opgelegde belastingaanslagen en is dus te laat in bezwaar gekomen.

5.7.

Belanghebbende heeft nog aangevoerd dat de op 2 april 2015 opgelegde belastingaanslagen, toen belanghebbende bij de versnelde invordering niet werd aangetroffen op het adres [adres] te Sint Maarten, alsnog gestuurd hadden moeten worden naar diens accountant c.q. belastingadviseur, de heer [VH], waarvan de Inspecteur immers het adres kende, dan wel ten minste de heer [VH] van de op 2 april 2015 opgelegde belastingaanslagen op de hoogte moeten stellen, bijvoorbeeld door dit te vermelden in het op 24 april 2015 gedagtekende controlerapport dat aan de heer [VH] is gezonden. Het nalaten daarvan acht belanghebbende in strijd met de algemene beginselen van behoorlijk bestuur.

5.8.

Het onder 5.7 aangevoerde maakt het oordeel van het Hof niet anders. Ingevolge de Invorderingsverordening dient de Ontvanger ‘zo spoedig mogelijk na ontvangst der kohieren, aan ieder wiens naam daarop voorkomt, kosteloos een aanslagbiljet’ te zenden3. Aangezien het de naam van belanghebbende is die op het kohier voorkomt, heeft de Ontvanger terecht de aanslagbiljetten voortvloeiende uit de op 2 april 2015 opgelegde belastingaanslagen aan belanghebbende gezonden.

De Inspecteur was naar het oordeel van het Hof niet gehouden om de heer [VH] te informeren dat op 2 april 2015 belastingaanslagen waren opgelegd. In het verweerschrift heeft de Inspecteur onweersproken gesteld dat de heer [VH] niet door belanghebbende was gemachtigd om zijn zaken te behartigen. Alsdan is het volstrekt begrijpelijk dat de Inspecteur geen informatie of gegevens aan de heer [VB] verstrekt; de inspecteur was daar ook niet toe gehouden. Kennelijk is om die reden het concept controlerapport van 5 maart 2015 ook aan belanghebbende gezonden. Naar het Hof begrijpt is het (vrijwel) ongewijzigde definitieve controlerapport enkel en alleen bij de heer [VH] afgegeven ‘wegens het plotselinge vertrek van dhr. [belanghebbende] en zijn gezin van Sint Maarten’4.

Ten overvloede merkt het Hof nog op dat uit het concept controlerapport en het definitieve controlerapport niet anders kan worden afgeleid dan dat door de Inspecteur belastingaanslagen zouden worden opgelegd. Belanghebbende, met de kennis van het concept controlerapport, noch de heer [VH], met de kennis van het definitieve controlerapport heeft ooit bij de Inspecteur geïnformeerd of naar aanleiding van het boekenonderzoek en het advies uitgebracht in het (concept) controlerapport, belastingaanslagen zijn opgelegd.

5.9.

Een verklaring van niet-ontvankelijkheid van een buiten de bezwaartermijn ingediend bezwaarschrift blijft achterwege indien redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat de indiener van het bezwaar in verzuim is geweest (zie ook het door het Gerecht overwogene in overweging 4.7, eerste volzin). Van een dergelijke verschoonbaarheid is het Hof niets gebleken en evenmin heeft belanghebbende zulks gemotiveerd gesteld. Door hals over kop Sint Maarten metterwoon te verlaten, wat daarvan ook de reden is, zonder achterlating van een adres, is het aan belanghebbende zelf te wijten dat hij de belastingaanslagen niet heeft ontvangen en niet tijdig bezwaar heeft gemaakt.

Ontvankelijkheid bezwaar tegen de belastingaanslagen opgelegd op 18 juli en 8 augustus 2016

5.10.

Op 18 juli 2016 heeft de Inspecteur aan belanghebbende navorderingsaanslagen in de inkomstenbelasting en premie AVBZ over het jaar 2013 opgelegd, alsmede een vergrijpboete en op 8 augustus 2016 navorderingsaanslagen in de inkomstenbelasting en premie AVBZ over het jaar 2014, en eveneens een vergrijpboete (de op 18 juli en 8 augustus 2016 opgelegde belastingaanslagen). Ook tegen de op 18 juli en 8 augustus 2016 opgelegde belastingaanslagen heeft belanghebbende op 10 februari 2017 bezwaar gemaakt, derhalve na ommekomst van de bezwaartermijn zoals bepaald in artikel 29, eerste lid, van de ALL.

5.11.

Nog vóór het opleggen van de onder 5.10 vermelde aanslagen, te weten bij een schrijven, gedagtekend 4 mei 2016, heeft de Inspecteur van zijn ambtsgenoot van de Belastingdienst/Oost/Central [L] Office, vernomen dat belanghebbende woonachtig zou zijn op het adres [adres] in Den Haag, Nederland (zie ook overweging 2.15). Ondanks de kennis omtrent het woonadres van belanghebbende heeft de Inspecteur de op 18 juli en 8 augustus 2016 opgelegde belastingaanslagen verzonden naar het adres [adres] te Sint Maarten, en niet naar het adres [adres] in Den Haag.

Belanghebbende stelt eerst op 31 januari 2017 bekend te zijn geraakt met de op 18 juli en 8 augustus 2016 opgelegde belastingaanslagen nadat de Ontvanger van de Belastingdienst Amsterdam bij brief belanghebbende heeft verzocht tot betaling van de in Sint Maarten verschuldigde belasting (zie ook overweging 2.11).

5.12.

Ter zitting heeft het Hof de Inspecteur voorgehouden dat de op 18 juli en 8 augustus 2016 opgelegde belastingaanslagen wellicht niet op de voorgeschreven wijze bekend zijn gemaakt en dat de bezwaartermijn eerst op de dag na 31 januari 2017 is aangevangen. Voorts heeft het Hof de Inspecteur erop gewezen dat, veronderstellende wijs ervan uitgaande dat de bezwaartermijn pas op de dag na 31 januari 2017 is aangevangen, belanghebbende tijdig in bezwaar is gekomen tegen de op 18 juli en 8 augustus 2016 opgelegde belastingaanslagen, nu hij op 10 februari 2017 bezwaar tegen genoemde belastingaanslagen heeft gemaakt.

Ter zitting van het Hof heeft de Inspecteur vervolgens nadrukkelijk en zonder voorbehoud verklaard de ontvankelijkheid van de op 18 juli en 8 augustus 2016 opgelegde belastingaanslagen niet langer te betwisten, belanghebbende voor die belastingaanslagen ontvankelijk in diens bezwaar te achten en het beroep en hoger beroep in zoverre gegrond te achten.

Slotsom

5.13.

De slotsom is alsdan dat het hoger beroep voor zover gericht tegen de op 2 april 2015 opgelegde belastingaanslagen ongegrond is en dat het hoger beroep gericht tegen de op 18 juli en 8 augustus 2016 opgelegde belastingaanslagen gegrond is. Voor wat betreft de op 18 juli en 8 augustus 2016 opgelegde belastingaanslagen zal het Hof de zaak terugwijzen naar de Inspecteur, opdat deze het bezwaar tegen deze belastingaanslagen inhoudelijk kan behandelen.

Griffierecht en kosten van bezwaar en proceskosten

5.14.

Het Hof heeft geconstateerd dat van belanghebbende in eerste aanleg ten onrechte NAf 150 aan griffierecht is geheven en belanghebbende derhalve NAf 100 te veel griffierecht in rekening is gebracht. Het Hof zal de griffie gelasten het te veel betaalde griffierecht terug te storten. De Inspecteur dient aan belanghebbende het bij het Gerecht verschuldigde en bij het Hof betaalde griffierecht van NAf 50 respectievelijk NAf 300 te vergoeden, totaal NAf 350, omdat de uitspraak van het Gerecht wordt vernietigd en het beroep gegrond had moeten worden verklaard.

Ten aanzien van de kosten van bezwaar

5.15.

Het Hof ziet geen reden voor het vergoeden van kosten die belanghebbende heeft moeten maken in verband met de behandeling van bezwaar, nu belanghebbende daar niet om heeft verzocht. Zie artikel 32a, eerste en tweede lid, van de ALL.

Ten aanzien van de proceskosten

5.16.

Het Hof veroordeelt de Inspecteur tot vergoeding van de kosten die belanghebbende redelijkerwijs heeft moeten maken in verband met de behandeling van het beroep bij het Gerecht en het hoger beroep bij het Hof, omdat het door belanghebbende ingestelde hoger beroep gegrond is en het beroep bij het Gerecht gegrond is.

5.17.

Ingevolge artikel 15, eerste lid, van de Landsverordening op het beroep in belastingzaken (LBB) worden de kosten vergoed die de belastingplichtige in verband met de behandeling van het beroep redelijkerwijs heeft moeten maken.

Ingevolge artikel 17g LBB is artikel 15 LBB van overeenkomstige toepassing in het geval van hoger beroep.

5.18.

In artikel 15, tweede lid, van de LBB is bepaald dat de regels over de (hoogte van de) proceskostenvergoeding bij of krachtens landsbesluit worden vastgesteld. Dat is nog niet gebeurd. Het Hof zal daarom aansluiten bij het Besluit proceskosten bestuursrecht, AB13, GT no. 512 (het Besluit), voorheen PB 2001, no. 127 (vgl. GHvJ 21 juni 2017, nr. CUR2016H00008, ECLI:NL:OGHACMB:2017:54).

5.19.

Het Hof vindt aanleiding de Inspecteur te veroordelen in de kosten die belanghebbende in verband met de behandeling van het beroep en het hoger beroep redelijkerwijs heeft moeten maken.

Het Hof stelt de te vergoeden proceskosten op de voet van het Besluit voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op NAf 1.400 voor het beroep (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van NAf 700 en een wegingsfactor 1) en NAf 1.400 voor het hoger beroep (1 punt voor het indienen van het hoger beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van NAf 700 en een wegingsfactor 1), totaal NAf 2.800.

5.20.

Gesteld noch gebleken is dat belanghebbende overige voor vergoeding in aanmerking komende kosten als bedoeld in het Besluit heeft gemaakt.

6 Beslissing

Het Hof:

  • -

    verklaart het hoger beroep gegrond;

  • -

    vernietigt de uitspraak van het Gerecht;

  • -

    verklaart het beroep gegrond voor zover het de belastingaanslagen betreft die zijn opgelegd op 18 juli en 8 augustus 2016;

  • -

    vernietigt de uitspraken op bezwaar voor zover het de belastingaanslagen betreft die zijn opgelegd op 18 juli en 8 augustus 2016;

  • -

    verklaart de bezwaren gericht tegen de belastingaanslagen opgelegd op 18 juli en 8 augustus 2016 ontvankelijk;

  • -

    wijst de zaak terug naar de Inspecteur voor zover het de belastingaanslagen betreft die zijn opgelegd op 18 juli en 8 augustus 2016;

  • -

    draagt de Inspecteur op opnieuw uitspraken op bezwaar te doen voor zover het de belastingaanslagen betreft die zijn opgelegd op 18 juli en 8 augustus 2016;

  • -

    verklaart de overige beroepen ongegrond;

  • -

    bepaalt dat de Inspecteur aan belanghebbende het verschuldigde griffierecht voor de behandeling van het beroep bij het Gerecht en het betaalde griffierecht voor de behandeling van het hoger beroep bij het Hof van, in totaal, NAf 350 vergoedt;

  • -

    gelast de griffie het teveel betaalde griffierecht voor de behandeling van het beroep bij het Gerecht van NAf 100 terug te storten; en

  • -

    veroordeelt de Inspecteur in de kosten van het geding bij het Gerecht en het Hof van NAf 2.800.

Aldus gedaan door mrs. D. Haan, voorzitter, P.A.M. Pijnenburg en M.J. Leijdekker, leden, in tegenwoordigheid van M.M.M. Faro MSc, als griffier. De beslissing is op 15 mei 2020 in het openbaar uitgesproken.

Afschriften zijn per post/e-mail op aan partijen verzonden.

Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl.

Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie stellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag. Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie www.hogeraad.nl).

Bij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:

1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak gevoegd;

2 - ( alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn;

3 - het beroepschrift moet ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. de dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

d. de gronden van het beroep in cassatie.


Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.

Toelichting rechtsmiddelverwijzing

Per 15 april 2020 is digitaal procederen bij de Hoge Raad opengesteld. Niet-natuurlijke personen (daaronder begrepen publiekrechtelijke lichamen) en professionele gemachtigden zijn verplicht digitaal te procederen.
Wie niet verplicht is om digitaal te procederen, kan op vrijwillige basis digitaal procederen. Hieronder leest u hoe een cassatieberoepschrift wordt ingediend.

Digitaal procederen

Het webportaal van de Hoge Raad is toegankelijk via “Login Mijn Zaak Hoge Raad” op www.hogeraad.nl. Informatie over de inlogmiddelen vindt u op www.hogeraad.nl.

Niet in Nederland wonende of gevestigde partijen of professionele gemachtigden hebben in beginsel geen geschikt inlogmiddel en kunnen daarom niet inloggen in het webportaal. Zij kunnen zo lang zij niet over een geschikt inlogmiddel kunnen beschikken, per post procederen.


Per post procederen
Alleen bepaalde personen mogen beroep in cassatie instellen per post in plaats van via het webportaal. Zij mogen dit bovendien alleen als zij zonder een professionele gemachtigde procederen. Het gaat om natuurlijke personen die geen ondernemer zijn en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte.
Een professionele gemachtigde moet altijd digitaal procederen, ongeacht voor wie de gemachtigde optreedt. Degene die op papier mag procederen en dat ook wil, kan het beroepschrift in cassatie sturen aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag.

1 Hoge Raad 15 maart 2000, nr. 34 999, ECLI:NL:HR:2000:AA5141.

2 Hoge Raad 13 juli 2012, nr. 10/5309, ECLI:NL:HR:2012:BV1885.

3 Artikel 2, lid 1, Invorderingsverordening

4 Zie onderdeel 8.1, p. 9, van het definitieve controlerapport.