Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:OGHACMB:2020:123

Instantie
Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba
Datum uitspraak
28-04-2020
Datum publicatie
13-05-2020
Zaaknummer
CUR2018H00033
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

tussenvonnis – grondhuur – gebouwde opstal – natrekking – genoten huurinkomsten

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Burgerlijke zaken over 2020 Vonnis no.:

Registratienummers: AR 81306/2016 – CUR201601640 – CUR2018H00033

Uitspraak: 28 april 2020

GEMEENSCHAPPELIJK HOF VAN JUSTITIE

van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en

van Bonaire, Sint Eustatius en Saba

V O N N I S

in de zaak van:

[APPELLANTE],

wonende in Curaçao,

oorspronkelijk eiseres,

thans appellante,

gemachtigde: mr. C.S.F. Marshall (voorheen mr. J.S. Francisca),

tegen

[GEINTIMEERDE],

wonende in Curaçao,

oorspronkelijk gedaagde,

thans geïntimeerde,

gemachtigden: mrs. S.J.C. Anthonio en S.A. Hortencia.

De partijen worden hierna [Appellante] en [Geïntimeerde] genoemd.

1 Het verdere verloop van de procedure

1.1

Het Hof verwijst naar zijn tussenvonnis van 28 januari 2020. Bij dat vonnis is een comparitie van partijen gelast.

1.2

De comparitie heeft op 3 maart 2020 plaatsgevonden. Daarbij waren partijen en hun gemachtigden aanwezig. [Appellante] werd voorts vergezeld door haar andere dochter en [Geïntimeerde] door haar echtgenoot.

1.3

Vonnis is nader bepaald op vandaag.

2 De nadere beoordeling

2.1

Op de comparitie hebben partijen kunnen reageren op het gewijzigde inzicht zoals weergegeven in rechtsoverweging 2.2 van het laatste tussenvonnis. Verder is met hen besproken dat uit rechtsoverweging 2.11 van het eerste tussenvonnis niet mag worden afgeleid dat de omstandigheid dat [Appellante] jarenlang de huurinkomsten heeft genoten in het geheel geen rol speelt bij het bepalen van de vergoeding op basis van redelijkheid en billijkheid (in zoverre zijn de laatste vijf woorden van die rechtsoverweging - “of om deze te korten” - te beschouwen als een vergissing), alsmede dat in rechtsoverweging 2.9 van het eerste tussenvonnis ten onrechte is overwogen dat niet ter discussie staat dat [Appellante] het huis op eigen kosten heeft gebouwd. Dat laatste heeft [Geïntimeerde] immers reeds bij conclusie van antwoord onder 17 betwist, waarbij zij er op wees dat enig bewijs voor die stelling van [Appellante] ontbreekt. Dat bewijs heeft [Appellante] ook nadien niet bijgebracht.

2.2

Met inachtneming van wat partijen en hun gemachtigden tijdens de comparitie hebben verklaard beslist het Hof thans als volgt.

2.3

Op de comparitie is zijdens [Geïntimeerde] aangevoerd dat het de bedoeling was - van [Appellante] en haar echtgenoot - om alle kinderen een stuk grond met een huis te schenken, maar dat door de echtscheiding het alleen bij de oudste tot volledige uitvoering van dat plan is gekomen. [Appellante] heeft in reactie daarop gezegd dat zij het huis heeft gebouwd voor haar drie kinderen, althans - zo voegde zij later toe - om met de huuropbrengsten de kosten van opvoeding van haar drie kinderen te betalen. Wat daar (gelet ook op de laatste volzin van rechtsoverweging 2.1 van het tweede tussenvonnis) van zij, ook als de door [Geïntimeerde] gestelde bedoeling bij [Appellante] zou hebben ontbroken, geldt dat [Appellante] - zonder dat [Geïntimeerde] daar als minderjarig kind veel tegen in te brengen heeft gehad - heeft gebouwd op grond die niet van haar, maar van haar dochter was. Dat betekent minst genomen dat [Appellante] er niet (zonder meer) van heeft kunnen uitgaan dat zij te allen tijde over de waarde van dat huis zou kunnen beschikken. De stellingen van [Appellante] en de door haar overgelegde verklaringen zijn onvoldoende (sterk en concreet) om te kunnen aannemen dat [Geïntimeerde] zich op enig moment juridisch heeft gebonden om het huis al dan niet met de grond aan haar moeder over te dragen en een voldoende gespecificeerd aanbod tot het leveren van aanvullend bewijs van deze toezegging of overeenkomst ontbreekt.

2.4

Voorts is van belang dat [Appellante] het huis niet - zoals bij echte grondhuur te doen gebruikelijk - zelf heeft bewoond, maar dat zij het heeft verhuurd, waarbij zij de huuropbrengsten tot 2017 heeft gehouden. Daartoe was zij wettelijk alleen gedurende de minderjarigheid van [Geïntimeerde] gerechtigd (art. 1:245 jo 253l BW) en daarna mogelijk nog slechts moreel voor zover [Geïntimeerde] niet bijdroeg aan de kosten van de huishouding. Ook als wordt aangenomen dat [Appellante], zoals zij ter comparitie heeft verklaard, alle voor de bouw van het huis gemaakte kosten “zelf” uit haar salaris heeft betaald - bewijs daarvan ontbreekt en bovendien was [Appellante] ten tijde van de bouw nog in gemeenschap van goederen getrouwd - moet zij worden geacht deze investeringen (en in elk geval haar aandeel daarin: de helft) te hebben “terugverdiend” zoals [Geïntimeerde] heeft aangevoerd. Die stelling heeft [Appellante] niet weersproken; zij heeft ook geen enkel inzicht gegeven in hoe hoog de bouwkosten zijn geweest.

2.5

Onder die omstandigheden kan, anders dan in het eerste tussenvonnis nog werd aangenomen, de redelijkheid en billijkheid (via de verwijzing naar de figuur van grondhuur) geen grondslag bieden voor een verplichting van [Geïntimeerde] om de waarde van de opstal geheel of ten dele te vergoeden omdat [Appellante] thans schulden heeft. Daarbij weegt mee dat [Geïntimeerde] niet mag worden gedwongen het huis en de grond te verkopen, althans een lening met hypotheek te nemen, om te kunnen beschikken over de (waarde van de) grond die haar ouders haar hebben geschonken, terwijl anderzijds [Appellante] niet wordt benadeeld, in die zin dat zij het geld dat zij in het huis heeft gestoken kwijtraakt, wanneer [Geïntimeerde] uit kracht van de natrekkingsregel rechthebbende is en blijft ten aanzien van zowel de grond als (de waarde van) het daarop gebouwde huis.

2.6

De redelijkheid en billijkheid zou wel nog in het geding kunnen zijn wanneer [Appellante] gebonden zou zijn aan leningen voor de bouw en/of het onderhoud van het huis dat [Geïntimeerde] heeft gekregen zonder dat [Geïntimeerde] daar zelf iets voor heeft hoeven te betalen. In dat geval is denkbaar dat [Geïntimeerde] die lening dient af te lossen of over te nemen, nu niet is gebleken dat [Appellante] moet worden verweten de huurinkomsten op excessieve wijze te hebben uitgegeven in plaats van daarmee het onderhoud te bekostigen en af te lossen op de leningen en [Appellante] thans, naar niet is weersproken, op haar leeftijd na haar pensionering een laag inkomen heeft.

2.7

Het Hof ziet aanleiding om [Appellante] met het oog op die beoordeling nog een kans te geven om stukken (bankstukken, facturen, betalingsbewijzen, schriftelijke verklaringen) te overleggen waaruit blijkt dat de situatie zich voordoet dat nog leningen openstaan voor de bouw en/of het onderhoud van het huis, waarna [Geïntimeerde] bij akte mag reageren. Indien - zoals ter comparitie werd gesuggereerd - er geen ander stukken zijn dan die reeds in het geding zijn gebracht zal de vordering in beginsel ook voor dit deel worden afgewezen en volgt bevestiging van het bestreden vonnis met compensatie van de kosten.

2.8

Verder zal iedere beslissing worden aangehouden.

B E S L I S S I N G

Het Hof:

verwijst de zaak naar de rol van 26 mei 2020 voor een akte zijdens [Appellante];

houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit vonnis is gewezen door mrs. F.W.J. Meijer, M.W. Scholte en J. de Boer, leden van het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba en ter openbare terechtzitting van het Hof in Curaçao uitgesproken op 28 april 2020 in tegenwoordigheid van de griffier.