Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:OGHACMB:2020:115

Instantie
Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba
Datum uitspraak
07-04-2020
Datum publicatie
11-05-2020
Zaaknummer
AUA2019H00050
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Internationale betekening – Haags Betekeningsverdrag – doorhaling op rol ontvankelijkheid

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Burgerlijke zaken over 2020 Vonnis no.:

Registratienummers: AUA201800816AR - AUA2019H00050

Uitspraak: 7 april 2020

GEMEENSCHAPPELIJK HOF VAN JUSTITIE

van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en

van Bonaire, Sint Eustatius en Saba

V O N N I S

in de zaak van:

de coöperatieve vereniging

CARIBBEAN PALM VILLAGE RESORTS,

gevestigd in Aruba,

oorspronkelijk eiseres,

thans appellante,

gemachtigde: mr. R.A. Wix,

tegen

de vennootschappen naar vreemd recht

PROTRADE INTERNATIONAL INC.,

MITSUBISHI HEAVY INDUSTRIES AMERICA INC.,

beide gevestigd in de Verenigde Staten van Amerika, en

AIR GREEN CORPORATION,

gevestigd in Puerto Rico,

alle oorspronkelijk gedaagden,

alle thans geïntimeerden,

niet verschenen in hoger beroep.

De partijen worden hierna Palm Village en Protrade, Mitsubishi en Air Green dan wel (gezamenlijk) geïntimeerden genoemd.

1 Het verloop van de procedure

1.1

Bij akte van appel van 13 maart 2019 is Palm Village in hoger beroep gekomen van het tussen partijen gewezen en op 30 januari 2019 uitgesproken vonnis van het Gerecht in eerste aanleg van Aruba (verder: het Gerecht).

1.2

Bij op 18 april 2019 ingekomen memorie van grieven heeft Palm Village een grief tegen het vonnis aangevoerd en toegelicht. Haar conclusie strekt ertoe dat het Hof, bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad, het vonnis waarvan beroep zal vernietigen en de zaak zal verwijzen naar de rechter in eerste aanleg met veroordeling van gedaagden in de kosten van het hoger beroep.

1.3

Vonnis is gevraagd en nader bepaald op heden.

2 Ontvankelijkheid

Bij het bestreden vonnis heeft het Gerecht de zaak ambtshalve doorgehaald. Doorhaling op de rol heeft geen rechtsgevolg - partijen kunnen (gezamenlijk of afzonderlijk) de zaak op ieder gewenst moment weer opbrengen - en als zodanig is het vonnis dan ook niet appellabel. De reden voor de doorhaling was echter een (impliciete) weigering van het Gerecht om alsnog overeenkomstig het bepaalde in de artikelen 5 tot en met 8 van het Haags Betekeningsverdrag 1965 (Trb. 1966, 91 en 1969, 55 en 210; hierna: het Verdrag) tot betekening over te gaan. Die beslissing - waartegen de grief is gericht - raakt aan de rechten en belangen van partijen - in dit geval Palm Village - en is daarom vatbaar voor hoger beroep. Palm Village kan daarom in haar beroep worden ontvangen.

3 Beoordeling

3.1

In de onderhavige zaak is aan de orde de betekening van het exploot van oproeping en het inleidend verzoekschrift ten aanzien van rechtspersonen die geen bekend woon- of verblijfplaats hebben te Aruba, maar van wie een adres in de Verenigde Staten en Puerto Rico bekend is.

3.2

Ingevolge artikel 1 van het Verdrag, is dit Verdrag van toepassing in alle gevallen waarin in burgerlijke zaken of in handelszaken een gerechtelijk of buitengerechtelijk stuk ter betekening of kennisgeving naar het buitenland moet worden gezonden. De Verenigde Staten, Puerto Rico en Aruba (zie Trb. 1986,100) zijn alle partij bij dit verdrag. Het Verdrag is niet van toepassing indien het adres van degene voor wie het stuk is bestemd, onbekend is.

3.3

Ingevolge artikel 2 van het Verdrag wijst iedere Verdragsluitende Staat een centrale autoriteit aan die tot taak heeft de uit een andere Verdragsluitende Staat afkomstige aanvragen om betekening of kennisgeving overeenkomstig de artikelen 3 tot en met 6 in ontvangst te nemen of af te doen.

3.4

Ingevolge artikel 3 van het Verdrag richt de daartoe volgens wet van de Staat van herkomst van het stuk bevoegde autoriteit of deurwaarder tot de centrale autoriteit van de aangezochte Staat een aanvraag, die moet overeenstemmen met het als bijlage aan dit Verdrag toegevoegde modelformulier. (..) De aanvraag moet vergezeld gaan van twee exemplaren van het gerechtelijk stuk of van twee afschriften daarvan.

3.5

Ingevolge artikel 5 van het Verdrag belast de centrale autoriteit van de aangezochte Staat zich met de betekening of kennisgeving van het stuk of het doen betekenen of kennisgeven daarvan,

a. a) hetzij met inachtneming van de vormen, in de wetgeving van de aangezochte Staat voorgeschreven voor de betekening of kennisgeving van stukken die in dat land zijn opgemaakt en bestemd zijn voor zich aldaar bevindende personen,

b) hetzij met inachtneming van een bijzondere, door de aanvrager, verzochte vorm, mits deze niet in strijd is met de wet van de aangezochte Staat.

Behoudens in het geval bedoeld in het eerste lid onder b, kan het stuk altijd worden afgegeven aan degene voor wie het bestemd is, zo deze het vrijwillig aanneemt.

3.6

Ingevolge artikel 6 van het Verdrag maakt de centrale autoriteit van de aangezochte Staat, of de daarvoor door die Staat aangewezen autoriteit, een verklaring op die moet overeenstemmen met het modelformulier voor zodanige verklaring, dat als bijlage aan dit Verdrag is toegevoegd. De verklaring behelst dat aan de aanvraag uitvoering is gegeven en vermeldt tevens de vorm waarin, de plaats waar en het tijdstip waarop dit is geschied, alsmede de persoon aan wie het stuk is afgegeven. In voorkomend geval worden in de verklaring de omstandigheden vermeld die de uitvoering van de aanvraag hebben belet.

3.7

Ingevolge artikel 7 van het Verdrag moet het te drukken gedeelte van het modelformulier, dat als bijlage aan het verdrag is toegevoegd, steeds in de Franse of in de Engelse taal zijn gesteld, doch kan het daarenboven worden gesteld in de officiële taal of in een van de officiële talen van de Staat van herkomst van de stukken. Hetgeen in de aansluitende witte vakken moet worden ingevuld, dient hetzij in de taal van de aangezochte Staat, hetzij in de Franse taal, hetzij in de Engelse taal worden gesteld.

3.8

Ingevolge artikel 15 van het Verdrag houdt de rechter, wanneer een stuk dat het geding inleidt of een daarmede gelijk te stellen stuk ter betekening of kennisgeving overeenkomstig de bepalingen van het Verdrag, naar het buitenland moest worden gezonden en de verweerder niet is verschenen, de beslissing aan totdat is gebleken dat:

a. a) hetzij van het stuk betekening of kennisgeving is gedaan met inachtneming van de vormen in de wetgeving van de aangezochte Staat voorgeschreven voor de betekening of kennisgeving van stukken die in dat land zijn opgemaakt en bestemd zijn voor zich op het grondgebied van dat land bevindende personen,

b) hetzij het stuk aan de verweerder in persoon of aan zijn woonplaats is afgegeven op een andere in dit verdrag geregelde wijze, en dat de betekening of de kennisgeving, onderscheidenlijk de afgifte zo tijdig is geschied dat de verweerder gelegenheid heeft gehad verweer te voeren.

Voorts bepaalt artikel 15 van het Verdrag:

Iedere Verdragsluitende Staat is bevoegd te verklaren dat zijn rechters in afwijking van het bepaalde in het eerste lid een beslissing kunnen geven, ook als geen bewijs, hetzij van betekening of kennisgeving, hetzij van afgifte is ontvangen, indien aan elk van de volgende voorwaarden is voldaan:

a. a) het stuk is toegezonden op een van de in dit verdrag geregelde wijzen,

b) sedert het tijdstip van toezending van het stuk een termijn is verlopen die door de rechter voor elk afzonderlijk geval zal worden vastgesteld, doch die ten minste zes maanden zal bedragen,

c) in weerwil van alle daartoe bij de bevoegde autoriteiten aangewende pogingen geen bewijs kon worden verkregen.

(..)

3.9

Het Gerecht heeft in het bestreden vonnis overwogen dat in de onderhavige zaak wat betreft de oproeping niet is gebleken dat aan sub a) of sub b) van het eerste lid van artikel 15 van het Verdrag is voldaan en dat het in de rede had gelegen om vervolgens overeenkomstig het bepaalde in de artikelen 5 tot en met 8 van het Verdrag tot betekening over te gaan. Nu niet gebleken is van een betekening of kennisgeving in de zin van het Verdrag, kan geen verstek worden verleend. Verder aanhouden van de zaak dient geen doel, omdat niet aannemelijk is dat (binnen afzienbare) tijd zal blijken dat de betekeningsexploten gedaagden wel tijdig hebben bereikt, aldus het Gerecht. Het Gerecht heeft daarom besloten om de zaak ambtshalve door te halen, althans de zaak ambtshalve van de rol te halen.

3.10

Het Hof constateert met het Gerecht dat niet is gebleken van betekening of kennisgeving op de in het Verdrag voorgeschreven wijze. Aan het voorgaande doet niet af dat de betekeningsexploten door DJWZ aan de door eiser opgegeven adressen zijn gezonden. In Aruba is niet aan de rechter de bevoegdheid verleend een beslissing te geven zonder dat bewijs is ontvangen van betekening, kennisgeving of afgifte als bedoeld in voormeld artikel 15 van het Verdrag. Mede gelet op artikel 115 Rv en de daaruit voortvloeiende verplichting van het Gerecht kan het bestreden vonnis niet in stand blijven. De omstandigheid dat de in hoger beroep per DHL - aan de door appellante in hoger beroep opgegeven adressen - verstuurde akte van appel en memorie van grieven zonder reactie zijn gebleven, maakt het vorenstaand oordeel niet anders.

3.11

Nu het Gerecht alsnog dient zorg te dragen voor oproeping overeenkomstig het Verdrag en het nog niet is toegekomen aan een beslissing van het bodemgeschil, en zodanige beslissing alsnog moet worden genomen, zal de zaak, conform het verzoek van Palm Village, worden teruggewezen naar het Gerecht. De deurwaarder kan alsdan opdracht worden gegeven om het inleidend verzoekschrift, het vonnis van 30 januari 2019 van het Gerecht en het onderhavige vonnis te betekenen op de in het Verdrag voorgeschreven wijze met gebruikmaking van de in hoger beroep verstrekte adressen van geïntimeerden. Teneinde te bevorderen dat de stukken degenen waarvoor zij zijn bestemd (tijdig) bereiken, verdient het de voorkeur dat de betekeningsstukken en het inleidend verzoekschrift eveneens per e-mail worden toegezonden door de deurwaarder aan Protrade, Air Green en Mitsubishi. De gemachtigde van Palm Village heeft de griffier van het Hof telefonisch hun e-mailadressen doorgegeven. Ter voorkoming van fouten in de weergave van deze mondelinge informatie, wordt van Palm Village verwacht dat de e-mailadressen binnen twee weken na dit vonnis schriftelijk worden doorgegeven aan de griffie van het Gerecht.

3.12

Wellicht ten overvloede wordt nog overwogen dat volgens artikel 3 van het Verdrag de aanvraag tot betekening dient te geschieden door de volgens de Arubaanse wetgeving aangewezen bevoegde autoriteit of deurwaarder. Gelet op artikel 5 sub 8 Rv dienen exploten van betekening ten aanzien van degenen die niet hier te lande wonen en daarin evenmin een bekend verblijf hebben, te geschieden aan de Directeur van de DWJZ die er zoveel mogelijk voor zorg draagt dat het stuk de belanghebbenden ten spoedigste bereikt. Dit betekent de Directeur van de DWJZ als de bevoegde autoriteit in de zin van artikel 3 van het Verdrag dient te worden aangemerkt.

3.13

Nu geïntimeerden de bestreden beslissing niet hebben verdedigd of uitgelokt zal de beslissing over de kosten van dit hoger beroep (te begroten op Afl. 1.852,- aan verschotten en Afl 1.000,= aan salaris gemachtigde) worden gereserveerd tot het eindvonnis in eerste aanleg.

B E S L I S S I N G

Het Hof:

- vernietigt het bestreden vonnis;

- verwijst de zaak naar het Gerecht te Aruba ter verdere behandeling en beslissing;

- reserveert de beslissing over de proceskosten tot het eindvonnis in eerste aanleg.

Dit vonnis is gewezen door mrs. M.W. Scholte, D. Radder en F.W.J. Meijer, leden van het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao,

Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba en ter openbare terechtzitting van het Hof in Aruba uitgesproken op 7 april 2020 in tegenwoordigheid van de griffier.