Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:OGHACMB:2020:113

Instantie
Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba
Datum uitspraak
28-04-2020
Datum publicatie
11-05-2020
Zaaknummer
CUR2017H00073
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

geschil over ligging grenslijn van perceel huurgrond belang bij verklaring voor recht.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Burgerlijke zaken over 2020 Vonnis no.:

Registratienummers: CUR201501000 (voorheen: AR 73934/2015) – CUR2017H00073

Uitspraak: 28 april 2020

GEMEENSCHAPPELIJK HOF VAN JUSTITIE

van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en

van Bonaire, Sint Eustatius en Saba

V O N N I S

in de zaak van:

de gezamenlijke erfgenamen van wijlen [erflater],

bij leven wonende in Curaçao,

hierna: [erfgenamen] en [erflater],

in eerste aanleg was [erflater] eiseres, thans zijn de [erfgenamen] appellanten,

gemachtigde: mr. M.J. Eisden,

tegen

de openbare rechtspersoon

HET LAND CURACAO,

met zetel in Curaçao,

hierna: het Land,

in eerste aanleg gedaagde, thans geïntimeerde,

gemachtigden: mrs. P.Ch.M. Tweeboom en M.F. Bonapart.

1 Het verloop van de procedure

1.1

Bij akte van appel van 22 december 2016 zijn de [erfgenamen] tijdig in hoger beroep gekomen van het tussen [erflater] en het Land gewezen en op [datum] 2016 uitgesproken vonnis van het Gerecht in eerste aanleg van Curaçao (verder: het Gerecht).

1.2

Bij op 31 januari 2017 ingekomen memorie van grieven, met producties, hebben de [erfgenamen] grieven tegen het vonnis aangevoerd en verzocht dat het Hof het bestreden vonnis zal vernietigen en, opnieuw recht doende, voor recht zal verklaren dat het bestreden gedeelte van de aan [erflater] in huur verstrekte gronden ook daarvan deel uitmaakt en/of dat er sprake is van verjaring van eventuele rechten om eenzijdig veranderingen aan te brengen in de bestaande situatie, met veroordeling van het Land in de kosten van het geding in beide instanties.

1.3

Van het Land is geen memorie van antwoord ingekomen.

1.4

Op 26 september 2017 heeft een mondeling pleidooi plaatsgevonden waarbij namens de [erfgenamen] is verschenen [EMB] (hierna: E.M.B), dochter van wijlen [erflater], met mr. Eisden en namens het Land, mr. Bonapart en mr. Tweeboom. Na bespreking van de zaak met de aanwezigen, is de zaak verwezen naar de rol van 5 december 2017 voor akte uitlating zijdens de [erfgenamen].

1.5

Op 20 maart 2018 hebben de [erfgenamen] een akte uitlating genomen waarop het Land bij op 3 juli 2018 genomen akte heeft gereageerd.

1.6

De behandeling is voortgezet ter zitting van 23 oktober 2018, waarbij namens het Land zijn verschenen mr. Tweeboom met mr. R. Alberto, juriste bij Domeinbeheer en mr. H. van Rossum, juriste bij het Ministerie van VVRP. [E.M.B.] was vergezeld door mr. Eisden. De zaak is toen verwezen naar de rol van 4 december 2018 voor overlegging procesvolmacht zijdens de (overige) [erfgenamen], waarna een datum voor een comparitie ter plaatse/bezichtiging zou worden bepaald.

1.7

De erven hebben een procesvolmacht overgelegd en op 7 juni 2019 heeft een comparitie ter plaatse/bezichtiging plaatsgevonden, waarbij namens de [erfgenamen] aanwezig waren: [M.B], haar gemachtigde en een niet in de procedure betrokken familielid van [E.M.B]. Namens het Land zijn verschenen mevrouw mr. R. Alberto, bedrijfsjurist, de heer R. Martis, afdelingshoofd, bijgestaan door de gemachtigde mr. Tweeboom. Ook aanwezig waren de heer G. Principaal van DOW en de heer G. Hermsen van Domeinbeheer, tezamen met twee landmeters. Van de comparitie is een proces-verbaal opgemaakt, dat zich in afschrift bij de stukken bevindt. Na afloop van de comparitie is de zaak verwezen naar de rol voor akte uitlating regeling.

1.8

Op de rol van 3 november 2019 hebben de [erfgenamen] een akte uitlating royement genomen. Het Land heeft daarop bij antwoordakte gereageerd, waarna vonnis nader is bepaald op vandaag.

2 De beoordeling

2.1 [

erflater[ is op 6 januari 2016 (nadat zij haar conclusie van repliek had genomen en daarmee kennelijk buiten medeweten van het Gerecht) overleden. Blijkens de overgelegde verklaring van erfrecht en schriftelijke machtigingen wensen alle drie haar erfgenamen - naast [E.M.B.] zijn dat [G.A.B.] en [H.B.B.] - dat de zaak wordt voortgezet.

2.2

Die zaak betreft een geschil over de omvang van een perceel huurgrond, meer in het bijzonder een pad dat volgens de [erfgenamen] wel en volgens het Land, de eigenaar en verhuurder, niet tot het gehuurde behoort. Op dat pad heeft [erflater] een hek geplaatst.

2.3

De laatste huurovereenkomst aangaande het perceel is door wijlen [erflater] op [datum] 2014 ondertekend en had een looptijd van vijf jaar, ingaande op de datum van ondertekening, derhalve tot [datum] 2019. In deze overeenkomst is de mogelijkheid van verlenging als volgt geregeld:

“Indien de huurder het wenselijk acht een nieuwe huurovereenkomst aan te gaan, dient de huurder binnen zes maanden voor het einde van de huurperiode van vijf jaar het Land Curaçao te benaderen met een schriftelijk verzoek om een nieuwe huurovereenkomst aan te gaan.

[…]

Indien het Land Curaçao niet bereid is een nieuwe huurovereenkomst aan te gaan of partijen geen overeenstemming kunnen bereiken over de voorwaarden waarop de nieuwe overeenkomst zal worden aangegaan eindigt de huurovereenkomst aan het eind van de in artikel […]a genoemde periode.

Bij wederuitgifte dan wel overdracht van de grond […] zullen voor de rechtsopvolgers de op dat moment vigerende voorwaarden en bepalingen gelden.”

2.4

Ingevolge deze bepalingen is de looptijd van de huurovereenkomst inmiddels verstreken en dienen partijen het in onderling overleg eens te worden over de voorwaarden van een nieuwe huurovereenkomst. Zoals met partijen op de beide zittingen en ter comparitie is besproken, roept dat de vraag op of er nog belang is bij de gevorderde vaststelling van de omvang van het gehuurde.

2.5

Het Land is mede gelet op de lange aanwezigheid van de familie [erflater] op en nabij het perceel bereid een nieuwe huurovereenkomst aan te gaan. Het Land is daarbij echter geenszins verplicht om - zoals de [erfgenamen] lijken te menen - exact dezelfde perceelgrenzen te hanteren, ook niet als deze grenzen al vele decennia zouden worden aangehouden bij eerdere huurovereenkomsten. Dat de huur (en niet alleen het gebruik) van de omstreden strook voor de [erfgenamen] enig praktisch nut of ander rechtens relevant belang vertegenwoordigt is gesteld noch gebleken: het gaat hen uitsluitend om het gevoel van rechtvaardigheid dat de grond altijd al “van” hen was, mogelijk in combinatie met overwegingen van prestige in de relatie tot hun buren en een residu van ressentiment en wantrouwen vanwege de fouten die het Land eerder, bij het afsplitsen van een deel van het terrein, heeft gemaakt.

2.6

Van de zijde van het Land is, naast de stelling dat de strook nooit tot het gehuurde heeft behoord, aangevoerd dat het de strook wenst vrij te houden opdat de achterliggende gronden bereikbaar blijven. Dit niet alleen ten behoeve van het huidige gebruik door het Land en derden maar ook met het oog op toekomstige ontwikkelingen. Voorts wijst het Land op de onrust die het gebruik van het pad door [erflater] en de [erfgenamen] in de buurt teweegbrengt. Dit zijn valide verhuurdersbelangen en ook zonder dat het gewicht van deze belangen exact kan worden vastgesteld (omstreden is in welke mate Aqualectra en landbouwers de achterliggende gronden moeten kunnen bereiken), is in de gegeven omstandigheden duidelijk dat niet kan worden gesproken van willekeur, schending van het vertrouwensbeginsel of enige andere grond die het Land zou beperken in zijn (contracts)vrijheid om het pad van een nieuwe huurovereenkomst uit te zonderen.

2.7

Tot slot moet worden geconstateerd dat [erflater] en de [erfgenamen] gedurende de gehele looptijd van de huurovereenkomst het genot van de strook hebben gehad - het hek is nooit verwijderd - en dat er geen aanwijzingen zijn dat het Land voornemens is om nog enig gevolg te verbinden aan haar standpunt dat [erflater] en haar erven zonder recht of titel gebruik hebben gemaakt van overheidsgrond.

2.8

Gelet op dit alles dienen de gevraagde verklaringen voor recht bij gebrek aan belang te worden afgewezen.

2.9

Daaraan kan nog worden toegevoegd dat op de comparitie ter plaatse door DOW metingen zijn verricht op basis van oude luchtfoto’s waarmee de ligging van het geiten- of patrouillepad zoals dat van oudsher aanwezig was is gereconstrueerd. Die reconstructie heeft uitgewezen dat het door [erflater] geplaatste hekwerk zich “op” het oude pad bevindt. Dit oude pad, daar zijn partijen het over eens (ook de [erfgenamen]: zie bijv. uitdrukkelijk blz. 5 en 6 van de memorie van grieven), maakte nooit deel uit van het gehuurde. Volgens de [erfgenamen] hebben de buren de grenzen van hun perceel opgeschoven tot ver over het pad en daarmee dit pad aan hun terrein toegevoegd en staat het hekwerk op grond die altijd al tot het gehuurde heeft behoord. Die stellingen zijn, getuige de metingen, onjuist, met dien verstande dat achter het hek het oude patrouillepad voor een deel (virtueel) over de grond van de buren loopt. Het ontbreekt daarmee aan ieder bewijs dat, zoals de [erfgenamen] stellen, het Land bij de vernieuwing van de huurovereenkomst in 2014 grond aan de overeenkomst heeft onttrokken en een voldoende specifiek bewijsaanbod ontbreekt. Ook daarom kan van toewijzing van de gevraagde verklaringen voor recht en/of een kostenveroordeling ten laste van het Land geen sprake zijn.

2.10

Voor een nader debat over deze metingen is in deze procedure geen plaats - ook niet met het oog op de kosten (artikel 281b Rv) - en het Hof heeft bij de onderhandelingen van partijen over een nieuwe overeenkomst geen taak. Het Hof heeft, hoewel het einde van de overeenkomst aanstaande was, in de hoop op een oplossing van het onderliggende geschil van partijen en rust in de verhoudingen, bewilligd in het klemmende verzoek van de [erfgenamen] om toch ter plekke te gaan kijken en meten en het Land heeft dit gefaciliteerd door de aanwezigheid van deskundige landmeters. Dat de [erfgenamen] zich bij de uitkomst niet kunnen neerleggen is te betreuren, maar het houdt een keer op met het beslag dat de [erfgenamen] met hun vermeende gelijk op het rechterlijk apparaat kunnen leggen. Het is verder aan partijen welke rol zij de metingen bij hun onderhandelingen willen laten spelen en of opheldering of nieuwe metingen noodzakelijk zijn. Daarbij zij echter nogmaals met klem benadrukt dat het gegeven dat de familie [erflater] de grond al lang in gebruik heeft onverlet laat dat onverminderd sprake is van huur en niet van eigendom, dat de [erfgenamen] geen recht hebben op huur van een geheel identieke kavel en dat het de eigenaar van de grond - het Land - vrijstaat om vast te leggen dat de omstreden strook geen deel uitmaakt van de nieuw te sluiten overeenkomst. Van enige onrechtvaardigheid of machtsmisbruik is daarbij geen sprake.

2.11

Aan partijen is een proces-verbaal van de comparitie verstrekt. Gelet op het bovenstaande is er geen reden om nog een akte toe te staan. Het Hof heeft op verzoek van partijen bij herhaling aan (onder anderen) Principaal en Hermsen gevraagd of er een meetverslag beschikbaar is, maar heeft daarop geen reactie ontvangen. Tot (nog) meer is het Hof niet gehouden.

2.12

De slotsom is dat het hoger beroep faalt en dat het besteden vonnis moet worden bevestigd. De [erfgenamen] zullen veroordeeld worden in de kosten van het hoger beroep, vastgesteld op NAf 6.000,- (3 punten x tarief 5).

B E S L I S S I N G

Het Hof:

bevestigt het vonnis waarvan beroep;

veroordeelt de [erfgenamen] in de kosten van het hoger beroep, aan de zijde van het Land gevallen en tot aan deze uitspraak begroot op NAf 6.000,- voor salaris van de gemachtigde.

Dit vonnis is gewezen door mrs. F.W.J. Meijer, M.B. van den Enden en J. de Boer leden van het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba en ter openbare terechtzitting van het Hof in Curaçao uitgesproken op 28 april 2020 in tegenwoordigheid van de griffier.