Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:OGHACMB:2020:111

Instantie
Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba
Datum uitspraak
14-04-2020
Datum publicatie
11-05-2020
Zaaknummer
CUR2018H00175
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

koude uitsluiting vergoedingsplicht

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Burgerlijke zaken over 2020 Vonnis no.:

Registratienummers: CUR201701763 - CUR2018H00175

Uitspraak: 14 april 2020

GEMEENSCHAPPELIJK HOF VAN JUSTITIE

van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en

van Bonaire, Sint Eustatius en Saba

V O N N I S

in de zaak van:

[Appellante],

wonende in Curaçao,

oorspronkelijk gedaagde,

thans appellante in het principaal appel,

geïntimeerde in het (voorwaardelijk) incidenteel appel,

gemachtigden: mrs. E.R. de Vries en H.M. Weijand,

tegen

[Geïntimeerde],

wonende in Curaçao,

oorspronkelijk eiser,

thans geïntimeerde in het principaal appel,

appellant in het (voorwaardelijk) incidenteel appel,

gemachtigde: mr. S.E. Thomson.

De partijen worden hierna de vrouw en de man genoemd.

1 Het verloop van de procedure

1.1

Bij akte van appel van 18 juni 2018 is de vrouw in hoger beroep gekomen van het tussen partijen gewezen en op 21 mei 2018 uitgesproken vonnis van het Gerecht in eerste aanleg van Curaçao (verder: het Gerecht).

1.2

Bij op 30 juli 2018 ingekomen memorie van grieven, met producties, heeft de vrouw grieven tegen het vonnis aangevoerd en toegelicht. Haar conclusie strekt ertoe dat het Hof het vonnis zal vernietigen en de vorderingen van de man alsnog volledig zal afwijzen, met veroordeling van de man tot restitutie van al het door de vrouw uit hoofde van het bestreden vonnis betaalde en met veroordeling, voorts, van de man in de proceskosten in beide instanties, te vermeerderen met de wettelijke rente bij niet tijdige betaling.

1.3

Bij memorie van antwoord, met producties, heeft de man de grieven bestreden. Zijn conclusie strekt ertoe dat het Hof het bestreden vonnis zal bevestigen, met veroordeling van de vrouw in de proceskosten in hoger beroep.

1.4

Bij diezelfde memorie heeft de man voorwaardelijk incidenteel appel ingesteld met een grief die er toe strekt te voorkomen dat de man stellingen en weren prijsgeeft en dat hij minder wordt van het hoger beroep van de vrouw.

1.5

Bij memorie van antwoord in het incidenteel appel heeft de vrouw geconcludeerd dat het Hof de vordering van de man in het incidenteel appel zal afwijzen en hem zal veroordelen in de kosten van dat appel.

1.6

Op de daarvoor nader bepaalde dag hebben partijen pleitnotities overgelegd.

1.7

Vonnis is gevraagd en nader bepaald op heden.

2 De beoordeling

2.1

In hoger beroep kan worden uitgegaan van de volgende feiten (zie ook onder 2.1 tot en met 2.9 van het besteden vonnis).

2.1.1

In het jaar 2006 hebben partijen een affectieve relatie gekregen en zijn zij, met het kind van de vrouw uit een eerder huwelijk, gaan samenwonen in het huis aan de [adres] te Curaçao dat eigendom is van de vrouw (hierna ook: het huis). De man had op dat moment een eigen (koop)huis aan de [adres 2] te Curaçao.

2.1.2

Op [datum] 2007 zijn partijen te Curaçao gehuwd onder huwelijkse voorwaarden, die onder meer inhielden dat tussen hen geen enkele vorm van huwelijksgoederengemeenschap zou bestaan (artikel 1) en dat de - in ruime zin op te vatten - kosten van de huishouding voor rekening van beide echtgenoten komen, naar evenredigheid van ieders netto-inkomen, met uitsluiting van de mogelijkheid om een bijdrage die uitgaat boven deze verplichting terug te vorderen (artikel 7 en 8).

2.1.3

Na hun huwelijk zijn partijen in het huis blijven wonen. Op [datum] 2008 hebben zij een zoon gekregen.

2.1.4

In augustus 2008 heeft de man zijn eigen huis dat verhuurd was verkocht voor een bedrag van NAf 440.000,- . De netto verkoopopbrengst bedroeg NAf 180.890,20.

2.1.5

Eind 2008 is de met een hypotheek op het huis bezwaarde geldlening in euro’s, die nog op naam van de vrouw en haar ex-man stond, overgesloten naar een geldlening in Nederlands-Antilliaanse guldens op naam van partijen, wederom met het huis als hypothecaire zekerheid.

2.1.6

In de periode 2009-2010 is het huis grondig gerenoveerd en verbouwd.

2.1.7

Het huwelijk van partijen is op [datum] 2016 ontbonden door inschrijving van de echtscheidingsbeschikking van [datum] 2016 in de registers van de burgerlijke stand. Partijen hebben het gezamenlijk gezag over hun zoon; diens hoofdverblijfplaats is bij de vrouw.

2.1.8

Onderdeel van de echtscheidingsbeschikking is een echtscheidingsconvenant van 28 mei 2016 (hierna: het convenant) waarin, voor zover hier van belang is opgenomen:

“ Artikel 1: ten aanzien van de verplichting tot partneralimentatie

Met ingang van de datum van de echtscheidingsbeschikking, zal [de man] aan [de vrouw] voldoen, zulks gedurende een periode van 2 jaar een partneralimentatie ten bedrage van Naf. 1000,00 per maand ten behoeve van het levensonderhoud van [de vrouw], dit ongeacht de omstandigheid dat partij [appelante] inkomsten mocht verwerven uit hoofde van inkomsten uit arbeid in meergemelde periode. Partijen komen overeen dat dit beding niet zal kunnen worden gewijzigd op grond van een wijziging van omstandigheden, met dien verstande dat de partneralimentatie wel vervalt als [de vrouw] haar woning [adres] verkoopt of verhuurt dan wel als [de vrouw] in het huwelijk treedt, of duurzaam gaat samenwonen vergelijkbaar met een huwelijk. […].”

Voorts bepaalt artikel 5 dat de vrouw per [datum] 2016 de hypothecaire aflossingen voor haar rekening zal nemen en zich zal inspannen om de lening op haar naam te krijgen en is in artikel 6 opgenomen dat de man verklaart een vordering van NAf 250.000 – 325.000 te hebben op de vrouw ter zake van door hem betaalde verbeteringen aan het huis en dat de man die door de vrouw weersproken vordering in rechte geldend zal maken.

2.1.9

Na het beëindigen van de relatie tussen partijen heeft de man het huis verlaten, de vrouw woont er nog steeds, met haar twee kinderen.

2.1.10

Per [datum] 2017 heeft de man de maandelijkse betaling van de partneralimentatie stopgezet. De vrouw is vervolgens overgegaan tot het treffen van executiemaatregelen, waarna de man deze procedure is begonnen.

2.2

De man vorderde in eerste aanleg, na vermindering van eis, dat het Gerecht bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad:

  1. de vrouw zal veroordelen om aan de man te betalen een bedrag van NAf 253.973,50 (verbouwingsuitgaven), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 17 juni 2016;

  2. de vrouw zal veroordelen om aan de man te betalen een bedrag van NAf 33.057,83 (omzetting Euro-lening), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 17 juni 2016;

  3. de vrouw zal veroordelen om aan de man te betalen een bedrag van NAf 1.143,- (deurwaarderskosten) en alle door de man aan de vrouw betaalde partneralimentatie van NAf 1.000,- per maand vanaf de maand januari 2017;

  4. e vrouw zal verbieden om nieuwe executiemaatregelen te nemen ter zake van de partneralimentatie, dit op straffe van verbeurte van een dwangsom van NAf 5.000,- per dag of dagdeel dat de vrouw dit verbod overtreedt.

2.3

Bij het bestreden vonnis heeft het Gerecht de vorderingen onder a en b toegewezen tot een bedrag van NAf 141.500,55, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf 7 april 2017. Daartoe oordeelde het Gerecht, kort samengevat, dat als niet of onvoldoende weersproken is komen vast te staan dat de man de onder a en b genoemde betalingen heeft gedaan en dat deze ten gunste zijn gekomen van het vermogen van de vrouw. Omdat in de gegeven omstandigheden de betalingen voor de helft moeten worden beschouwd als voldoening aan een natuurlijke verbintenis, heeft de man slechts voor de andere helft het in de rechtspraak van de Hoge Raad neergelegde nominale vergoedingsrecht, aldus het Gerecht. Voor het overige werden de vorderingen afgewezen. De proceskosten heeft het Gerecht tussen partijen als gewezen echtelieden gecompenseerd.

2.4

In de gedeeltelijke afwijzing van zijn vorderingen heeft de man berust, met dien verstande dat hij voor het geval dat het principaal appel slaagt een beroep doet op zijn stelling dat er in het geheel geen sprake is geweest van voldoening aan een natuurlijke verbintenis.

2.5

Het principaal appel van de vrouw strekt ten betoge dat de man met de betalingen - voor zover deze al zijn gedaan en niet als kosten van de huishouding moeten worden beschouwd - niet slechts voor de helft, maar volledig heeft voldaan aan een op hem rustende natuurlijke verbintenis en dat, meer dan de eerste rechter heeft gedaan, rekening dient te worden gehouden met de voordelen die de man van de betalingen heeft gehad.

2.6

Ook in hoger beroep kan worden uitgegaan van de door het Gerecht gehanteerde bedragen. De verbouwingskosten ad NAf 294.616,11 - en daarmee het daarvan (na aftrek van het bedrag van NAf 40.642,61 dat de vrouw voor haar rekening heeft genomen) in rechte gevorderde bedrag van NAf 253.973,50 - heeft de man uitvoerig en sluitend verantwoord met bonnen en deels ook met betalingsbewijzen onderbouwd. Het verweer van de vrouw op dit punt is gratuit nu zij niet duidelijk maakt wie de bonnen dan wel betaald heeft - zij was het zelf in elk geval niet - en voor welk ander “project” de kosten zouden kunnen zijn gemaakt. De uitgaven zijn, ook bij de ruime opvatting die de huwelijkse voorwaarden voorschrijven, niet te beschouwen als kosten van de huishouding maar als investeringen die tot vermogensvorming leiden. Dat geldt ook voor de aflossingen op de hypotheek; alleen de rentebetalingen zijn kosten van de huishouding. Om die reden kan - mede gelet op wat de man (onweersproken) heeft gesteld omtrent de achtergrond van het oversluiten van de Euro-lening - de aflossing van NAf 25.000,- worden beschouwd als betalingen van de man die aan het vermogen van de vrouw ten goede zijn gekomen. De vrouw werd immers bevrijd van een alleen op haar naam staande lening met hoge lasten en een door de eurokoers fors opgelopen schuld die werd vervangen door een lagere lening tegen aanzienlijk gunstiger voorwaarden op beider naam, zoals die bij het echtscheidingsconvenant aan haar is toegedeeld. De kosten van het oversluiten (NAf 8.055,20) dienen partijen te delen. Tegen de beslissing van het Gerecht om het door de man aan de vrouw voorgeschoten gedeelte (NAf 4.027,60) nog eens te halveren heeft de man geen grief gericht.

2.7

In hoeverre de man de vergoeding kan verlangen van de door hem betaalde bedragen, tot hun nominale waarde (ingevolge artikel 20a Landsverordening overgangsrecht nieuw Burgerlijk Wetboek is artikel 1:87 BW niet van toepassing), dient te worden beoordeeld aan de hand van de rechtspraak over vergoedingsrechten bij koude uitsluiting, zoals de Hoge Raad die in een reeks van arresten heeft gevormd. Zie onder meer: HR 12 juni 1987, NJ 1988/150 en ECLI:NL:HR:1987:AC2558 (Kriek/Smit), HR 4 december 1987, NJ1998/610 en ECLI:NL:HR:1987:AB8960 (kledingbokser), HR 15 september 1995, NJ 1996/616 en ECLI:NL:HR:1995:ZC1808 (Le Miralda), HR 17 oktober 1997, NJ 1998/692 en ECLI:N:HR:1997:ZC2459, HR 20 september 2002, ECLI:NL:HR:2002:AE4367 en HR 1 oktober 2004, NJ 2005/1 en ECLI:NL:HR:2004:AO9558.

2.8

Omdat de man slechts voorwaardelijk heeft geappelleerd tegen het oordeel van de eerste rechter, behoeft de juistheid van dat oordeel alleen te worden onderzocht wanneer de grieven van de vrouw (deels) slagen. Het Hof zal daarom bij wijze van veronderstelling eerst aannemen dat de door de man gedane betalingen voor de helft moeten worden beschouwd als voldoening aan een natuurlijke verbintenis. Ter beoordeling staat dan of, zoals de vrouw bepleit, er gelet op de hiervoor onder 2.7 bedoelde rechtspraak redenen zijn om de aanspraak van de man op vergoeding verder te beperken dan het Gerecht heeft gedaan.

2.9

Op gezag van die rechtspraak dient de omstandigheid dat de man - een advocaat met in 2009/2010 ruim tien jaar ervaring en voorgelicht door een notaris - aanzienlijke investeringen heeft gedaan in een huis dat op naam van de vrouw stond, zonder harde (schriftelijke) afspraken te maken over terugbetaling en zonder dat de tenaamstelling werd gewijzigd, te worden opgevat als een objectieve aanwijzing dat hij daarmee heeft voldaan aan een natuurlijke verbintenis tot verzorging van de vrouw. Als een indicatie in die richting dient ook te gelden dat de vrouw, anders dan de man, niet in staat was de betalingen voor de renovatie van het huis en het oversluiten van de lening te doen.

2.10

Naast deze indicaties waren er ten tijde van het doen van de betalingen andere omstandigheden die eveneens in aanmerking dienen te worden genomen en die overwegend in een andere richting wijzen. Dit zijn de volgende.

a. toen partijen huwden was de vrouw 36 jaar; het was haar tweede huwelijk, uit het eerste huwelijk had zijn een zoon die is opgenomen in de huishouding die zij met de man voerde;

b. de vrouw had bij aanvang van het huwelijk een betaalde baan; partijen hebben afgesproken dat zij tijdelijk (man zegt voor twee jaar, de vrouw heeft dat ter zitting in eerste aanleg erkend, maar heeft het in hoger beroep over in elk geval vier; de latere gang van zaken strookt met het standpunt van de man) zou stoppen met werken om voor de kinderen, onder wie de pasgeboren zoon van partijen, te zorgen; met haar baan verdiende de vrouw minder dan de man, die als advocaat bij een klein eigen kantoor ook meer vooruitzichten had op een (blijvend) hoger loon en vermogensopbouw;

c. het huis is niet door de man gekocht of op naam van de vrouw geplaatst; het was een aanbrengst ten huwelijk van de vrouw; partijen hebben er om hen moverende praktische reden voor gekozen in dit huis te gaan wonen. Dat dit is gebeurd met het oog op vermogensopbouw is gesteld noch gebleken.

d. op het huis rustte een hypotheek als zekerheid voor een lening die door de sterk gestegen eurokoers leidde tot maandlasten van NAf 3.000,-;

e. de lening is overgesloten naar een gezamenlijke; het oversluiten zou ertoe leiden dat de maandlasten van het gezin aanzienlijk lager werden en dat de hypotheekschuld verminderde; de hypotheekrente en een deel van de verbouwingskosten waren aftrekbaar;

f. de man heeft de verbouwings- en financieringskosten voldaan uit de verkoop van zijn eigen huis en voor het overige uit zijn spaargeld en met behulp van een lening van zijn ouders; hier doet zich dus niet de situatie voor dat de bijdrage uit een veel groter eigen vermogen van de man is voldaan. De man heeft kennelijk (nagenoeg) zijn gehele toenmalige vermogen in het huis gestopt;

g. de vrouw heeft ter zitting in eerste aanleg verklaard dat zij nooit heeft gedacht dat de bijdragen van de man een schenking waren; volgens de man heeft zij hem meer dan eens voorgehouden dat andere mannen dat wel zouden doen, maar dat zij wist dat hij niet zo’n man is. Dit is door de vrouw niet of onvoldoende weersproken.

2.11

Gelet op al deze omstandigheden, in samenhang bezien, kan niet worden gezegd dat de man - zoals de vrouw bepleit - heeft voldaan aan een dringende morele verplichting die van hem vergde dat hij vrij kort na de aanvang het huwelijk (nagenoeg) zijn gehele eigen vermogen investeerde in de verbouwing en herfinanciering van het op naam van de vrouw staande huis met als doel dat - naast de gezamenlijk te genieten financiële en praktische voordelen - de gehele vermogenstoename aan de vrouw ten goede zou komen. Partijen waren twee jaar eerder op huwelijkse voorwaarden gehuwd, juist ook vanwege de omstandigheid dat zij beiden een eigen huis hadden. De opvatting van de vrouw impliceert een correctie op die keuze die zelfs verder gaat dan waar een gemeenschap van goederen (op dat moment) toe zou hebben geleid. Het verschil tussen de inkomens(vooruitzichten) van partijen en de mate waarin de man de facto - als kostwinner - van de investeringen zou profiteren kunnen het aannemen van een dergelijke verplichting niet rechtvaardigen.

2.12

Het is duidelijk dat de man deze investeringen primair heeft gedaan om de woonsituatie van hem en zijn gezin te verbeteren en dat verzorging - door middel van het vormen van eigen vermogen - van de vrouw hooguit een bijkomend doel is geweest. Er zijn geen redenen om aan te nemen dat de man met de betalingen heeft beoogd te waarborgen dat de vrouw te allen tijde, ook zonder de man na een eventuele echtscheiding, in dit huis kon blijven wonen met behoud van de gehele (over)waarde. Er werd zoals de man heeft gesteld uitgegaan van een gezamenlijk bezit. Deze subjectieve bedoelingen waren, naar het oordeel van het Hof, ook in overeenstemming met wat op dat moment naar maatschappelijke opvattingen als normaal en passend werd gezien wanneer twee economisch zelfstandige, partners trouwen met behoud van ieders aangebracht vermogen en zij beiden bijdragen aan een echtelijk huis, zoals partijen in dit geval hebben gedaan: de vrouw door het beschikbaar stellen van haar huis en de man door het doen van de benodigde investeringen. Zo op grond van die opvattingen al tot enige natuurlijke verbintenis zou kunnen worden geconcludeerd, leidt deze - noch de redelijkheid en billijkheid - tot een verdere beperking van het vergoedingsrecht dan het Gerecht heeft aangenomen.

2.13

Deze uitkomst dat de vrouw aan de man de helft van diens investeringen dient te vergoeden leidt, anders dan de vrouw betoogt, thans, gelet op de ontwikkelingen in de circa zes jaren die zijn verstreken tussen het doen van de betalingen en de echtscheiding, ook niet tot onaanvaardbare resultaten. Het huwelijk van partijen heeft negen jaar geduurd. Tijdens het huwelijk heeft de vrouw gewerkt, zij het beperkt. Daarna heeft de vrouw haar werk weer kunnen oppakken en zij verdient daarmee nu een inkomen van NAf 4500,- netto, aangevuld met NAf 1.350.- aan kinderalimentatie voor haar twee kinderen.

Als gevolg van de door partijen gedane en door de man voorgeschoten investeringen heeft de vrouw, in plaats van een verouderd huis dat, naar de man onvoldoende weersproken heeft gesteld, de facto onder water stond en met hoge maandlasten, een verbouwd huis en een gesaneerde hypothecaire lening en heeft zij kunnen profiteren van de waardeontwikkeling die, naar mag worden aangenomen in belangrijke mate als gevolg van die investeringen heeft geleid tot een overwaarde ten tijde van de echtscheiding van circa

NAf 320.000,- (indien wordt uitgegaan van het door de man overgelegde taxatierapport uit 2014). As zij de man de toegewezen NAf 141.500,55 heeft betaald, resteert nog altijd een eigen vermogen van circa NAf 180.000,-. Dat dit voordeel haar zodanig is opgedrongen dat het geen rol zou mogen spelen, kan uit haar stellingen niet worden afgeleid en een voldoende toegespitst bewijsaanbod ontbreekt.

2.14

Daartegenover is niet gebleken dat de man tijdens het huwelijk een zodanig omvangrijk privévermogen heeft opgebouwd dat het naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zou zijn dat hij de vrouw niet de volledige overwaarde gunt en haar tot terugbetaling dwingt. Hij heeft na de scheiding een huis gekocht voor een koopsom van NAf 355.000,- die hij heeft gefinancierd met leningen van de bank en van zijn vader.

2.15

De omstandigheid dat de vrouw het huis (vermoedelijk) zal moeten verkopen omdat zij geen leencapaciteit meer heeft leidt niet tot een ander oordeel. Dat echtelieden bij het verbreken van het huwelijk en de samenleving het echtelijk huis moeten verkopen omdat het voor ieder van hen afzonderlijk te duur is, komt geregeld voor. Indien partijen, zoals hier beiden in staat moeten worden geacht zijn om met werk en eigen vermogen passende vervangende woonruimte te vinden is dat vervelend, misschien ingrijpend, maar niet onredelijk bezwarend. De omstandigheid dat het hier gaat om een aangebracht bezit van de vrouw maakt het voorgaande niet anders, te minder nu aannemelijk is dat de kosten de vrouw zonder de financiële bijdragen van de man boven het hoofd waren gegroeid.

2.16

Voor verrekening of aftrek van door de man genoten voordelen is geen plaats, nog daargelaten dat niet duidelijk is op welke grondslag dat zou moeten gebeuren (het door de vrouw genoemde artikel 6:100 BW is op deze bijzondere vergoedingsaanspraak - die geen schadevergoeding uit ongerechtvaardigde verrijking behelst - niet van toepassing). Omtrent deze voordelen, en de nadelen zoals de vrouw die kennelijk ziet, wordt nog het volgende overwogen.

2.17

Indien partijen niet waren gehuwd, had de vrouw haar huis (naar mag worden aangenomen) niet kunnen verhuren; het is zelfs maar de vraag of zij het gelet op de hoge lasten had kunnen behouden. Voor zover verhuur - zonder nadere investeringen - mogelijk en rendabel was geweest wanneer partijen het huis van de man hadden betrokken, zou dat alleen relevant kunnen zijn ingeval de man zijn huis wel had verhuurd. Dat heeft hij, op een korte periode na, niet gedaan. Hij heeft het huis immers verkocht en de opbrengst in het huis van de vrouw gestoken. Overigens rijst de vraag of, wanneer de vrouw wel structurele huurinkomsten had genoten, deze niet deels als inkomen in de zin van artikel 7 van de huwelijkse voorwaarden hadden moeten worden beschouwd.

2.18

Tot welke bedragen de man fiscale voordelen heeft genoten behoeft evenmin nader te worden onderzocht. De man heeft (ook de toen de vrouw wel inkomen had) alle kosten van de huishouding betaald. Dat de vrouw de gevoerde staat na de verbouwing als karig heeft ervaren betekent nog niet dat de man in zijn verplichtingen om met zijn netto inkomen bij te dragen aan de huishouding is tekortgeschoten. De belastingvoordelen corresponderen ook niet met enig nadeel van de vrouw en haar eigen investering zit met waardevermeerdering in haar huis. Dat de man de fiscale teruggaven deels of geheel zelf heeft gehouden kan dan ook geen reden zijn om zijn vergoedingsaanspraak verder te korten, te minder nu hij de door hem betaalde aflossingen op de gezamenlijke hypothecaire lening niet terugvordert.

2.19

De extra lening op 1 juni 2010 van NAf 40.642,61 die de vrouw als onderdeel van hypothecaire lening (die na de verhoging circa NAf 256.000,- bedroeg maar waarop nadien tot 1 februari 2016 door de man is afgelost) heeft overgenomen heeft de man in eerste aanleg van zijn vordering afgetrokken. Gelet op de datum en de omschrijving van het doel van die lening is aannemelijk dat dit bedrag aan de verbouwing is besteed en niet, zoals de vrouw aanvoert, aan het privévermogen van de man is toegevoegd. Het is verder ook niet relevant nu vaststaat dat er tot een bedrag van NAf 294.616,11 aan verbouwingskosten is gemaakt, die door de man zijn betaald.

2.20

De vordering van de man is daarmee ook in hoger beroep toewijsbaar tot het bedrag van NAf 141.500,55. De grieven van de vrouw slagen niet.

2.21

Tegen het toewijzen van de wettelijke rente vanaf 7 april 2017 zijn geen klachten gericht. De vrouw heeft ook sinds het convenant en in elk geval sinds het bestreden vonnis rekening kunnen houden met de betalingsverplichting. Indien verkoop noodzakelijk is, mag worden aangenomen dat de man die afwacht of anders een betalingsregeling treft.

2.22

De door de vrouw gevorderde inzage zal worden afgewezen. De man heeft voorafgaande aan het pleidooi in hoger beroep nadere inkomensgegevens opgestuurd. Daarop heeft de vrouw niet inhoudelijk gereageerd noch heeft zij opgemerkt dat, en toegelicht waarom, deze stukken ontoereikend zijn, zodat ervan kan worden uitgegaan dat in haar behoefte aan informatie is voorzien. Daarbij wordt nog opgemerkt dat indien zou blijken dat de man inmiddels een pensioenvoorziening van enige omvang heeft opgebouwd, dit geen reden is voor verdere vermindering van zijn recht op vergoeding.

2.23

De vrouw heeft geen voldoende specifiek bewijsaanbod aangedaan ten aanzien van, in het licht van het verweer door de man, voldoende gemotiveerde stellingen die, indien bewezen, tot een ander oordeel zouden kunnen leiden. Aan bewijslevering wordt daarom niet toegekomen.

2.24

De slotsom is dat het principaal appel faalt. Aan de voorwaarde die is verbonden aan het incidenteel appel is niet voldaan, zodat dit verder onbesproken kan blijven. Het bestreden vonnis moet worden bevestigd, met - gelet op de voormalige huwelijksband tussen partijen - compensatie van de proceskosten in principaal hoger beroep.

B E S L I S S I N G

Het Hof:

bevestigt het vonnis waarvan beroep;

compenseert de proceskosten aldus dat iedere partij de eigen kosten draagt.

Dit vonnis is gewezen door mrs. M.W. Scholte, F.W.J. Meijer en J. de Boer leden van het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba en ter openbare terechtzitting van het Hof in Curaçao uitgesproken op 14 april 2020 in tegenwoordigheid van de griffier.