Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:OGHACMB:2020:110

Instantie
Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba
Datum uitspraak
07-04-2020
Datum publicatie
11-05-2020
Zaaknummer
CUR2018H00199
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

schadevergoeding

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
PS-Updates.nl 2020-0353
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Burgerlijke zaken over 2020 vonnisno.:

Registratienummer: 62824/2013 CUR201701845 CUR2018H00199

Uitspraak: 7 april 2020

GEMEENSCHAPPELIJK HOF VAN JUSTITIE

van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en

van Bonaire, Sint Eustatius en Saba

VONNIS

in de zaak van:

[APPELLANT],

wonende in Curaçao,

oorspronkelijk gedaagde,

thans appellant,

gemachtigde: mr. A.I. Martis,

tegen

[GEINTIMEERDE],

wonende in Nederland,

oorspronkelijk eiseres,

thans geïntimeerde,

gemachtigde: mr. E. Bokkes.

Partijen worden hierna [appellant] en [geïntimeerde] genoemd.

1 Het verloop van de procedure

1.1

Voor het procesverloop in eerste aanleg wordt verwezen naar het tussen partijen gewezen en op 21 mei 2018 uitgesproken eindvonnis en de daaraan voorafgegane tussenvonnissen van 16 juni 2014, 9 februari 2015, 31 augustus 2015, 30 januari 2017, 10 april 2017 en 4 juli 2017 van het Gerecht in eerste aanleg van Curaçao (verder: GEA). Bij op 3 juli 2018 ter griffie ingekomen akte van appel is [appellant] in hoger beroep gekomen van voormeld eindvonnis.

1.2

Bij op 15 augustus 2018 ingekomen memorie van grieven heeft [appellant] vier grieven tegen het bestreden vonnis aangevoerd en toegelicht. Zijn conclusie strekt ertoe dat het Hof het vonnis zal vernietigen en opnieuw rechtdoende de vorderingen van [geïntimeerde] zal afwijzen met haar veroordeling in de kosten van beide instanties.

1.3 [

geïntimeerde] heeft op 19 oktober 2018 een memorie van antwoord ingediend en daarbij geconcludeerd dat het Hof het bestreden vonnis zal bekrachtigen met verwerping van het beroep van [appellant] daartegen met, hoofdelijk uitvoerbaar bij voorraad te verklaren, veroordeling van [appellant] en zijn gemachtigde in de werkelijke en volledige proceskosten van [geïntimeerde] in hoger beroep van NAf 2.500,-, althans een en ander door het Hof in goede justitie te bepalen.

1.4

Op de daarvoor bepaalde dag heeft [appellant] pleitnotities overgelegd en heeft [geïntimeerde] afgezien van pleidooi.

1.5

Vonnis is gevraagd en nader bepaald op heden.

2 De feiten

2.1.1 Het Hof gaat in hoger beroep uit van de volgende feiten (zie ook rov. 2.1 en 2.2 van het tussenvonnis van 9 februari 2015).

2.1.2 Bij onherroepelijk geworden strafvonnis van 10 maart 2011 (H-143/10) is [appellant] door het Hof veroordeeld tot een langdurige gevangenisstraf wegens onder meer poging tot doodslag van [geïntimeerde].

2.1.3 In dit vonnis is [appellant] ook veroordeeld om aan [geïntimeerde] als benadeelde partij door haar gemaakte kosten te vergoeden ad NAf 14.077,13.

2.1.4 Bij verstekvonnis van 25 juni 2012 (AR 53429/2011) is [appellant] veroordeeld om aan [geïntimeerde] de door haar ten gevolge van het gebeuren geleden schade op te maken bij staat te vergoeden. Het deze zaak inleidende verzoekschrift was op 3 januari 2012 ter griffie ingediend. [appellant] is niet in verzet gekomen van dit vonnis.

2.1.5 Op 9 december 2011 heeft [geïntimeerde], na daartoe bekomen rechterlijke toestemming, conservatoir beslag doen leggen op een aan [appellant] toebehorend perceel grond gelegen in het verkavelingsplan Santa Catharina, fase 3, kavel no. 35, omschreven in meetbrief no.935 van 1984. Dit beslag dient als zekerheid van verhaal voor haar vordering op [appellant] begroot op NAf 115.000,-. Bij het geven van zijn toestemming heeft het Gerecht bepaald dat de eis in de hoofdzaak binnen vier weken na het te leggen beslag moet worden ingediend.

3 De beoordeling

3.1 [

geïntimeerde] heeft in eerste aanleg in conventie gevorderd dat [appellant] wordt veroordeeld tot betaling van NAf. 161.750,- vermeerderd met wettelijke rente, ook over de proceskosten. In reconventie heeft [appellant] gevorderd dat het GEA een deskundige benoemt om de hoogte van de door [geïntimeerde] geleden schade vast te stellen.

3.2

Het GEA heeft bij het eindvonnis van 21 mei 2018 onder meer als volgt overwogen:

2.1

Bij vonnis van 10 april 2017 heeft het Gerecht de verzekeringsarts Buisman benoemd tot deskundige. [appellant] moest het voorschot voor de deskundige betalen. Bij vonnis van 4 juli 2017 heeft het Gerecht de kosten van die deskundige vastgesteld. [appellant] heeft die kosten niet voldaan, waardoor het rapport niet kon worden uitgebracht. De zaak is vervolgens naar de rol verwezen voor akte en aansluitend verwezen voor vonnis.

2.2

Nu [appellant] heeft nagelaten het Gerecht in de gelegenheid te stellen zich verder objectief over de gevolgen van de aansprakelijkheid scheppende gebeurtenis te kunnen laten voorlichten, zal het Gerecht zijn verdere oordeel dienen te baseren op de door partijen in het geding gebrachte stukken. Het Gerecht zal dit per onderdeel doen.

(…)

2.3.2 [

geïntimeerde] heeft ter onderbouwing van haar vordering een rapport van 31 januari 2013 overgelegd van een door haar ingeschakelde verzekeringsdeskundige, de arts Huisman. Deze heeft na een consult vastgesteld dat bij [geïntimeerde] sprake was van een ernstig ontwrichte kaak, dat zij 3 dagen in coma verkeerde en daarna nog langere tijd klaagde over hoofdpijnen. Uit een MRI is geen verdere hersenschade gebleken. Daarnaast hij in zijn rapport opgenomen dat sprake is van een posttraumatische stressstoornis (PTSS) en dat [geïntimeerde] daarvan nog steeds last heeft. Deze PTSS wordt ondersteund door een verklaring van de huisarts en een samenvatting van een behandeling die [geïntimeerde] heeft ondergaan bij de instelling Psyq in Nederland.

2.3.3 [

appellant] heeft de inhoud van deze stukken weliswaar bestreden, maar heeft dat slechts in algemene zin gedaan. Het had in de reden gelegen om de gevolgen van het voorval eenduidig in kaart te brengen, maar de weigering van [appellant] om het Gerecht daartoe in staat te stellen, heeft dat verhinderd. Het Gerecht gaat daarom op basis van de door [geïntimeerde] ingebrachte medische stukken uit van het bestaan van een ernstig ontwrichte kaak, meerdere hoofdverwondingen en psychische letsel in de zin van PTSS.

3.3

Het GEA heeft een schadebedrag van NAf. 105.996,21 en buitengerechtelijke kosten van NAf. 8.996,21 toegewezen en [appellant] veroordeeld in de proceskosten. Hiertegen richt zich het hoger beroep.

3.4

Het beroep van [geïntimeerde] op niet-ontvankelijkheid omdat het hoger beroep te laat zou zijn ingediend wordt verworpen. Het bestreden eindvonnis dateert van 21 mei 2018. Omdat 2 juli 2018, de dag waarop de beroepstermijn eindigde een nationale feestdag was waarop het Hof gesloten was, is de indiening van de akte van appel op 3 juli 2018, de eerstvolgende dag waarop het Hof weer open was, tijdig en is [appellant] dus ontvankelijk in het hoger beroep.

3.5

De grieven richten zich tegen de overwegingen van het GEA zoals hiervoor onder 2.1, 2.2 en 2.3.3 weergegeven en tegen de veroordeling van [appellant] tot betaling van schadevergoeding en gemachtigdensalaris. De grieven lenen zich voor gezamenlijke behandeling.

3.6 ]]

Ingevolge de hoofdregel van artikel 129 Rv rust op [geïntimeerde] de bewijslast van haar stelling dat zij schade heeft geleden en dat deze het gevolg is van de door [appellant] gepleegde, in het vonnis in de hoofdzaak van 25 juni 2012 vastgestelde, onrechtmatige daad. Ook ten aanzien van de omvang van de schade gelden in beginsel de gewone bewijsregels, waarbij de rechter ingevolge artikel 6:97 BW bevoegd is de schade te begroten op de wijze die het meest met de aard ervan in overeenstemming is, of de schade te schatten indien deze niet nauwkeurig kan worden vastgesteld.

3.7

Voorop staat dat de rechter bij vaststelling van schade vrijheid toekomt. Het is ook aan de rechter om te bepalen of hij bij het begroten van de schade behoefte heeft zich door een deskundige te laten voorlichten. Het GEA heeft zijn oordeel ten aanzien van de gevolgen van de mishandeling gebaseerd op de onder 2.3.3 genoemde rapportages. Het GEA heeft verder bij de begroting van de omvang van de schade de akte overlegging nader bewijs van 18 april 2016 tot uitgangspunt genomen. Tegen het uitgangspunt van het GEA dat [geïntimeerde] als gevolg van de mishandeling een ernstig ontwrichte kaak, meerdere hoofdverwondingen en psychisch letsel in de zin van PTSS heeft opgelopen, is door [appellant] geen grief aangevoerd. Evenmin heeft [appellant] gegriefd tegen de onder 2.4 van het eindvonnis door het GEA vastgestelde gevolgen van het letsel. Het is aan [appellant] om gemotiveerd aan te geven waarom het GEA op basis van de voorhanden zijnde stukken niet tot die vaststellingen had kunnen komen. Hetzelfde geldt voor de door het GEA op grond van de akte van 18 april 2016 begrote schade als gevolg van verlies aan arbeidsvermogen en het smartengeld.

3.8

In eerste aanleg heeft [appellant] voornoemde rapporten niet gemotiveerd bestreden. De stellingen van [appellant] dat de rapporten gedateerd, geen inzicht verschaffen in hoe de diagnose PTSS is vastgesteld en dat niet voldoende onderbouwd is waarom de arbeidsongeschiktheid voortduurt (conclusie van antwoord) en dat de bescheiden geen bewijs vormen dat [geïntimeerde] daadwerkelijk aan de opgevoerde ziektes en of gebreken lijdt (conclusie van dupliek) zijn in het eindvonnis terecht door het GEA als een niet voldoende gemotiveerde betwisting aangemerkt. Ook in hoger beroep heeft [appellant] slechts volstaan met het in algemene bewoordingen betwisten van causaal verband tussen de mishandeling en het letsel en dat de gevraagde bedragen daadwerkelijk zijn betaald. Tegen de door het GEA toegewezen schadeposten (verlies arbeidsvermogen, smartengeld en gemachtigdensalaris) heeft [appellant] evenmin gemotiveerd gegriefd. Het Hof kan niet meegaan in het verzoek van [appellant] om inhoudelijke verweren alsnog bij akte naar voren te mogen brengen. De herstelfunctie van het hoger beroep brengt niet mee dat [appellant] in zijn memorie van grieven kon volstaan met dit verzoek en met dat om alsnog een deskundige te benoemen. Het had op zijn weg gelegen bij memorie van grieven de schade gemotiveerd te bestrijden, mede naar aanleiding van de door het GEA gegeven oordelen. Hij heeft dat nagelaten en het Hof heeft ook ambtshalve geen bedenkingen tegen de overwegingen van het GEA ten aanzien van vaststelling van letsel, de gevolgen daarvan en de begroting van de schade. Het Hof heeft geen behoefte meer aan objectieve voorlichting en ziet op grond van het hiervoor overwogene geen aanleiding om in hoger beroep het verzoek van [appellant] om een deskundige te benoemen te honoreren en [appellant] alsnog toe te laten tot betaling van een voorschot. Aan de stelling van [appellant] dat [geïntimeerde] het voorschot voor een deskundige moet betalen komt het Hof niet meer toe, maar het acht het oordeel van het GEA juist.

3.9

De grieven van [appellant] die inhouden dat het GEA zelf heeft aangegeven de zaak niet objectief te hebben kunnen beoordelen worden verworpen. [appellant] leidt dit af uit de overweging van het GEA dat hij, bij gebreke van een deskundigenrapport, niet in staat is geweest zich verder objectief over de gevolgen van de aansprakelijkheid scheppende gebeurtenis te kunnen laten voorlichten en uit de overweging van het GEA dat [appellant] de door [geïntimeerde] overgelegde rapporten slechts in algemene zin heeft bestreden. Deze grieven berusten op een verkeerde lezing van bedoelde rechtsoverwegingen. In rechtsoverweging 2.1 van het eindvonnis overweegt het GEA niet meer dan dat het niet objectief, dus door een onafhankelijke derde, over de gevolgen van de mishandeling is voorgelicht omdat de deskundige geen rapport heeft kunnen uitbrengen nu [appellant] het voorschot niet heeft betaald. Dat is voor het GEA geen beletsel geweest, om gelet op de wel aanwezige stukken en het partijdebat, de schade tot een bedrag van NAf. 105.996,21 toe te wijzen. Mocht het GEA in de tussenvonnissen nog hebben gemeend dat objectieve voorlichting niet alleen wenselijk maar ook noodzakelijk was, dan is dat oordeel in het eindvonnis herzien. Een oordeel waar het Hof zich, nadat [appellant] in hoger beroep inhoudelijk niets aan zijn verweer heeft toegevoegd, zeer wel in kan vinden en dat het - zoals rov. 3.8 impliceert - volledig overneemt.

Ook in rechtsoverweging 2.3.3 van het eindvonnis valt, anders dan [appellant] stelt, niet te lezen dat het GEA meent de zaak niet objectief te hebben kunnen beoordelen. Het GEA overweegt daar slechts dat [appellant] de inhoud van het door [geïntimeerde] overgelegde rapport van 31 januari 2013 van een door haar ingeschakelde verzekeringsdeskundige, een verklaring van de huisarts en een samenvatting van een behandeling die [geïntimeerde] heeft ondergaan bij de instelling Psyq in Nederland, slechts in algemene zin heeft bestreden, zodat het GEA, zoals hiervoor reeds overwogen, terecht bij de verdere beoordeling van die stukken is uitgegaan.

3.10

De slotsom is dat het hoger beroep faalt en dat het bestreden vonnis zal worden bevestigd. [appellant] wordt als de in het ongelijk gestelde partij veroordeeld in de proceskosten in hoger beroep. Voor het veroordelen van de gemachtigde van [appellant] in de proceskosten ziet het Hof geen aanleiding.

B E S L I S S I N G

Het Hof:

Bevestigt het bestreden vonnis.

Veroordeelt [appellant] in de proceskosten in hoger beroep aan de zijde van [geïntimeerde] gevallen en begroot op NAf 404,80 aan verschotten en NAf 7.000,- aan gemachtigdensalaris.

Dit vonnis is gewezen door mrs. E.A. Saleh, F.W.J. Meijer en J. de Boer, leden van het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba en ter openbare terechtzitting van het Hof in Curacao uitgesproken op 7 april 2020 in tegenwoordigheid van de griffier.