Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:OGHACMB:2020:109

Instantie
Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba
Datum uitspraak
07-04-2020
Datum publicatie
11-05-2020
Zaaknummer
CUR2019H00271
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

partneralimentatie

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

BURGERLIJKE ZAKEN OVER 2020

Registratienummers: CUR201801839 en CUR2019H00271

Uitspraak: 7 april 2020

GEMEENSCHAPPELIJK HOF VAN JUSTITIE

van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en

van Bonaire, Sint Eustatius en Saba

BESCHIKKING

in de zaak van:

[APPELLANTE],

wonende in Curaçao,

oorspronkelijk verweerster en zelfstandig verzoekster,

thans appellante in het principaal appel, verweerster in het incidenteel appel,

gemachtigde: mr. R.C. Luttikhuizen,

tegen

[GEINTIMEERDE],

wonende in Curaçao,

oorspronkelijk verzoeker en verweerder tegen het zelfstandig verzoek,

thans geïntimeerde in het principaal appel, appellante in het incidenteel appel,,

gemachtigde: mr. E. Kleist.

Partijen worden hierna de vrouw en de man genoemd.

1
1. Het verloop van de procedure

1.1.

Het Hof verwijst voor het geding in eerste aanleg naar de beschikkingen van het Gerecht in eerste aanleg van Curaçao (hierna: het Gerecht) van 27 november 2018 en 7 juni 2019. De inhoud van deze beschikkingen geldt als hier ingevoegd.

1.2.

Bij de beschikking van 27 november 2018 heeft het Gerecht, kort samengevat, de echtscheiding tussen partijen uitgesproken en, uitvoerbaar bij voorraad, het voortgezet gebruik van de voormalige echtelijke woning aan de vrouw toegekend en de verdeling van de ontbonden huwelijksgemeenschap bevolen ten overstaan van de notaris, met benoeming van onzijdige personen. De beslissing op het verzoek van de vrouw om vaststelling van een door de man aan haar te betalen bijdrage in de kosten van haar levensonderhoud (hierna: partneralimentatie) is aangehouden in afwachting van nadere inkomensgegevens van partijen.

1.3.

De vrouw heeft aanvankelijk hoger beroep ingesteld tegen de eindbeslissingen in het dictum van de beschikking van 27 november 2018, maar zij heeft dit beroep naderhand ingetrokken.

1.4.

Bij de eindbeschikking van 7 juni 2019 is de partneralimentatie, uitvoerbaar bij voorraad, bepaald op NAf 1.500,- per maand, met ingang van de datum van inschrijving van de echtscheidingsbeschikking in de registers van de burgerlijke stand.

1.5.

De vrouw heeft in een beroepschrift met productie, ter griffie ingediend op 18 juli 2019, tijdig hoger beroep ingesteld tegen deze beslissing over de partneralimentatie. Haar conclusie strekt ertoe dat het Hof de beschikking van 7 juni 2019 zal vernietigen en opnieuw recht doende haar verzoek om een partneralimentatie van NAf 5.000,- per maand alsnog zal toewijzen, kosten rechtens.

1.6.

Op 3 januari 2020 heeft de vrouw een aanvullende productie ingediend.

1.7.

Op 7 januari 2020 heeft de mondelinge behandeling plaatsgevonden. Partijen zijn verschenen, bijgestaan door hun gemachtigden voornoemd. Allen hebben het woord gevoerd; de gemachtigde van de vrouw aan de hand van overgelegde schriftelijke pleitaantekeningen en de gemachtigde van de man aan de hand van een overgelegd verweerschrift tevens incidenteel hoger beroepschrift, met producties, dat op 6 januari 2020 per e-mail was toegezonden aan het Hof en de vrouw.

1.8.

Het incidenteel hoger beroep van de man strekt ertoe dat het Hof de beschikking van 7 juni 2019 zal vernietigen, en primair de partneralimentatie zal bepalen op nihil, subsidiair op NAf 1.400,- dan wel het door het Gerecht bepaalde bedrag van NAf 1.500,- per maand, met beperking van de alimentatieduur tot een termijn die korter is dan de wettelijk bepaalde duur, met veroordeling van de vrouw in de kosten van het principaal en incidenteel hoger beroep.

1.9.

De vrouw heeft primair geconcludeerd tot niet-ontvankelijkverklaring van het door de man ingestelde incidenteel hoger beroep, subsidiair tot aanhouding van de behandeling om een verweerschrift in incidenteel appel in te kunnen dienen, en meer subsidiair tot afwijzing van het incidentele verzoek, met veroordeling van de man in de kosten.

1.10.

Beschikking is nader bepaald op heden.

2 De beoordeling

2.1.

Op grond van artikel 429n lid 5 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) kan incidenteel appel worden ingesteld bij verweerschrift, dat kan worden ingediend tot de aanvang van de mondelinge behandeling (vgl. o.m. HR 26 april 2013, ECLI:NL:HR:2013:BZ0159). De man heeft zich aan deze procedurele regels gehouden, zodat hij ontvankelijk is in het incidenteel hoger beroep.

2.2.

Nu het incidenteel beroepschrift op voorhand aan de vrouw is toegezonden, de daarin opgenomen stellingen van de man gelijk zijn aan, dan wel in het verlengde liggen van, het eerder (in eerste aanleg en in de voorlopige voorzieningenprocedure) gevoerde partijdebat over de partneralimentatie en de vrouw ter zitting op deze stellingen heeft kunnen reageren, wat zij ook uitvoerig heeft gedaan, is ten aanzien van dit onderdeel van de rechtsstrijd tussen partijen geen sprake van het in de knel komen van een volwaardig processueel debat doordat de vrouw geen nadere termijn of akte is gegeven voor haar verweer tegen de incidentele grief van de man, zodat de goede procesorde niet is geschonden en evenmin het beginsel van hoor- en wederhoor.

2.3.

Het Hof komt dus toe aan de inhoudelijke behandeling van de klachten in principaal en incidenteel appel over de partneralimentatie. Deze klachten lenen zich voor gezamenlijke behandeling

2.4.

De vrouw heeft ter zitting in hoger beroep desgevraagd medegedeeld dat de echtscheidingsbeschikking van 27 november 2018 tijdig is ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand. De man heeft dit niet betwist. Mede gelet daarop ziet het Hof geen reden om aan de juistheid van die mededeling te twijfelen. Het Hof gaat er dan ook van uit dat het huwelijk van partijen is ontbonden, zodat de man in beginsel verplicht is om de vrouw financieel te steunen als zij niet voldoende inkomsten tot levensonderhoud heeft noch zich in redelijkheid kan verwerven.

2.5.

Nu partijen ook in hoger beroep niet in staat zijn gebleken het eens te worden over de hoogte van de partneralimentatie, moet deze worden vastgesteld door de rechter aan de hand van de wettelijke maatstaven. Die maatstaven zijn achtereenvolgens de behoefte van de onderhoudsgerechtigde (de kosten van een redelijk bestaan), de behoeftigheid (of en in hoeverre de onderhoudsgerechtigde zelf in die behoefte kan voorzien) en de draagkracht van de onderhoudsplichtige (het bedrag dat de onderhoudsplichtige kan missen ten behoeve van de onderhoudsgerechtigde).

Behoefte

2.6.

De hoogte van de behoefte is mede gerelateerd aan de welstand tijdens het huwelijk. Bij de bepaling van de hoogte van de behoefte moet rekening worden gehouden met alle relevante omstandigheden. De behoefte zal daarnaast zo veel mogelijk aan de hand van concrete gegevens betreffende de reële of de met een zekere mate van waarschijnlijkheid te verwachten - en gelet op de welstand tijdens het huwelijk redelijke - kosten van levensonderhoud door de rechter worden bepaald.

2.7.

De vrouw heeft in hoger beroep ter onderbouwing van haar huwelijks-gerelateerde behoefte een lijst van haar huidige maandelijkse uitgaven in het geding gebracht met een totale netto behoefte van NAf 4.146,68 per maand. Op deze lijst ontbreekt een post voor woonlasten. Ter zitting in hoger beroep heeft de vrouw toegelicht dat zij nog altijd woonachtig is in de voormalige echtelijke woning, die vrij is van huur en hypotheek. Binnenkort (volgens de man eind maart 2020) zal zij moeten verhuizen en dat is de reden dat zij in deze procedure verzoekt om een partneralimentatie van NAf 5.000,-. Het Hof begrijpt hieruit dat zij haar gestelde behoefte verhoogt met een door haar geschatte toekomstige woonlast van NAf 853,32 (NAf 5.000 – NAf 4.146,68).

De man heeft dit bedrag niet betwist en het komt het Hof ook niet onredelijk voor, zodat dit bedrag van (afgerond) NAf 854,- in aanmerking zal worden genomen bij de bepaling van de huwelijksgerelateerde behoefte van de vrouw.

2.8.

Het Hof constateert voorts dat de navolgende maandelijkse kostenposten van de behoeftelijst niet door de man zijn betwist: NAf 80,- (tandarts/mondhygiëniste),

NAf 200,- (kleding/schoeisel), NAf 136,50 (kapper), NAf 40,77 (Nextguard),

NAf 130,- (water/elektra), NAf 131,44 (UTS), NAf 70,- (mobiel internet), NAf 40,- (medicatie hond Noa) en NAf 550,- (boodschappen). Dit betreft in totaal een bedrag van (afgerond) NAf 1.379,- per maand. Het Hof zal met deze niet betwiste posten rekening houden bij het becijferen van de behoefte van de vrouw. Het Hof zal hierna de wel betwiste posten puntsgewijs bespreken, indachtig de hiervoor onder rov. 2.6 geformuleerde uitgangspunten.

Tuinonderhoud

2.9.

De vrouw voert een post voor tuinonderhoud op van NAf 150,- per maand.

De man stelt dat partijen tijdens het huwelijk geen gebruik maakten van een tuinman, omdat hij die onderhoudswerkzaamheden zelf verrichtte. Het Hof constateert dat de man hiermee niet ontkent dat de vrouw tijdens het huwelijk gewend was aan een verzorgde tuin als gevolg van de inspanningen van een ander. Gelet daarop zal het Hof rekening houden met kosten voor tuinonderhoud door een tuinman. Het opgevoerde bedrag van NAf 150,- per maand komt het Hof niet onredelijk voor, zodat dit bedrag in aanmerking zal worden genomen.

Schoonmaakkosten

2.10.

De vrouw voert een post voor schoonmaak van de voormalige echtelijke woning op van NAf. 360,- per maand. De man stelt dat de vrouw in de laatste jaren van het huwelijk zelf deze woning schoonmaakte, zodat in het geheel geen rekening met deze post moet worden gehouden. De vrouw heeft die stelling van de man niet betwist en evenmin voldoende aannemelijk gemaakt dat zij behoefte heeft aan enige hulp in de huishouding, zodat geen rekening zal worden gehouden met deze post.

Netflix en TDS

2.11.

De vrouw voert een post voor Netflix (NAf 15,- per maand) en een post voor TDS (NAf 70,- per maand) op. De man stelt dat deze kosten een overbodige luxe zijn. Nu de man niet heeft betwist dat partijen deze abonnementen ook hadden tijdens het huwelijk en het opgevoerde bedrag van in totaal NAf 85,- per maand het Hof niet onredelijk voorkomt, zal dit bedrag in aanmerking worden genomen.

Ticket Nederland

2.12.

De vrouw voert een bedrag van (omgerekend) NAf 250,- per maand op voor het drie keer per jaar naar Nederland reizen om de twee aldaar wonende kinderen van partijen te bezoeken. De man stelt dat de vrouw tijdens het huwelijk nimmer drie keer per jaar vanuit Curaçao naar Nederland is gereisd. De vrouw heeft die stelling van de man niet betwist. Het Hof acht het redelijk, gelet op het welvaartsniveau van partijen tijdens het huwelijk en de - begrijpelijke - behoefte van de vrouw aan jaarlijkse gezinshereniging, om rekening te houden met een bedrag van omgerekend NAf 100,- per maand (de geschatte gemiddelde ticketkosten voor één jaarlijkse reis van de vrouw naar Nederland).

 Sportabonnement

2.13.

De vrouw voert een post voor een sportabonnement op van NAf 125,- per maand. De man stelt dat geen rekening moet worden gehouden met deze post, omdat de vrouw deze kosten volgens hem tijdens het huwelijk niet maakte.

Het Hof overweegt dat als uitgangspunt geldt dat de opgevoerde kosten op de behoeftelijst redelijk moeten zijn en dat na het huwelijk niet zonder meer exact hetzelfde uitgavenpatroon als tijdens het huwelijk in stand moet kunnen worden gelaten, maar dat er een redelijk verband is tussen de welstand tijdens en na het huwelijk. Tegen deze achtergrond en gelet op het welvaartsniveau van partijen tijdens het huwelijk, zal het Hof met dit bedrag, dat het Hof niet onredelijk voorkomt, rekening houden.

 Lenzen

2.14.

De vrouw voert een post voor lenzen op van NAf 60,- per maand. De man stelt dat de vrouw voor deze kosten is verzekerd via de SVB. De vrouw heeft dit niet betwist, zodat dit bedrag niet in aanmerking zal worden genomen.

 Hondenvoer

2.15.

De vrouw voert een post voor hondenvoer op van NAf 125,- per maand. De man stelt dat maximaal rekening moet worden gehouden met een bedrag van NAf 35,- per maand. Tegenover de betwisting door de man heeft de vrouw deze post niet met bewijsstukken, zoals facturen, onderbouwd. Het Hof zal daarom uitgaan van het door de man gestelde bedrag van NAf 35,- per maand.

 Autokosten

2.16.

De vrouw voert een post voor benzine (NAf 400,- per maand), een post voor reparatie (NAf 50,- per maand) en een post voor verzekering, keuring en belasting (NAf 114,75 per maand) op. De man stelt dat de auto van de vrouw een bedrijfsauto betreft, die binnenkort ingeleverd moet worden. Het Hof leidt hieruit af dat hij betoogt dat geen rekening moet worden gehouden met deze drie kostenposten, omdat de vrouw die in de nabije toekomst niet meer zal maken dan wel omdat zij die kosten eerder niet maakte nu deze kosten ten laste kwamen van het bedrijf dat eigenaar is van de auto. Het Hof volgt hem hierin niet. De man ontkent niet dat de vrouw tijdens het huwelijk de beschikking had over een auto. Het is voorts voldoende aannemelijk dat de vrouw er belang bij heeft om te kunnen beschikken over een auto in een land als Curaçao waar alternatieve vervoersmogelijkheden beperkt zijn. Het Hof zal daarom bij de bepaling van de behoefte van de vrouw rekening houden met deze kostenposten (voor de huidige dan wel de nieuwe auto). De opgevoerde bedragen komen het Hof niet onredelijk voor, met uitzondering van het bedrag voor de benzine, dat volgens de man te hoog is. Nu de vrouw deze post niet met bewijsstukken, zoals tankbonnen, heeft onderbouwd, zal het Hof dit bedrag in redelijkheid begroten op NAf 250,- per maand. Het Hof zal dus rekening houden met een bedrag van in totaal (afgerond)

NAf 415,- aan autokosten.

 Leningen

2.17.

De vrouw voert een post voor aflossing van leningen bij derden op van

NAf 1.048,22 per maand. Volgens de vrouw heeft zij een bedrag van € 10.000,- geleend om te kunnen voorzien in de kosten van haar levensonderhoud die het tot op heden door de man betaalde bedrag van NAf 1.500,- per maand overstijgen.

De man heeft gesteld dat de vrouw na de verdeling van de ontbonden huwelijksgemeenschap in staat moet zijn om deze lening in één keer af te lossen.

Vast staat dat de huwelijksgemeenschap nog niet is verdeeld. Nu partijen geen feiten of omstandigheden hebben gesteld waaruit kan worden afgeleid dat die verdeling binnen afzienbare termijn zal plaatsvinden, is er geen reden om aan te nemen dat de bewuste lening binnenkort afgelost zal zijn. Het Hof zal daarom rekening houden met deze verder niet betwiste kostenpost van (afgerond) NAf 1.048,-.

2.18.

Op grond van al het voorgaande wordt de totale huwelijksgerelateerde behoefte van de vrouw in redelijkheid begroot op NAf 4.191,- netto per maand.

Behoeftigheid

2.19.

Nu de ontbonden huwelijksgemeenschap nog niet verdeeld is en er geen aanleiding is om aan te nemen dat die verdeling binnenkort gaat plaatsvinden, kan bij de bepaling van de behoeftigheid van de vrouw geen rekening worden gehouden met enige toekomstige aanspraak op uitkering uit nog te verdelen vermogen.

Gelet op de mededeling van de vrouw ter zitting in hoger beroep dat zij nu werkloos is, maar vorig jaar een periode fulltime gewerkt heeft als invalkracht tegen een nettoloon van NAf 3.000,- per maand, moet worden geoordeeld dat zij een netto verdiencapaciteit heeft, ter hoogte van dit bedrag. De stelling van de vrouw dat haar mentale gezondheidstoestand een belemmering vormt voor deelname aan het arbeidsproces is door de man betwist en niet met stukken of anderszins nader onderbouwd, zodat het Hof aan die stelling voorbij gaat.

Uit het voorgaande volgt dat de vrouw een bijdrage van de man nodig heeft ter grootte van haar aanvullende behoefte van NAf 1.191,- per maand (behoefte - verdiencapaciteit).

Draagkracht

2.20.

Uit de stellingen van de man in hoger beroep, in het bijzonder datgene wat hij heeft aangevoerd onder punt 30 van het verweerschrift tevens incidenteel beroepschrift, leidt het Hof af dat de man niet althans onvoldoende gemotiveerd betwist dat hij over voldoende draagkracht beschikt om te kunnen voorzien in de hiervoor bepaalde aanvullende behoefte van de vrouw.

Conclusie

2.21.

De slotsom is dat het verzoek van de vrouw om partneralimentatie toewijsbaar is tot het bedrag van NAf 1.191,- per maand. Nu dit bedrag lager is dan het door het Gerecht toegewezen bedrag, kan de beschikking van 7 juni 2019 niet in stand blijven.

2.22.

Gelet op het consumptief karakter van partneralimentatie en de relatief beperkte verdiencapaciteit van de vrouw, kan in redelijkheid niet van haar worden gevergd dat zij de door de man tot op heden ingevolge de beschikking van 7 juni 2019 betaalde partneralimentatie restitueert. Het Hof zal daarom de partneralimentatie over de periode van de datum van inschrijving van de echtscheidingsbeschikking in de registers van de burgerlijke stand tot 1 april 2020 bepalen op hetgeen al door de man aan de vrouw is betaald of op hem is verhaald.

2.23.

Het Hof constateert dat de man in (incidenteel) hoger beroep zijn oorspronkelijke verzoeken heeft aangevuld met een verzoek tot limitering van de duur van de partneralimentatie in de zin van artikel 1:157, derde lid, van het Burgerlijk Wetboek (BW). De vrouw verzet zich hiertegen, stellende (samengevat) dat dit een nieuw verzoek betreft waarover het Gerecht nog niet heeft kunnen oordelen.

Het Hof overweegt dat op grond van artikel 429i Rv juncto artikel 429q lid 5 Rv aan de man de bevoegdheid toekomt in hoger beroep zijn oorspronkelijke verzoek te veranderen of te vermeerderen. De toelaatbaarheid hiervan moet, zo nodig ambtshalve, mede worden beoordeeld in het licht van de herstelfunctie van het hoger beroep. De grenzen van het toelaatbare worden hoe dan ook overschreden als de wijziging leidt tot onredelijke vertraging van de procedure en/of tot onredelijke bemoeilijking van de verdediging. Hiervan is in dit geval geen sprake. De man heeft het nieuwe verzoek in zijn verweerschrift tevens incidenteel beroepschrift opgenomen en toegelicht. De vrouw heeft kennis genomen van dit verzoek en is in de gelegenheid gesteld om daartegen verweer te voeren, wat zij ook heeft gedaan. De processuele bezwaren van de vrouw tegen dit nieuwe verzoek van de man worden daarom verworpen.

2.24.

Limitering van alimentatie door de rechter heeft in beginsel een definitief - en daardoor ingrijpend - karakter. Dit is reden om hoge eisen te stellen aan de stelplicht van de alimentatieplichtige. De alimentatieplichtige dient nauwkeurige gegevens te verstrekken waaruit blijkt dat beëindiging na verloop van een bepaalde termijn gerechtvaardigd is. De man heeft niet aan deze (verzwaarde) stelplicht voldaan. Hij heeft geen bijzondere omstandigheden gesteld die rechtvaardigen om de duur van de alimentatietermijn - definitief - te bekorten. Dit verzoek zal daarom worden afgewezen.

2.25.

Gelet op de familierechtelijke aard van de procedure zal het Hof de proceskosten in principaal en incidenteel hoger beroep compenseren.

B E S L I S S I N G

Het Hof:

In principaal en incidenteel appel:

- vernietigt de bestreden beschikking van 7 juni 2019 en opnieuw recht doende:

- bepaalt de door de man aan de vrouw te betalen partneralimentatie vanaf de datum van inschrijving van de echtscheidingsbeschikking in de registers van de burgerlijke stand tot 1 april 2020 op hetgeen de man heeft betaald of op hem is verhaald;

- bepaalt de door de man aan de vrouw te betalen partneralimentatie met ingang van 1 april 2020 op NAf 1.191,- (duizend honderdeenennegentig gulden) per maand, wat betreft de hierna te verschijnen termijnen telkens bij vooruitbetaling te voldoen, uiterlijk op de eerste dag van de maand;

- verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad;

- compenseert de kosten van het geding in die zin, dat elke partij de eigen kosten draagt;

- wijst het meer of anders verzochte af.

Deze beschikking is gegeven door mrs. M.B. van den Enden, M.W. Scholte en F.W.J. Meijer, leden van het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba en ter openbare terechtzitting van het Hof in Curaçao uitgesproken op 7 april 2020 in tegenwoordigheid van de griffier.