Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:OGHACMB:2019:92

Instantie
Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba
Datum uitspraak
19-02-2019
Datum publicatie
11-06-2019
Zaaknummer
AUA20160157-AUA2017H00242 EJ 1943/16 - ghis 83138
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Beschikking
Inhoudsindicatie

berekening commissie in arbeidsovereenkomst, eenzijdige wijziging overeenkomst

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GEMEENSCHAPPELIJK HOF VAN JUSTITIE VAN

ARUBA, CURAÇAO, SINT MAARTEN EN VAN

BONAIRE, SINT EUSTATIUS EN SABA

Beschikking in de zaak van:

de naamloze vennootschap

ARUBA BEACHFRONT RESORTS N.V.

h.o.d.n. Hyatt Regency Aruba Resort & Casino,

gevestigd te Aruba,

oorspronkelijk verweerster, thans appellante,

gemachtigde: mr. A.E. Barrios,

tegen

[GEÏNTIMEERDE sub 1],

[GEÏNTIMEERDE SUB 2],

[GEÏNTIMEERDE SUB 3],

[GEÏNTIMEERDE SUB 4],

[GEÏNTIMEERDE SUB 5],

[GEÏNTIMEERDE SUB 6],

[GEÏNTIMEERDE SUB 7],

[GEÏNTIMEERDE SUB 8],

[GEÏNTIMEERDE SUB 9],

[GEÏNTIMEERDE SUB 10],

allen wonende te Aruba,

oorspronkelijk verzoeksters, thans geïntimeerden,

gemachtigde: mr. D. Canwood.

Partijen worden hierna aangeduid als Hyatt en [geïntimeerden] c.s.

1 Het verloop van de procedure

1.1.

Voor hetgeen in eerste aanleg is gesteld en verzocht, voor de procesgang aldaar en voor de overwegingen en beslissingen van het Gerecht in eerste aanleg van Aruba (hierna: GEA) wordt verwezen naar de tussen partijen in de zaak met EJ nummer 1943 van 2016 gegeven en op 21 maart 2017 uitgesproken beschikking. De inhoud van die beschikking geldt als hier ingevoegd.

1.2.

Hyatt heeft bij op 2 mei 2017, en dus tijdig, per fax ingediend beroepschrift met producties hoger beroep ingesteld tegen deze beschikking. Het beroepschrift met producties is voorts op 3 mei 2017 ter griffie van het GEA ingediend. Hyatt heeft bij dit beroepschrift haar hoger beroep toegelicht en geconcludeerd tot vernietiging van rechtsoverweging 3.3 en 4 (de beslissing) van de bestreden beschikking, althans dat deel van de overweging waar het de vordering van [geïntimeerden] c.s. op commissie betreft, en opnieuw recht doende, de vorderingen als omschreven in het inleidende verzoekschrift van [geïntimeerden] c.s. wat betreft de commissie alsnog af te wijzen met veroordeling van [geïntimeerden] c.s. in de proceskosten.

1.3.

De aanvankelijk op 29 november 2017 geplande mondelinge behandeling is uitgesteld. De zaak is vervolgens verwezen naar de rol van 20 februari 2018 voor schriftelijk pleidooi. Op die dag hebben beide partijen een schriftelijk pleidooi gediend. De zaak is toen verwezen voor beschikking.

1.4.

Op 16 mei 2018 is partijen door het Hof bericht dat per abuis een praeconcept in deze zaak is gepubliceerd op rechtspraak.nl. Partijen is daarbij de gelegenheid geboden om opnieuw schriftelijk te pleiten. Partijen hebben op 23 oktober 2018 opnieuw schriftelijk pleidooi gediend.

1.5.

Beschikking is nader bepaald op heden.

2 Beoordeling

2.1.

Bij de beschikking van 21 maart 2017 heeft het GEA Hyatt veroordeeld tot (door)betaling aan [geïntimeerden] c.s. van commissie berekend op grond van de prijzen van massages zonder aftrek van door Hyatt aan klanten verleende kortingen en van achterstallige commissie te vermeerderen met de gematigd vastgestelde wettelijke verhoging van telkens maximaal 15% en met wettelijke rente, beiden telkens berekend vanaf de opeisbaarheid van die commissie tot aan de dag algehele voldoening. De overige verzoeken van [geïntimeerden] c.s. zijn afgewezen. De proceskosten zijn gecompenseerd.

2.2.

In 2013 is de Spa van Hyatt gerenoveerd. Na de renovatie zijn [geïntimeerden] c.s., die daarvoor als freelancers in de Spa werkten, in dienst van Hyatt getreden. Als salaris staat in de arbeidsovereenkomsten vermeld:

- “AWG 1.542,90 per month plus 25% commission on each hair treatment and 10% commission on retail sales” ([geïntimeerde sub 10] en [geïntimeerde sub 9], arbeidsovereenkomsten 4 respectievelijk 26 januari 2012);

- “AWG 3,65 per hour plus 30% commission on massage services and 10% commission on retail sales” ([geïntimeerde sub 8], arbeidsovereenkomst van 13 januari 2012);

- “AWG 6,30 per hour plus 35% commission on massage and facial services and 10% commission on retail sales” ([geïntimeerde sub 7], arbeidsovereenkomst van 7 februari 2013);

- “AWG 5,75 per hour plus 35% commission on massage and facial services and 10% commission on retail sales” ([geïntimeerde sub 6], arbeidsovereenkomst van 11 februari 2013);

- “AWG 3,65 per hour plus $25,= per massage (Swedish)” ([geïntimeerde sub 5], arbeidsovereenkomst van 12 april 2007);

- “AWG 3,65 per hour plus a percentage of each body treatment” (Robles de [geïntimeerde sub 4], arbeidsovereenkomst van 13 juni 2008);

- “AWG 6,00 per hour plus 35% commission on massage and facial services and 10% commission on retail sales” ([geïntimeerden], arbeidsovereenkomst van 12 februari 2013).

- Van [geïntimeerde sub 3] en [geïntimeerde sub 2] zijn geen arbeidsovereenkomsten overgelegd.

2.3.

Hyatt heeft in hoger beroep aangevoerd dat de commissie zoals genoemd in de arbeidsovereenkomst dient te worden berekend over de daadwekelijke omzet en niet, zoals [geïntimeerden] c.s. stellen en het GEA heeft geoordeeld, over de menuprijzen.

2.4.

Voor de uitleg van deze bepaling in de arbeidsovereenkomst komt het, naast de taalkundige betekenis, aan op de zin die partijen in de gegeven omstandigheden over en weer redelijkerwijs aan elkaars verklaringen en gedragingen mochten toekennen en op hetgeen zij te dien aanzien van elkaar mochten verwachten. Hierbij zijn alle concrete omstandigheden van het geval van beslissende betekenis, gewaardeerd naar hetgeen de maatstaven van redelijkheid en billijkheid meebrengen (HR 20 februari 2004, NJ 2005/ 493).

2.5.

Niet betwist is dat een berekening van commissie over de daadwerkelijke gegenereerde omzet, de in de spabranche gebruikelijke wijze van berekening van commissie is en vast staat dat [geïntimeerden] c.s. in de periode 2011-2013 commissie betaald hebben gekregen die, in geval van korting, op voormelde wijze (d.w.z. op basis van de daadwerkelijk gegenereerde omzet en niet op basis van de menuprijzen) was berekend. [geïntimeerden] c.s. hebben evenwel gesteld dat zij na de ontdekking van deze wijze van berekening vanaf 2011, daarover hebben geklaagd bij Hyatt, waarna met Hyatt overeen is gekomen dat “er geen kortingen meer op de werknemers zou worden doorgevoerd”. Hyatt betwist dat het vorenstaande is overeengekomen maar feit is dat de commissie, weliswaar volgens Hyatt per vergissing, in de jaren 2013 tot en met 2015 is berekend op basis van de menuprijzen. Het spapersoneel is bij brief van 1 december 2015 er van op de hoogte gesteld dat, in het kader van nieuw beleid, de commissie vanaf 1 januari 2016 zal worden berekend over het bedrag na korting. Van een vergissing gemaakt in de berekening van de commissies in de periode 2013 tot en met 2015 wordt niet gerept in de brief. Gelet op het vorenstaande kan Hyatt niet, althans niet zonder nadere bewijslevering, worden gevolgd in de stelling dat tussen partijen was overeengekomen dat de commissieberekening zou geschieden op basis van de daadwerkelijk gegenereerde omzet.

2.6.

Deze bewijslevering kan echter achterwege blijven vanwege het volgende. In het standpunt van Hyatt, zowel in hoger beroep als in eerste aanleg, ligt mede besloten dat zij als werkgever gerechtigd was de wijzigingen door te voeren en dat de werknemers deze dienden te accepteren. Het Hof deelt die mening. Uitgangspunt daarbij is dat het op zijn minst niet onredelijk is dat een commissie wordt berekend over de daadwerkelijk gerealiseerde omzet en zoals eerder overwogen is dat in de spabranche ook een gebruikelijke manier van afrekenen. Ook waar het om kortingen op een vaste menuprijs gaat. Ook is het zo dat een commissie per definitie mede afhankelijk is van factoren waarop de werknemer niet, maar de werkgever wel invloed heeft, zoals de prijsstelling.

Hyatt heeft voldoende concreet en onderbouwd aangevoerd dat zij in 2015 een aantal maatregelen heeft moeten nemen die ervoor dienden te zorgen dat de nieuwe spa de concurrentie met die van andere hotels aan zou kunnen. Onderdeel van dat beleid was dat Hyatt meer kortingen zou gaan geven om zo ook in de slappe perioden klanten naar de spa te trekken en daarmee omzet te genereren. Volgens Hyatt heeft zich dat ook gerealiseerd en hebben dus ook [geïntimeerden] c.s. geprofiteerd. Hyatt heeft onder verwijzing naar twee overzichten van inkomensgegevens (waarvan de laatste loopt tot ultimo 2016) aangevoerd dat [geïntimeerden] c.s. door de wijziging van de commissie grondslag per saldo niet zijn benadeeld, wat [geïntimeerden] c.s. niet of onvoldoende hebben weersproken.

2.7.

Waar de voorgestelde maatregelen – naar werd verwacht maar ook in werkelijkheid – geen verslechtering voor de werknemers inhielden en het nog maar de vraag is of de omzet (en daarmee de uitbetaalde commissies) ook zouden zijn gerealiseerd zonder de verleende korting, dienden de werknemers deze maatregelen redelijkerwijs te aanvaarden, ook al was de aanleiding voor die maatregelen wellicht niet alleen verandering van omstandigheden (de toenemende concurrentie), maar tevens het invoeren van commercieel beleid gericht op slappe perioden. Dat Hyatt de omzetvergroting mogelijk ook had kunnen realiseren door andere maatregelen en dat niet duidelijk is welke gevolgen het vasthouden aan de oude methodiek voor Hyatt zou hebben gehad, is evenmin van doorslaggevend belang. De verschillende factoren die ingevolge de rechtspraak van de Hoge Raad in de beoordeling dienen te worden betrokken zijn (deels) communicerende vaten en de afwezigheid van nadeel – in de zin van salarisachteruitgang – maakt dat [geïntimeerden] c.s. de terugkeer naar het in de branche gebruikelijke en op zichzelf niet onredelijke systeem redelijkerwijs niet mochten weigeren. Dat zij bij behoud van de royale regeling (meer) van de omzetstijging zouden hebben geprofiteerd, maakt dat niet anders.

2.8.

Uit het voorgaande volgt dat de bestreden beschikking niet in stand kan blijven, in die zin dat de verzoeken van [geïntimeerden] c.s., voor zover door het GEA toegewezen, moeten worden afgewezen. Het Hof zal, om praktische redenen, de beschikking in zijn geheel vernietigen en opnieuw recht doen.

2.9.

Gelet op de uitkomst van deze procedure, zullen [geïntimeerden] c.s. worden veroordeeld in de kosten van Hyatt in eerste aanleg en hoger beroep gevallen en begroot op Afl. 2.000,= in eerste aanleg aan salaris voor de gemachtigde en in hoger beroep op Afl. 6.000,= aan salaris voor de gemachtigde en Afl. 9.000,= aan verschotten.

Beslissing

Het Hof:

- vernietigt de bestreden beschikking, en opnieuw rechtdoende:

- wijst de verzoeken van [geïntimeerden] c.s. af;

- veroordeelt [geïntimeerden] c.s. in de kosten van deze procedure aan de zijde van Hyatt gevallen en tot op heden begroot op Afl. 2.000,= voor salaris gemachtigde (eerste aanleg) en Afl. 6.000,= voor salaris gemachtigde en Afl. 9.000,= voor verschotten (hoger beroep).

Deze beschikking is gegeven door mrs. E.A. Saleh, M.W. Scholte en F.W.J. Meijer, leden van het Hof, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 19 februari 2019 in Aruba, in tegenwoordigheid van de griffier.