Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:OGHACMB:2019:91

Instantie
Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba
Datum uitspraak
09-04-2019
Datum publicatie
11-06-2019
Zaaknummer
EJ 80358 – CUR201703153 – CUR2017H00179
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Beschikking
Inhoudsindicatie

bemiddeling bij verkoop verzekeringen, arbeidsovereenkomst of agentuurovereenkomst, hoogte commissies, stopzetten commissies en voorzetten klantrelatie onrechtmatig

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Burgerlijke zaken over 2019

Registratienummers: EJ 80358 – CUR201703153 – CUR2017H00179

Uitspraak: 9 april 2019

GEMEENSCHAPPELIJK HOF VAN JUSTITIE

van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en

van Bonaire, Sint Eustatius en Saba

B E S C H I K K I N G

in de zaak van:

[APPELLANTE],

wonende in Curaçao,

oorspronkelijk verzoekster,

thans appellante,

gemachtigde: mr. L.N. Asjes,

tegen

de rechtspersoon naar vreemd recht

SAGICOR LIFE INC.,

gevestigd in Curaçao,

oorspronkelijk verweerster,

thans geïntimeerde,

gemachtigde: mr. H.W. Braam.

Partijen worden hierna [appellante] en Sagicor genoemd.

1 Het verloop van de procedure

1.1

Voor hetgeen in eerste aanleg is gesteld en verzocht, voor de procesgang en voor de overwegingen en beslissingen van het Gerecht in eerste aanleg van Curaçao (verder: het Gerecht) wordt verwezen naar de tussen partijen in de zaak gegeven en op 22 maart 2017 uitgesproken beschikking. De inhoud van die beschikking geldt als hier ingevoegd.

1.2

Bij op 3 mei 2017 ingekomen beroepschrift is [appellante] tijdig in hoger beroep gekomen van deze beschikking. Zij heeft geconcludeerd dat het Hof de bestreden beschikking zal vernietigen en haar verzoeken zal toewijzen, met veroordeling van Sagicor in de proceskosten in beide instanties.

1.3

Sagicor heeft op 14 juni 2018 een verweerschrift ingediend, waarin zij heeft geconcludeerd tot bevestiging van de bestreden beschikking.

1.4

De zaak is op 19 juli 2018 mondeling behandeld. [appellante] is daar verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde. Namens Sagicor is haar gemachtigde verschenen. Zij hebben het woord gevoerd, de gemachtigden aan de hand van pleitnota’s.

1.5

Beschikking is gevraagd en nader bepaald op vandaag.

2 De feiten

2.1

Het gaat in deze zaak om de volgende, grotendeels aan de bestreden beschikking ontleende, feiten en omstandigheden.

2.2

Tussen [appellante] en een rechtsvoorganger van Sagicor is in 1994 een “agent’s agreement” gesloten (hierna ook: de overeenkomst). In de overeenkomst wordt [appellante] aangesteld als een full time agent voor het afsluiten van polissen voor ziektekosten- en levensverzekeringen tussen Sagicor en derden, voor het innen van de premies en voor andere doeleinden genoemd in de overeenkomst. Zij ontvangt daarvoor maandelijks een bedrag aan commissie van Sagicor, dat aan de hand van de verkochte en/of lopende verzekeringen wordt bepaald, vermeerderd met een bonus/winstdeling.

2.3.

De overeenkomst vermeldt onder meer het volgende:

4. (…) The rates of commission for group policies and other classes of policies or policies denoted by special names shall be as determined by the Company. (…)

Upon any termination of a policy, the Agent's interest shall cease as to commission on subsequent premium payments unless the Agent should secure the reinstatement of the policy. (…)

19. The Agent shall comply with the present and future regulations and instructions of the Company which do not contravene the provisions of this Agreement. (…)

25. Nothing herein shall be deemed to constitute the relationship of Employer and Employee between the Company and the Agent. The Agent is an independent contractor subject to underwriting restrictions established by the Company; he is free to exercise his own judgement as to the persons within the territory from whom he will solicit business and the time and place of such solicitation.

2.4.

In 2005 heeft United Telecommunication Services N.V. (hierna: UTS) via [appellante] als agent met Sagicor een aantal verzekeringen voor haar personeel in Curaçao en Sint Maarten afgesloten, ingaande op 1 januari 2006. Het betrof groepspolissen voor ziektekosten- en levensverzekeringen (group health en group life). Sagicor betaalde [appellante] (aanvankelijk) voor deze group health polis een commissie van 7% van de jaarpremie en voor de group life polis 10% van de jaarpremie. Daarnaast had [appellante] recht op een winstdeling/bonus van 0 tot maximaal 3% van de jaarpremie, afhankelijk van de zogenoemde loss ratio. De winstdeling/bonus wordt uitgekeerd en het percentage daarvan wordt hoger indien en naarmate de uit te betalen claims minder bedragen dan de geïnde premies.

2.5.

Bij brief van 2 april 2007 heeft Sagicor onder meer het volgende aan [appellante] bericht:

(…) I hereby would like you to inform you what has been agreed in connection with your commission payment. (…)

You will be granted a 7 % commission on the St Maarten UTS plan for the period January 2006 to January 2007.

Effective January 1st, 2007 your commission percentage will be changed to 6%.

The Life commission will be 9% as per January 1st, 2007.

Bij brief aan [appellante] van 2 mei 2007 heeft Sagicor een en ander nader toegelicht.

2.6.

Sinds 2008 heeft Sagicor een commissie voor de group health polis van 6% van de jaarpremie aan [appellante] betaald.

2.7.

Bij e-mail van 4 juni 2014 heeft Sagicor onder meer aan [appellante] bericht:

Further to our meeting on Monday I write seeking confirmation of your agreement with the ANG61297.58 in commissions owed to you based on premiums received from UTS for the period 2006 to 2013.

2.8.

Bij e-mail van 5 juni 2014 heeft [appellante] aan Sagicor bericht:

(…) I can confirm that I agree on the amount of Ang 61297,58 based on the UTS group Health part, with exception of the bonuses part of the years 2007 and 2008 which according to my commission statements and the exercise done were not paid to me. These were the years in which bonuses were payable.

2.9.

Bij brief van 29 oktober 2015 heeft UTS aan Sagicor bericht, zakelijk weergegeven voor zover van belang, dat zij het contract (de polis) annuleert. Een van de redenen van de “pro forma cancellation” is de voortdurend stijgende kosten. Vervolgens heeft UTS een “Request for proposal” ingediend voor een verzekering per 1 januari 2016, waarin is aangegeven dat UTS alleen rechtstreeks met een verzekeringsmaatschappij zal contracteren en dat de verzekeringsmaatschappij “net rates” moet aanbieden, dus “premiums without commissions.”

2.10.

Sagicor heeft vervolgens een offerte aan UTS gedaan, waarin premies zijn berekend zonder commissies en bonussen voor de agent. Deze is door UTS geaccepteerd (alleen) voor wat betreft de ziektekosten. Sagicor en UTS zijn vervolgens een overeenkomst ten aanzien van de ziektekostenverzekering aangegaan voor de duur van drie jaren per 1 januari 2016.

2.11.

Sinds 1 januari 2016 heeft Sagicor geen commissie en bonus/winstdeling voor de UTS account aan [appellante] betaald.

3 De beoordeling

3.1.

In deze zaak is aanvankelijk NAf 900,- griffierecht geheven en betaald. Kort voor de geplande behandeling op 5 september 2017 is aan [appellante] bericht dat te weinig griffierecht was betaald. Dit heeft geleid tot een verzetprocedure waarin is beslist dat NAf 4.670,- diende te worden nabetaald. Die nabetaling heeft plaatsgevonden. De stelling van Sagicor dat het beroep vervallen moet worden verklaard, nu de betaling van het nageheven griffierecht heeft plaatsgevonden na afloop van de ingevolge art. 270 lid 5 en art. 429o lid 1 Rv geldende termijn, vindt geen steun in het recht en wordt dus verworpen.

3.2.

Het Gerecht heeft geoordeeld dat van een dienstbetrekking tussen Sagicor en [appellante] geen sprake is. Het heeft daarvoor van belang geacht dat partijen bij het aangaan van de rechtsverhouding geen arbeidsovereenkomst voor ogen stond (rov. 4.3); dat de vergoedingen in de vorm van commissies duiden op beloning op basis van een agentuurovereenkomst en niet op loon op basis van een arbeidsovereenkomst (rov. 4.4); en dat van een gezagsverhouding als bedoeld in artikel 7A:1613a BW geen sprake is (rov. 4.5).

3.3.

Tegen dit oordeel is grief 1 gericht. Aangevoerd wordt dat wel degelijk sprake is van een gezagsverhouding, nu [appellante] op grond van artikel 11 van de overeenkomst geen producten van andere verzekeringsmaatschappijen mag verkopen, dat haar werkzaamheden niet beperkt zijn tot het verkopen van de polissen maar dat zij de contactpersoon blijft voor de klanten die zij binnenhaalt, dat zij haar werkzaamheden vanuit het kantoor van Sagicor verricht, dat zij verplicht is cursussen bij et wonen, zich ziek te melden en vakantiedagen moet opnemen. Bovendien houdt Sagicor loonbelasting en sociale premies in op de betalingen aan [appellante] en draagt zij bij aan haar pensioenopbouw. Als [appellante] niet presteert wordt de overeenkomst beëindigd.

3.4.

Het Hof is net als het Gerecht van oordeel dat van een civielrechtelijke arbeidsovereenkomst geen sprake is. Het sluit zich aan bij de overwegingen van het Gerecht en maakt die tot de zijne. Daaraan wordt nog het volgende toegevoegd.

3.5.

De omstandigheid dat het [appellante] op grond van de overeenkomst niet vrijstond om producten van andere verzekeraars te verkopen brengt, noch op zichzelf noch in samenhang met de overige feiten mee dat van een gezagsverhouding in arbeidsrechtelijke zin sprake was. Ook het gegeven dat de werkzaamheden van [appellante] niet beperkt waren tot bemiddeling bij het afsluiten van polissen, maar dat zij ook daarna betrokken bleef bij het onderhoud van de relatie met de klant, is niet kenmerkend voor een arbeidsovereenkomst. Dit zijn (eveneens) gebruikelijke werkzaamheden voor een agent bij de uitvoering van een agentuurovereenkomst dan wel een assurantiebemiddelingsovereenkomst in de zin van art.7:428 BW.

3.6.

Het feit dat Sagicor aan [appellante] kantoorruimte en –materialen ter beschikking stelt is evenmin doorslaggevend. Ter zitting heeft [appellante] desgevraagd verklaard dat er geen consequenties zijn als zij niet op kantoor verschijnt wegens ziekte of vakantie, al wil het Hof wel aannemen dat zij dit wel aan Sagicor doorgeeft. Zij heeft verklaard dat zij periodiek gesprekken heeft met haar branch manager over haar targets, dat zij zelf beslist waar zij op zoek gaat naar klanten en dat er geen promotiemogelijkheden zijn. Al met al zijn de door [appellante] aangevoerde omstandigheden onvoldoende om te oordelen dat tussen haar en Sagicor een gezagsverhouding bestaat in de zin van art. 7A:1613a BW of dat zij ondergeschikt is aan Sagicor als bedoeld in art. 7:428 lid 1 BW.

3.7.

Aangenomen moet worden dat Sagicor loonbelasting en sociale premies inhoudt op de beloningen van [appellante], omdat de rechtsverhouding tussen [appellante] en Sagicor op de voet van art. 3 lid 2 onder c van de Landsverordening op de Loonbelasting 1976 wordt gelijkgesteld met een dienstbetrekking. Dit brengt niet mee dat ook in civielrechtelijke zin sprake is van een arbeidsovereenkomst noch dat Sagicor de rechtsverhouding als zodanig heeft getypeerd. Het gegeven dat zowel Sagicor als [appellante] zelf bijdragen aan haar pensioenopbouw is in het geheel van omstandigheden eveneens van onvoldoende gewicht om die conclusie te rechtvaardigen.

3.8.

Grief 1 wordt verworpen.

3.9.

Grief 2 en het eerste onderdeel van 3 zijn gericht tegen de afwijzing door het Gerecht van de vordering van [appellante] die is gebaseerd op haar stelling dat Sagicor in strijd met de (oorspronkelijke) afspraak 6% in plaats van 7% commissie heeft uitgekeerd op de door UTS betaalde premies voor de ziektekostenverzekering.

3.10

Het Gerecht heeft de vordering die strekt tot betaling van 1% van de bedoelde premies afgewezen op de grond dat artikel 4 van de overeenkomst meebrengt dat Sagicor het tarief van de commissie bepaalt en dat Sagicor op grond van de overeenkomst bevoegd is de hoogte van de commissie te wijzigen.

3.11.

Vast staat dat Sagicor in het eerste jaar van de looptijd van de ziektekostenverzekering van UTS (2006) aan [appellante] een commissie heeft uitgekeerd van 7% van de door UTS voor dat jaar betaalde premies. Bij brief van 2 april 2007 heeft Sagicor aan [appellante] bericht dat dit percentage met ingang van 2007 zou worden verlaagd naar 6%.

3.12. [

appellante] heeft ter onderbouwing van haar stelling dat voor de UTS ziektekostenverzekering een commissie van 7% gold verwezen naar een “Schedule of Commissions” (productie 3 bij inleidend verzoekschrift). Die vermeldt inderdaad een commissie van 7% van de jaarlijks ontvangen premies. Het valt op dat dit schema is gedateerd 23 januari 2015, maar van de kant van Sagicor is niet aangevoerd dat dit percentage in 2006 en latere jaren niet gold, laat staan dat zij een gelijksoortig document met andere percentages heeft ingebracht. Verder in aanmerking genomen dat in 2006 daadwerkelijk het percentage van 7% is toegepast door Sagicor, gaat het Hof er dan ook van uit dat dit ook destijds het geldende percentage voor deze commissie was.

3.13.

Sagicor heeft aangevoerd dat zij op grond van artikel 4 van de overeenkomst bevoegd was de commissie van 7% naar 6% te verlagen en dat het gebruikelijk is dat een deel van de commissie aan het management van Sagicor toekomt in de vorm van een zogenoemde override bonus.

3.14.

Nu, zoals gezegd, moet worden aangenomen dat in 2006 op basis van geldend intern beleid aan [appellante] een commissie van 7% van de premies is toegekend, mag er tevens van worden uitgegaan dat dit percentage door Sagicor is vastgesteld met gebruikmaking van de haar op grond van artikel 4 van de overeenkomst toekomende bevoegdheid. Een redelijke uitleg van artikel 4 van de overeenkomst kan er, bijzondere omstandigheden daargelaten, naar het oordeel van het Hof niet toe leiden dat Sagicor dit percentage geheel naar eigen inzicht in daarop volgende jaren mag wijzigen. Als onvoldoende weersproken staat vast dat de verlaging van de commissie van [appellante] met 1% ten goede is gekomen aan de branch manager, Robert Abraham, die kennelijk ook degene was die tot verlaging van de commissie heeft besloten. Dat het gebruikelijk zou zijn om een deel van de op grond van het geldende beleid en gemaakte afspraken aan een agent toegekende commissie in een daarop volgend jaar aan ‘het management’ toe te kennen, is in het geheel niet onderbouwd en ook op zichzelf onredelijk. Ook de stelling van Sagicor dat de verlaging van de commissie van 7% naar 6% voor alle agents is doorgevoerd heeft zij niet onderbouwd. Dit is ook in strijd met het in 3.12 bedoelde schema. Dat [appellante] met die verlaging van haar commissie redelijkerwijs rekening diende te houden kan dan ook niet worden volgehouden. Andere omstandigheden die een verlaging van de commissie rechtvaardigden zijn door Sagicor niet naar voren gebracht. Een en ander brengt mee dat [appellante] terecht aanspraak heeft gemaakt op een commissie van 7% van de premies voor de ziektekostenverzekering.

3.15. [

appellante] heeft gesteld dat haar als gevolg van de onterechte verlaging van de commissie voor de ziektekostenverzekering nog een bedrag van NAf 166.414,53 toekomt. Dit bedrag is op zichzelf niet bestreden door Sagicor.

3.16.

Wel heeft Sagicor een beroep gedaan op verjaring van deze vordering. Zij heeft gesteld dat [appellante] pas eind 2013 een e-mail heeft gestuurd waarin zij erover klaagt dat haar commissie is verlaagd. [appellante] heeft hier tegenover gesteld dat zij al direct bij brieven van 12 april 2007 en 25 mei 2007 heeft geprotesteerd tegen de verlaging van onder meer deze commissie en dat zij in de daarop volgende jaren voortdurend bij Sagicor heeft aangedrongen op duidelijkheid, die steeds niet is gekomen. Uiteindelijk heeft [appellante] bij e-mail van 20 september 2013 (nogmaals) uitdrukkelijk haar beklag gedaan over de in haar ogen onterechte verlaging van de commissie van 7% naar 6%. Tussen partijen is niet in geschil dat deze laatste e-mail als een stuitingshandeling moet worden aangemerkt. Het Hof sluit zich aan bij dit eensluidende standpunt van partijen. Aan de orde is of deze stuitingshandeling tijdig is verricht.

3.17.

De vordering van [appellante] heeft betrekking op de commissie over de jaren 2008 tot en met 2013. Het betreft een vordering tot nakoming van een verbintenis. De verjaringstermijn van die vordering gaat lopen op het moment van opeisbaar worden van de vordering (art. 3:307 lid 1 BW). Het staat vast dat de commissies berekend werden over de totale som van de in een jaar betaalde premies. Dit bedrag kan pas na ommekomst van het betreffende jaar worden vastgesteld, zodat moet worden aangenomen dat de vordering na ommekomst van dat jaar opeisbaar werd. Hieruit volgt dat de vordering tot betaling van de (volledige) commissie over het jaar 2008 op zijn vroegst op 1 januari 2009 opeisbaar is geworden, zodat ook de verjaringstermijn niet eerder dan op die datum is gaan lopen en dus niet eerder afliep dan op 1 januari 2014. Nu de verjaring op 20 september 2013 is gestuit was dit tijdig. Dit geldt uiteraard ook voor de daarop volgende jaren.

3.18.

Sagicor heeft zich nog verweerd door te stellen dat partijen in 2014 een nadere overeenkomst hebben bereikt over de hoogte van de commissie van [appellante], die heeft uitgemond in een nabetaling van NAf 61.297,58. [appellante] heeft dit betwist en aangevoerd dat in deze overeengekomen nabetaling wel achterstallige betalingen van de 6%-commissie waren begrepen, maar dat van een schikking over de korting van de commissie van 7% naar 6% geen sprake was. [appellante] heeft dit onderbouwd door te verwijzen naar haar e-mail van 5 juni 2014, waarin zij vermeldt dat de nabetaling geen betrekking heeft op bonussen 2007 en 2008. Daarnaast heeft zij erop gewezen dat bij de berekening van het bedrag dat is nabetaald, is uitgegaan van een commissie van 6% en niet van 7%.

3.19.

Sagicor kon uit de mail van 5 juni 2014 niet afleiden dat [appellante] haar aanspraak op de 1% commissie geheel had prijsgegeven. Zij streed al jaren voor die commissie en dat was Sagicor ook bekend. Weliswaar maakte [appellante] in haar mail geen expliciet voorbehoud voor die commissie maar dat rechtvaardigt niet de conclusie dat zij daar geen aanspraak meer op maakte. In dit verband weegt mee dat in de nabetaling geen gedeeltelijke vergoeding van die 1% commissie is begrepen en dat door Sagicor niet is gesteld dat in het gesprek tussen [appellante] en K. Howell, dat aan de e-mailwisseling is voorafgegaan, was overeengekomen dat de 1% commissie onderdeel was van de afspraak. Ook dit verweer wordt verworpen.

3.20.

Dit betekent dat de vordering van NAf 166.414,53 toewijsbaar is. De wettelijke rente is op zich zelf niet betwist en dus eveneens toewijsbaar. Nu [appellante] geen datum heeft gesteld waarop de wettelijke rente is gaan lopen, zal deze worden toegewezen met ingang van de datum van het inleidend verzoekschrift, 20 september 2016. De vordering ex art. 7A:1614q BW wordt afgewezen omdat geen sprake is van een arbeidsovereenkomst.

3.21.

Grief 4 is gericht tegen de afwijzing van de vordering tot uitbetaling van de achterstallige bonussen over de jaren 2007 en 2011 tot een totaalbedrag van NAf 79.061,28 (het oorspronkelijk onder D gevorderde bedrag van NAf 112.175,40 min het toegewezen bedrag NAf 33.114,12).

3.22.

De grief dat [appellante] de verjaring van de vordering tot betaling van de bonus over 2007 mondeling heeft gestuit wordt verworpen. Niet alleen heeft [appellante] deze stelling niet geconcretiseerd noch onderbouwd, ook geldt dat een stuiting schriftelijk moet geschieden (art. 3:317 lid 1 BW).

3.23.

Ten aanzien van de bonus over 2011, sluit het Hof zich aan bij de overwegingen van het Gerecht. Nu [appellante] in de e-mail van 5 juni 2014 wel haar recht op betaling van de bonus voor 2007 en 2008 heeft voorbehouden maar niet die voor 2011 mocht Sagicor ervan uitgaan dat zij die vordering had prijsgegeven. Anders dan voor de verlaging van de commissie geldt voor de bonussen niet dat zij al jaren voor uitbetaling daarvan streed.

3.24.

Het tweede onderdeel van grief 3 is gericht tegen het oordeel van het Gerecht dat Sagicor niet onrechtmatig heeft gehandeld jegens [appellante] door in te stemmen met beëindiging van de lopende polissen van UTS en het afsluiten van een gewijzigde ziektekostenverzekering waarbij [appellante] geen aanspraak meer kon maken op commissies en bonussen.

3.25.

Het Hof is evenals het Gerecht van oordeel dat van onrechtmatig handelen van Sagicor jegens [appellante] geen sprake is. Het maakt de overwegingen van het Gerecht waarop dit oordeel berust, rov. 4.10 en 4.11 van de bestreden beschikking, tot de zijne. Daaraan wordt het volgende toegevoegd.

3.26. [

appellante] heeft in hoger beroep naar voren gebracht dat zij UTS als klant heeft aangebracht na een lange voorbereiding, dat zij voor een groot deel van haar inkomen afhankelijk was van de commissies en bonussen van de UTS-verzekeringen, dat zij gedurende jaren UTS als klant van Sagicor heeft bediend en dat de UTS-polissen ook voor Sagicor erg winstgevend zijn geweest. Zij betoogt terecht dat Sagicor gelet op (onder meer) deze omstandigheden in haar onderhandelingen met UTS rekening moest houden met de belangen van [appellante].

3.27. [

appellante] heeft gesteld dat Sagicor haar heeft benadeeld door haar samen met UTS bewust buiten spel te zetten. Zij heeft deze stelling tegenover de betwisting van Sagicor echter onvoldoende onderbouwd. Bij brief van 29 oktober 2015 heeft UTS de polissen met Sagicor opgezegd, waartoe zij contractueel bevoegd was. UTS heeft in die brief aangegeven dat de steeds stijgende kosten van de verzekeringen daarvoor de reden waren. Vervolgens heeft UTS een tender uitgeschreven waarop geïnteresseerde verzekeraars konden inschrijven. Een van de voorwaarden van UTS was dat de geoffreerde premies geen commissies mochten bevatten. Voor zover [appellante] heeft bedoeld te stellen dat UTS met Sagicor onder een hoedje heeft gespeeld en dat zij samen de opzegging en voorwaarden voor de nieuwe polissen hebben bedacht met het doel om zich van [appellante] te kunnen ontdoen, wordt deze stelling bij gebrek aan onderbouwing verworpen.

3.28. [

appellante] wordt niet gevolgd in haar betoog dat de werknemers van UTS bij beëindiging van de ziektekostenverzekering direct onder de basisverzekering ziektekosten (BZV) zouden gaan vallen, omdat art. 2 lid 2 sub a van de Landsverordening BZV bepaalt dat de particuliere verzekering niet mag worden onderbroken. Naar het oordeel van het Hof kan die bepaling niet zo worden uitgelegd dat dezelfde polis onder dezelfde voorwaarden bij dezelfde verzekeraar moet doorlopen. In ieder geval ontbreken aanwijzingen dat UTS en / of Sagicor van die uitleg zijn uitgegaan.

3.29.

Sagicor werd dus door UTS voor het blok werd gezet: het verliezen van UTS als klant of het aangaan van polissen op gewijzigde voorwaarden zonder commissie voor [appellante] of een andere tussenpersoon. Onder die omstandigheden ontbrak het Sagicor aan mogelijkheden om, meer dan zij heeft gedaan, rekening te houden met de belangen van [appellante]. Van onrechtmatig handelen of wanprestatie jegens [appellante] is dan ook geen sprake. Voor toekenning van een klantenvergoeding op grond van (analoge toepassing van) art. 7:442 lid 1 onder a bestaat onder deze omstandigheden ook geen aanleiding.

3.30.

Grief 5 is gericht tegen de afwijzing van de buitengerechtelijke incassokosten. Deze grief faalt. Ook in hoger beroep heeft [appellante] onvoldoende gesteld om te kunnen vaststellen dat zij kosten heeft gemaakt die niet zijn begrepen in een proceskostenvergoeding.

3.31.

De slotsom is dat de bestreden beschikking zal worden vernietigd voor zover de vordering van [appellante] tot betaling van NAf 166.414,53 is afgewezen, dat deze vordering alsnog zal worden toegewezen en dat het vonnis voor het overige zal worden bevestigd.

3.32

De proceskosten in hoger beroep zullen worden gecompenseerd, nu beide partijen gedeeltelijk in het ongelijk zijn gesteld.

4 De beslissing

Het Hof:

- vernietigt de bestreden beschikking voor zover de vordering van [appellante] tot betaling door Sagicor van NAf 166.414,53 is afgewezen;

- veroordeelt Sagicor tot betaling aan [appellante] van NAf 166.414,53, te vermeerderen met wettelijke rente vanaf 20 september 2016;

- verklaart deze veroordeling uitvoerbaar bij voorraad;

- bevestigt de bestreden beschikking voor het overige;

- compenseert de proceskosten in hoger beroep, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.

Deze beschikking is gegeven door mrs. H.J. Fehmers, E.A. Saleh en J. de Boer, leden van het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba en ter openbare terechtzitting van het Hof in Curaçao uitgesproken op 9 april 2019 in tegenwoordigheid van de griffier.