Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:OGHACMB:2019:8

Instantie
Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba
Datum uitspraak
22-01-2019
Datum publicatie
04-02-2019
Zaaknummer
AUA201803003 – AUA2018H00186
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Beschikking
Inhoudsindicatie

Afwijzing verlof beslag, hoger beroep, vorderingsrecht summierlijk gebleken, intreden ontbindende voorwaarde, afscheidsbeleid

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Burgerlijke zaken over 2019

Registratienummer: AUA201803003 – AUA2018H00186

Uitspraak: 22 januari 2019

GEMEENSCHAPPELIJK HOF VAN JUSTITIE

van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en

van Bonaire, Sint Eustatius en Saba

B E S C H I K K I N G

in de zaak van:

de vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

OCEAN ECO CLEANING AND SUPPLIES VBA,

gevestigd in Aruba,

oorspronkelijk verzoekster,

thans appellante,

gemachtigden: mrs. M. Bemer en J.J. Steward,

tegen

de openbare rechtspersoon

HET LAND ARUBA

zetelend in Aruba,

oorspronkelijk gerekestreerde,

thans geïntimeerde,

gemachtigde: A. Lumenier.

Partijen worden hierna Ocean Eco en het Land genoemd.

1. Het verloop van de procedure

1.1

Ocean Eco heeft bij verzoekschrift van 24 september 2018 verlof gevraagd voor het leggen van conservatoir leveringsbeslag op twee aan het Land toebehorende percelen grond, omschreven in meetbrief 49 van 26 oktober 2015, met opstal, en meetbrief 50 van 26 oktober 2015, met opstal (hierna: de percelen met opstallen). Het Gerecht in eerste aanleg van Aruba (hierna: het Gerecht) heeft het verzoek op 26 september 2018 afgewezen.

1.2

Van deze afwijzing is Ocean Eco bij beroepschrift van 3 oktober 2018 in beroep gekomen. Verzocht is om de bestreden beslissing van het Gerecht te vernietigen en het gevraagde verlof alsnog te verlenen.

1.3

Op 20 november 2018 heeft de mondelinge behandeling plaatsgevonden. Daar is mr. Bemer verschenen alsmede de heer Lumenier, bijgestaan door de heer

[naam 1], hoofd Directie Infrastructuur en Planning.

1.4

Beschikking is gevraagd en bepaald op heden.

2. De beoordeling

2.1

Het gaat in deze zaak kort gezegd om het volgende. Ocean Eco heeft met ingang van 1 december 2014 de in 1.1 vermelde percelen met op ieder perceel een woonhuis gehuurd. Bij overeenkomsten van 1 augustus 2017 (hierna: de overeenkomsten) heeft het Land zich verbonden om de percelen met opstallen in erfpacht uit te geven aan Ocean Eco tegen betaling van een koopsom voor de opstallen. In de overeenkomsten is bepaald dat deze worden geacht te zijn ontbonden indien de notariële aktes van erfpachtverlening niet binnen zes maanden na 1 augustus 2017 zijn verleden. Tot vandaag heeft het Land geen medewerking verleend aan het nakomen van de overeenkomsten. Het verlof strekt tot het leggen van conservatoir leveringsbeslag op de percelen met opstallen.

2.2

Het Gerecht heeft het verlof afgewezen omdat niet summierlijk is gebleken van aanspraak op uitgifte in erfpacht van de percelen met opstallen.

2.3

Het standpunt van het Land dat de percelen gelet op het bepaalde in artikel 436 Rv niet vatbaar zijn voor beslag wordt verworpen omdat is gesteld noch gebleken dat de percelen zijn bestemd voor de openbare dienst. In Aruba geldt de bepaling dat onroerende zaken die toebehoren aan de overheid worden geacht te zijn bestemd voor de openbare dienst (nog) niet.

2.4

Anders dan het Gerecht heeft geoordeeld en het Land in hoger beroep heeft betoogd, is summierlijk gebleken van het recht tot uitgifte in erfpacht van de percelen met opstallen aan Ocean Eco. De overeenkomsten verplichten het Land tot de uitgifte van de percelen in erfpacht. Op grond van artikel 6:23 lid 2 BW geldt bij een voorwaardelijke verbintenis, indien de redelijkheid en billijkheid dit verlangen, de voorwaarde als niet vervuld wanneer de partij die bij de vervulling belang had deze heeft teweeggebracht. Ocean Eco heeft onweersproken aangevoerd dat zij aan al haar verplichtingen uit de overeenkomsten heeft voldaan om tot uitgifte van de percelen in erfpacht over te kunnen gaan, dat de aktes tot uitgifte in erfpacht sinds 25 oktober 2017 bij de notaris liggen, dat zij het Land voor het verstrijken van de termijn van zes maanden meermaals heeft verzocht om aan de uitgifte mee te werken, maar dat het Land daar niet op heeft gereageerd. Het Land heeft beaamd dat de overeenkomsten met opzet niet zijn uitgevoerd. Het belang van het Land bij de vervulling van de voorwaarde is daarmee ook gegeven. Onder deze omstandigheden verlangen de redelijkheid en billijkheid dat de ontbindende voorwaarde als niet vervuld geldt.

2.5

Het Land heeft verder naar voren gebracht dat sprake zou zijn van zogenoemd afscheidsbeleid. Onderzoek naar door de voormalige Minister van Ruimtelijke Ontwikkeling, Infrastructuur en Integratie in erfpacht uitgegeven domeingronden zou aanleiding hebben gegeven tot nader onderzoek naar onregelmatigheden. Het Land is er vooralsnog echter niet in geslaagd deze onregelmatigheden zodanig te specificeren dat kan worden gezegd dat niet summierlijk van het door Ocean Eco gestelde vorderingsrecht is gebleken.

2.6

De volgende vraag is of voldoende is gebleken dat het beslag nodig is. Naar het oordeel van het Hof is dat niet het geval. Uit hetgeen door partijen in de stukken en ter zitting naar voren is gebracht kan wel worden afgeleid dat het Land zich oriënteert op de mogelijkheden van ontwikkeling van het gebied waar de percelen deel van uitmaken, maar concrete voornemens zijn er niet. Nu het hier overheidsgronden betreft is, hoewel zij niet voor de openbare dienst zijn bestemd, enige mate van terughoudendheid toch op zijn plaats. Van het Land mag worden verwacht dat het zijn verplichtingen, indien die eenmaal vast komen te staan, nakomt. Als de situatie wijzigt kan opnieuw een verzoek tot conservatoir beslag worden gedaan.

2.7

De bestreden beslissing zal worden bevestigd.

2.8

Voor een proceskostenveroordeling is geen aanleiding, nu niet blijkt dat het Land kosten voor beroepsmatig verleende rechtsbijstand heeft gemaakt.

B E S L I S S I N G

Het Hof bevestigt de bestreden beslissing.

Dit vonnis is gewezen door mrs. H.J. Fehmers, S.E. Sijsma en J. de Boer, leden van het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba en ter openbare terechtzitting van het Hof in Aruba uitgesproken op 22 januari 2019 in tegenwoordigheid van de griffier.