Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:OGHACMB:2019:79

Instantie
Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba
Datum uitspraak
19-02-2019
Datum publicatie
11-06-2019
Zaaknummer
AR 2016/2177 - AUA201600770 - AUA2017H00071
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

griffierecht te laat, niet verschoonbaar, beroep vervallen

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Burgerlijke zaken over 2019

Registratienummer: AR 2016/2177 - AUA201600770 - AUA2017H00071

Uitspraak: 19 februari 2019

GEMEENSCHAPPELIJK HOF VAN JUSTITIE

van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en

van Bonaire, Sint Eustatius en Saba

V O N N I S

in de zaak van:

de naamloze vennootschap

ARCHITECTUUR EN CONSTRUCTIEBEDRIJF ARCON N.V.,

gevestigd in Aruba,

oorspronkelijk gedaagde,

thans appellante,

gemachtigde: mr. R.J. Kock,

tegen

[GEÏNTIMEERDE],

wonend in Aruba,

oorspronkelijk eiser,

thans geïntimeerde,

gemachtigde: mr. D.W. Ormel.

Partijen worden hierna Arcon en [geïntimeerde] genoemd.

1 Het verloop van de procedure

1.1

Voor hetgeen in eerste aanleg is gesteld en gevorderd, voor de procesgang aldaar en voor de overwegingen en beslissingen van het Gerecht in eerste aanleg van Aruba (hierna: het Gerecht) wordt verwezen naar het tussen partijen in deze zaak gewezen vonnis van 28 juni 2017. De inhoud daarvan geldt als hier ingevoegd.

1.2

Bij akte van appel van 11 juli 2017 is Arcon van dit vonnis in hoger beroep gekomen. Het griffierecht is daarbij begroot op Afl. 4.480,-. Op 22 augustus 2018, dus tijdig, heeft Arcon grieven tegen het vonnis ingediend.

1.3

Vonnis is bepaald op heden.

2 De beoordeling

2.1

Arcon heeft niet binnen zes weken na instellen van het appel griffierecht betaald. Bij brief van 22 september 2017 heeft de griffier van het Hof aan Arcon bericht dat geen memorie van grieven was ingediend, het verschuldigde griffierecht niet was betaald, zodat het hoger beroep ingevolge art. 270 lid 5 BW was vervallen. Arcon is in de gelegenheid gesteld zich uit te laten indien zij zich niet met de vervallenverklaring kon verenigen.

2.2

Bij brief van 26 september 2017 heeft de gemachtigde van Arcon aan de griffier laten weten dat de memorie van grieven tijdig was ingediend, dat Arcon op de dag van indiening van de memorie van grieven niet over voldoende geld beschikte om het griffierecht te betalen, dat hij om een kort betaaluitstel had verzocht en dat het griffierecht ‘met uw goedkeuring’ alsnog kon worden voldaan.

2.3

Op 27 september 2017 heeft de gemachtigde van Arcon aan de griffie een
e-mail gestuurd met daarin een bewijs dat hij het griffierecht van Afl. 4.480,- had overgemaakt naar het Hof. De griffie heeft terug bericht dat het griffierecht op 2 oktober 2017 nog niet was ontvangen.

2.4

Bij e-mail van 9 januari 2019 heeft de gemachtigde van Arcon deze gang van zaken op een rij gezet. Daaraan heeft hij toegevoegd dat de overboeking van het griffierecht op 27 september 2017 niet succesvol was, dat het verschuldigde bedrag nogmaals is overgemaakt en dat het op 4 oktober 2017 van zijn rekening is afgeschreven. Hij heeft verzocht dat de zaak alsnog in behandeling wordt genomen door het Hof.

2.5

Op 9 januari 2019 heeft het Gerecht opdracht gegeven tot betekening van de memorie van grieven aan [geïntimeerde]. De gemachtigde van [geïntimeerde] heeft vervolgens verzocht dat eerst op het punt van de betaling van griffierecht wordt beslist.

2.6

Het bedrag van Afl. 4.480,- is op 5 oktober 2017 op de rekening van het Hof bijgeschreven.

2.7

Het verschuldigde griffierecht dient binnen zes weken na indiening van het hoger beroep te zijn voldaan. Indien dit achterwege blijft dan vervalt het hoger beroep, zo bepaalt artikel 270 lid 5 Rv. Het betreft een wettelijke termijn die van openbare orde is en een eveneens wettelijk voorgeschreven sanctie. Het buiten toepassing laten van deze regel gebeurt alleen in uitzonderingsgevallen en met terughoudendheid. Het Hof ziet daartoe in de omstandigheden van het geval geen aanleiding.

2.8

Arcon heeft gesteld dat zij om een kort betalingsuitstel heeft verzocht, niet dat dit aan haar zou zijn verleend. Dat laatste ligt ook niet voor de hand omdat griffiemedewerkers dit uitstel niet op eigen gezag mogen verlenen. Aangenomen moet dan ook worden dat het verzoek van de gemachtigde heeft bestaan uit een mededeling dat hij het griffierecht later zou betalen. Hij heeft daar vervolgens mee gewacht totdat hij de brief van het Hof van 22 september 2017 ontving. De reden voor de late betaling was volgens Arcon dat zij eerder niet over het verschuldigde bedrag beschikte. Dit levert geen verschoonbare termijnoverschrijding op. Het niet beschikken over het verschuldigde bedrag zal naar de aard van de zaak al niet snel verschoonbaar zijn, maar in dit geval ontbreekt ook nog iedere uitleg daarvoor, terwijl Arcon wel in de gelegenheid is gesteld die te geven.

2.9

Gesteld noch gebleken is dat de griffier naar aanleiding van de brief van 26 september 2017 (zie 2.2) aan de gemachtigde van Arcon ‘goedkeuring’ zou hebben gegeven om het griffierecht over te maken of dat hij anderszins de indruk zou hebben gewekt dat de termijnoverschrijding verschoonbaar was. Integendeel, de gemachtigde heeft de volgende dag kennelijk op eigen initiatief de betaalopdracht gegeven.

2.10

Hieruit volgt dat het griffierecht te laat is betaald, dat dit niet verschoonbaar is en dat het hoger beroep vervallen moet worden verklaard.

B E S L I S S I N G

Het Hof:

- verklaart het hoger beroep vervallen.

Dit vonnis is gewezen door mrs. H.J. Fehmers, F.W.J. Meijer en J. de Boer, leden van het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba en ter openbare terechtzitting van het Hof in Aruba uitgesproken op 19 februari 2019 in tegenwoordigheid van de griffier.