Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:OGHACMB:2019:71

Instantie
Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba
Datum uitspraak
22-02-2019
Datum publicatie
11-06-2019
Zaaknummer
AR 92/2016 - SXM2016H00047
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

intrekking hoger beroep, niet-ontvankelijk, proceskosten

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Burgerlijke zaken over 2019

Registratienummer: AR 92/2016 - SXM2016H00047

Uitspraak: 22 februari 2019

GEMEENSCHAPPELIJK HOF VAN JUSTITIE

van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en

van Bonaire, Sint Eustatius en Saba

V O N N I S

in de zaak van:

de besloten vennootschap

BALLERINA JEWELRY B.V.,

gevestigd in Sint Maarten,

oorspronkelijk gedaagde / oppossante,

thans appellante,

gemachtigde: mr. J.G. Snow,

tegen

1 [geïntimeerde sub 1],

2. [geïntimeerde sub 2],

wonend in de Verenigde Staten van Amerika,

oorspronkelijk eisers / geopposeerden,

thans geïntimeerde,

gemachtigde: mr. D.C. Daal.

Partijen worden hierna Ballerina en [geïntimeerde] c.s. genoemd.

1 Het verloop van de procedure

1.1

Voor hetgeen in eerste aanleg is gesteld en gevorderd, voor de procesgang aldaar en voor de overwegingen en beslissingen van het Gerecht in eerste aanleg van Sint Maarten (hierna: het Gerecht) wordt verwezen naar het tussen partijen in deze zaak gewezen vonnis van 18 oktober 2016. De inhoud daarvan geldt als hier ingevoegd.

1.2

Bij akte van appel van 1 november 2016 is Ballerina van dit vonnis in hoger beroep gekomen. Bij op 13 december 2016 ingekomen memorie van grieven heeft zij grieven tegen het vonnis aangevoerd en toegelicht. Haar conclusie strekt ertoe dat het Hof het bestreden vonnis zal vernietigen en de vorderingen van [geïntimeerde] c.s. zal afwijzen, met veroordeling van [geïntimeerde] c.s. in de proceskosten in beide instanties, uitvoerbaar bij voorraad.

1.3 [

geïntimeerde] c.s. hebben op 14 maart 2017 een memorie van antwoord ingediend. Hun conclusie strekt ertoe dat Ballerina niet-ontvankelijk wordt verklaard in het hoger beroep, althans dat het vonnis van het Gerecht wordt bevestigd.

1.4

Op de rolzitting van 5 oktober 2018 heeft Ballerina bericht dat zij het hoger beroep intrekt. Op dezelfde zitting hebben [geïntimeerde] om een proceskostenveroordeling gevraagd en heeft Ballerina op dat verzoek gereageerd.

1.5

Vonnis is gevraagd en bepaald op heden.

2. De beoordeling

2.1

Het gaat in deze zaak om het volgende. [geïntimeerde] c.s. hebben bij inleidend verzoekschrift van 5 augustus 2016 een vordering tegen Ballerina ingesteld. Op de rolzitting van het Gerecht van 6 september 2016 is aan Ballerina, die tot dat moment niet was verschenen, verstek verleend. Op 7 september 2016 heeft mr. Snow zich alsnog gesteld namens Ballerina en bericht dat zijn cliënt zal verschijnen en van antwoord wil dienen. De ontvangst van de mail is door het Gerecht bevestigd. Bij vonnis van 18 oktober 2016 heeft het Gerecht de vordering van [geïntimeerde] c.s. niettemin bij verstek toegewezen. Ballerina is daartegen in verzet gekomen.

2.2

Hangende het verzet is een executiekortgeding aanhangig gemaakt door Ballerina, waarin zij een verbod op de executie van het verstekvonnis vorderde. Deze vordering is bij kortgedingvonnis van het Gerecht van 4 november 2016 toegewezen, waaraan onder meer ten grondslag is gelegd dat de zaak ten onrechte bij verstek is afgedaan als gevolg van een fout van het Gerecht.

2.3

In de verzetprocedure heeft het Gerecht Ballerina ontvankelijk geacht op de grond dat de omstandigheid dat ten onrechte een verstekvonnis is gewezen niet meebrengt dat het vonnis geldt als op tegenspraak gewezen. Na bewijslevering heeft het Gerecht bij vonnis van 16 mei 2017 de vordering van [geïntimeerde] c.s. afgewezen. Tegen dit vonnis hebben [geïntimeerde] c.s. geen hoger beroep ingesteld.

2.4

Inmiddels had Ballerina ook het onderhavige hoger beroep ingesteld tegen het verstekvonnis. Daaraan heeft zij ten grondslag gelegd dat het Gerecht de zaak ten onrechte bij verstek had afgedaan. Nadat Ballerina (onherroepelijk) in het gelijk was gesteld door het Gerecht in de verzetprocedure heeft zij dit hoger beroep ingetrokken.

2.5

Nu Ballerina te kennen heeft gegeven het hoger beroep te willen intrekken, komt het Hof op processuele gronden niet toe aan een behandeling van de zaak ten principale. Dit moet leiden tot niet-ontvankelijk verklaring van Ballerina in het hoger beroep (vergelijk: HR 8 juli 2011, ECLI:NL:HR:2011:BQ0505 en HR 9 juli 2010, ECLI:NL:HR:2010:BM2337).

2.6

Het Hof zal Ballerina veroordelen in de proceskosten van [geïntimeerde] c.s. in hoger beroep. Het is voorstelbaar dat Ballerina als gevolg van de handelwijze van het Gerecht in onzekerheid verkeerde over het rechtsmiddel dat zij diende in te stellen tegen het vonnis van 18 oktober 2016 en dat zij ervoor heeft gekozen om beide wegen te bewandelen. Dat, zoals Ballerina nog heeft gesteld, [geïntimeerde] c.s. niet wilden meewerken aan zuivering van het verstek zodat het (mede) aan hen te wijten is geweest dat het Gerecht het verstek niet heeft gezuiverd, valt niet in te zien, nu de instemming van [geïntimeerde] c.s. voor de zuivering noch vereist noch van belang is. Dit brengt mee dat niet is gebleken dat [geïntimeerde] c.s. hebben bijgedragen aan instelling van het hoger beroep en/of de voortzetting daarvan tot het moment van intrekking. Onder deze omstandigheden is een veroordeling van Ballerina in de proceskosten van [geïntimeerde] c.s. in hoger beroep op haar plaats.

3. Beslissing

Het Hof:

- verklaart Ballerina niet-ontvankelijk in het hoger beroep;

- veroordeelt Ballerina in de proceskosten in hoger beroep van [geïntimeerde] c.s., tot op heden begroot op en NAf 321,50 aan betekeningskosten en NAf 5.000,- aan gemachtigdensalaris (2 punten maal tarief 6).

Dit vonnis is gewezen door mrs. H.J. Fehmers, F.W.J. Meijer en J. de Boer, leden van het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba en ter openbare terechtzitting van het Hof in Sint Maarten uitgesproken op 22 februari 2019 in tegenwoordigheid van de griffier.