Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:OGHACMB:2019:63

Instantie
Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba
Datum uitspraak
22-02-2019
Datum publicatie
11-06-2019
Zaaknummer
KG 20/2017 - SXM201700202 - SXM2017H00148
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep kort geding
Inhoudsindicatie

land v point blanche inmates association collectieve actie vooroverleg 305a van boek 3 BW

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Burgerlijke zaken 2019 Vonnis no.

Registratienummer: KG 20/2017 - SXM201700202 - SXM2017H00148

Uitspraak: 22 februari 2019

GEMEENSCHAPPELIJK HOF VAN JUSTITIE

van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en

van Bonaire, Sint Eustatius en Saba

VONNIS IN KORT GEDING

in de zaak van:

de publiekrechtelijke rechtspersoon HET LAND SINT MAARTEN,

zetelend in Sint Maarten,

hierna te noemen: het Land,

oorspronkelijk gedaagde, thans appellant,

gemachtigden: mrs. R.F. Gibson en A.A. Kraaijeveld,

tegen

de vereniging POINT BLANCHE INMATES ASSOCIATION,

gevestigd in Sint Maarten,

hierna te noemen: de vereniging,

oorspronkelijk eiseres, thans geïntimeerde,

gemachtigde: mr. S.D.M. Roseburg.

1 Het verloop van de procedure

1.1.

Voor hetgeen in eerste aanleg is gesteld en gevorderd, voor de procesgang aldaar en voor de overwegingen en beslissingen van het Gerecht in eerste aanleg van Sint Maarten (GEA), wordt verwezen naar het tussen partijen in kort geding uitgesproken vonnis van 31 maart 2017. De inhoud van dit vonnis geldt als hier ingevoegd.

1.2.

Het Land is bij akte van appel op 20 april 2017 in hoger beroep gekomen van voornoemd vonnis. In een op 10 mei 2017 ingediende memorie van grieven heeft het Land zes grieven voorgedragen en geconcludeerd dat het Hof het bestreden vonnis zal vernietigen en opnieuw rechtdoende de verenging alsnog niet-ontvankelijk zal verklaren, althans de vorderingen van de vereniging zal afwijzen, met veroordeling van de vereniging in de kosten van de procedure in beide instanties.

1.3.

De vereniging heeft geen memorie van antwoord ingediend.

1.4.

Op 5 oktober 2018, de voor schriftelijk pleidooi bepaalde dag, hebben de gemachtigden van partijen schriftelijke pleitnotities ingediend.

1.5.

Vonnis is nader bepaald op heden.

2 De ontvankelijkheid in het hoger beroep

Het Land is tijdig en op de juiste wijze in hoger beroep gekomen en kan daarin worden ontvangen.

3 De grieven

Voor de grieven wordt verwezen naar de memorie van grieven.

4 Beoordeling

4.1.

Het gaat hier om een door de vereniging aangespannen groepsactie als bedoeld in artikel 3:305a BW, waarvan lid 1 luidt:

1. Een stichting of een vereniging kan een rechtsvordering instellen die strekt tot bescherming van gelijksoortige belangen van andere personen, voor zover zij deze belangen ingevolge haar statuten behartigt.

4.2.

De vereniging heeft ten behoeve van de gedetineerden in Sint Maarten gevorderd dat een groot aantal (15) bevelen wordt gegeven aan het Land, onder straffe van een dwangsom, ter verbetering van de leefomgeving van de gedetineerden. Het GEA heeft een deel van de vorderingen toegewezen. Hiertegen richt zich het hoger beroep van het Land.

4.3.

De eerste grief van het Land houdt in dat de vereniging niet tevoren overleg gevoerd heeft en daarom niet-ontvankelijk moet worden verklaard.

4.4.

Lid 2 van artikel 3:305a BW luidt:

2. De rechtspersoon is niet ontvankelijk, indien hij in de gegeven omstandigheden onvoldoende heeft getracht het gevorderde door het voeren van overleg met de opgeroepene te bereiken.

4.5.

Bij de totstandkoming van deze bepaling is opgemerkt (De Parlementaire Geschiedenis van het Nederlands Antilliaanse (nieuw) Burgerlijk Wetboek, red. M.F. Murray, 2005, p. 514):

In het tweede lid wordt voor de ontvankelijkheid van de collectieve actie nog een tweede vereiste gesteld: de organisatie moet hebben gepoogd haar doel door overleg met de opgeroepene te bereiken - aldus kan zij aantonen dat zij ook feitelijk ter bescherming van de door haar geformuleerde belangen optreedt, zoals het eerste lid verlangt. Dat deze eis wordt gesteld is niet onredelijk: organisaties moeten in het algemeen trachten hun doeleinden eerst langs minnelijke weg te verwezenlijken.

4.6.

De grief slaagt. De vereniging stelt dat er meerdere malen overleg is geweest met vertegenwoordigers van het Land over de situatie binnen de penitentiaire inrichting, maar dat ondanks herhaalde beloften en toezeggingen tot op heden geen sprake is van enige verbetering. Het voorgeschreven overleg ex artikel 3:305 lid 2 BW betreft echter (voldoende) vooroverleg tussen partijen over het door de vereniging gevorderde in de rechtszaak die de vereniging heeft aangespannen tegen het Land. Niet weersproken is door de vereniging dat geen dergelijk overleg is gevoerd. Niet kan worden gezegd dat dit overleg zinloos zou zijn geweest of niet van de vereniging kon worden gevergd of dat het Land op het ontbreken van overleg in redelijkheid geen beroep kan doen. Het Land heeft gesteld ten tijde van het aanspannen door de vereniging van het kort geding bezig te zijn met het ontwikkelen van een plan tot verbetering van de situatie in de gevangenis, in samenspraak met de Raad voor de Rechtshandhaving, het Openbaar Ministerie, de reclassering, de Voogdijraad, het Korps Politie Sint Maarten en de vakbonden. Het zou in het geheel niet zijn te verwachten dat het Land geen overleg ook met de vereniging zou willen voeren over de in rechte te vorderen verbeteringen of dat dit overleg zinloos zou zijn.

4.7.

Uit het voorgaande volgt dat het bestreden vonnis moet worden vernietigd en dat de vereniging niet-ontvankelijk moet worden verklaard in haar vorderingen.

4.8.

De vereniging dient de kosten van deze procedure in beide instanties te dragen.

B E S L I S S I N G

Het Hof:

- vernietigt het bestreden vonnis, en opnieuw rechtdoende:

- verklaart de vereniging niet-ontvankelijk in haar vorderingen;

- veroordeelt de vereniging in de kosten van deze procedure aan de zijde van het Land gevallen en tot op heden begroot voor de eerste aanleg op NAf 1.500,- aan gemachtigdensalaris en voor het hoger beroep op NAf 6.000,- aan gemachtigdensalaris en NAf 1.155,50 aan verschotten.

Dit vonnis is gewezen door mrs. M.W. Scholte, M.B. van den Enden en J. de Boer, leden van het Gemeenschappelijk Hof van Justitie, en op 22 februari 2019 ter openbare terechtzitting van het Hof in Sint Maarten in tegenwoordigheid van de griffier uitgesproken.