Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:OGHACMB:2019:62

Instantie
Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba
Datum uitspraak
22-02-2019
Datum publicatie
11-06-2019
Zaaknummer
KG 136/2016 - Ghis 82550/2017 - H 70/17 SXM201600482 – SXM2017H00067
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep kort geding
Inhoudsindicatie

land v laissez faire erfpachtscanon dwanginvorderingvaststelling canon burgerlijke rechter Lar samenval van rechtsmomenten

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Burgerlijke zaken 2019 Vonnis no.

Registratienummer: KG 136/2016 - Ghis 82550/2017 - H 70/17

SXM201600482 – SXM2017H00067

Uitspraak: 22 februari 2019

GEMEENSCHAPPELIJK HOF VAN JUSTITIE

van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en

van Bonaire, Sint Eustatius en Saba

VONNIS IN KORT GEDING

in de zaak van:

de publiekrechtelijke rechtspersoon HET LAND SINT MAARTEN,

zetelend in Sint Maarten,

hierna te noemen: het Land,

oorspronkelijk gedaagde, thans appellant,

gemachtigden: mrs. R.F. Gibson en V.L. van der Vliet,

tegen

de naamloze vennootschap LAISSEZ FAIRE N.V.,

gevestigd in Sint Maarten,

hierna te noemen: Laissez Faire,

oorspronkelijk eiseres, thans geïntimeerde,

gemachtigde: mr. H.S. Kockx.

1 Het verloop van de procedure

1.1.

Voor hetgeen in eerste aanleg is gesteld en gevorderd, voor de procesgang aldaar en voor de overwegingen en beslissingen van het Gerecht in eerste aanleg van Sint Maarten (GEA), wordt verwezen naar het tussen partijen in kort geding uitgesproken vonnis van 22 december 2016. De inhoud van dit vonnis geldt als hier ingevoegd.

1.2.

Het Land is bij akte van appel op 10 januari 2017 in hoger beroep gekomen van voornoemd vonnis. In een op 31 januari 2017 ingediende memorie van grieven, met producties, heeft het Land tien grieven voorgedragen en geconcludeerd dat het Hof het bestreden vonnis zal vernietigen, met veroordeling van Laissez Faire in de kosten van de procedure in beide instanties.

1.3.

Laissez Faire heeft in een memorie van antwoord het appel van het Land bestreden en geconcludeerd dat het hof het bestreden vonnis zal bevestigen, met veroordeling van het Land in de kosten.

1.4.

Op 5 mei 2017 heeft het Land een productie ingezonden, bevattende een uitspraak van het GEA van 15 januari 2013 (AR 2011/98).

1.5.

Op 15 december 2017, de voor schriftelijk pleidooi bepaalde dag, hebben de gemachtigden van partijen schriftelijke pleitnotities ingediend.

1.6.

Vonnis is nader bepaald op heden.

2 De ontvankelijkheid

Het Land is tijdig en op de juiste wijze in hoger beroep gekomen en kan daarin worden ontvangen.

3 De grieven

Voor de grieven wordt verwezen naar de memorie van grieven.

4 Beoordeling

4.1.

Het Hof gaat uit van het hierna volgende.

  1. Bij notariële akte van 5 juli 1990 (productie 2 bij inleidend verzoekschrift) is door het Eilandgebied Sint Maarten (per 10/10/10 opgevolgd door het Land) ten behoeve van Laissez Faire een erfpacht gevestigd op een (water)perceel van 3.700 m2 in Oyster Pond, met meetbrief 241/1990. Aan deze vestiging lag blijkens de vestigingsakte het Eilandsbesluit van 18 mei 1990, nr. 1106 ten grondslag (door Laissez Faire overgelegd op 1 december 2016 als productie 9).

  2. De in de vestigingsakte opgenomen condities houden onder meer in:

a. the right of long lease will be granted for a period of sixty (60) years, commencing at the transcription of the deed of granting right of long lease in the appropriated registers;

b. the Leaseholder has the obligation to pay the annual groundrent in advance at the Receiver's office of the Island Territory of Sint Maarten, for the first time on or before the day on which this instrument will be executed and each year thereafter after a notice for payment has been sent by same Receiver's office;

c. aforementioned groundrent has been set at One Guilder, Netherlands Antillean Currency (NAFls.1.00) per square meter per year and can be revised by decree of the Executive Council after expiration of a period of ten (10) years after the transcription of the deed of granting right of long lease in the public registers;

d. the land given in long lease may be used only for the construction of three piers, after approval of the building plan by the Executive Council has been obtained;

(…).

3. Voorts bepaalt de vestigingsakte dat de Eilandsverordening op de uitgifte in erfpacht van gronden toebehorende aan het Eilandgebied de Bovenwinds Eilanden, AB 1954 no. 1 (sedert 10/10/10: Landsverordening op de uitgifte in erfpacht van gronden toebehorende aan Sint Maarten, met citeertitel: Verordening op de uitgifte van eigendommen) van toepassing is.

4. Deze Verordening bepaalde onder meer (oude tekst):

Artikel 2

De uitgifte van grond in erfpacht geschiedt:

a.

onder de algemene voorwaarden vervat in de artikelen 5 t/m 25 en de bijzondere voorwaarden door het Bestuurscollege in elk afzonderlijk geval te stellen;

b.

tegen een canon, bedragende minstens 8 ten honderd per jaar van de door het Bestuurscollege vastgestelde grondwaarde;

c.

voor een tijdvak van niet langer dan 60 jaren;

d.

bij notariële akte.

Artikel 3

De bijzondere voorwaarden, in het vorige artikel onder a bedoeld, kunnen o.m. bevatten voorschriften betreffende de bestemming van de grond en van de daarop aanwezige of aan te brengen opstallen.

5. Laissez Faire heeft bij verzoekschrift van 19 juni 2007 een verzoek gedaan tot wijziging van de bestemming van drie pieren naar: ‘twee pieren met daarop commerciële gebouwen en aanleg voor pleziervaartuigen’.

6. In reactie daarop heeft het Bestuurscollege van het Eilandgebied Sint Maarten op 26 mei 2008 besloten (productie 3 bij inleidend verzoekschrift):

Goedkeuring te verlenen aan het verzoek van voornoemde naamloze vennootschap Laissez Faire N.V. om tot wijziging van de bestemming, naar het hebben en behouden van twee pieren met daarop commerciële gebouwen, over te gaan onder de voorwaarde dat:

1. Naar aanleiding van de bestemmingswijziging, de jaarlijkse erfpachtcanon met ingang van 16 juli 2008 wordt vastgesteld op Naf 22.200,00 gebaseerd op Naf 6,00 per vierkante meter;

2. De jaarlijkse canon om de vijfjaren kan worden herzien voor het eerst per 16 juli 2012.

Met als motivering:

Dat in onderdeel d) van het voornoemde Eilandbesluit nummer 1106 is bepaald "de in erfpacht uitgegeven grond mag zonder nader verkregen toestemming van het Bestuurscollege voor geen ander doel bestemd worden dan voor het bouwen van drie pieren";

Dat het Bestuurscollege bereid is medewerking te verlenen aan de wijziging van de bestemming naar "het hebben en behouden van twee pieren met daarop commerciële gebouwen";

Dat het vanwege de wijziging van de bestemming wenselijk is de canon aan te passen en op Naf 6,00 per vierkante meter te stellen;

Dat het wenselijk is de herzieningstermijn van de canon te wijzigen van 10 jaren naar de thans gebruikelijke termijn van vijf jaren;.

7. Laissez Faire heeft bij brief van haar gemachtigde van 14 augustus 2008 (productie 4 bij inleidend verzoekschrift) haar verzoek tot wijziging van de bestemming ingetrokken. Zij wenst op de oude voet door te gaan (‘the sustenance of the right of long lease as issued in its original format, and not altered based on your decision of May 26, 2008 aforementioned’).

8. Hierop heeft het Eilandgebied en, na 10/10/10, het Land niet gereageerd.

9. Bij schrijven ontvangen op 29 september 2011 aan de minister van VROMI heeft Laissez Faire gereclameerd (productie 5 bij inleidend verzoekschrift). Ook hierop kwam geen reactie en evenmin op brieven van 29 augustus 2014, 22 september 2014 en 18 juni 2015 (producties 6-8 bij inleidend verzoekschrift).

10. Laissez Faire heeft met ingang van 2009 niets betaald, dus ook niet de canon van NAf 1,- per m2 (pleitnota mrs Gibson en Van der Vliet in eerste aanleg, onder 3.10; niet weersproken).

11. De Ontvanger is vanaf 2009, met toepassing van de Landsverordening houdende regeling van de invordering van belastingen, bijdragen en vergoedingen door middel van dwangschriften alsmede van de rechtspleging inzake van belastingen, bijdragen en vergoedingen (geen officiële citeertitel; hierna: Dwanginvorderingsverordening), meerdere malen overgegaan tot invordering door middel van dwangschriften van de canon op basis van NAf 6,- per m2.

12. Op 19 april 2016 is een dwangafschrift betekend voor NAf 175.673,99 (productie Land d.d. 1 december 2016). Een dwangafschrift levert een executoriale titel op (artikel 3 lid 1 Dwanginvorderingsverordening; zie hierna onder 4.4) en op 22 december 2016 heeft de Ontvanger executoriaal beslag gelegd op registergoederen van Laissez Faire (productie 1 bij inleidend verzoekschrift).

13. Volgens Laissez Faire heeft de orkaan Irma in september 2017 de pieren en een appartementencomplex waarop beslag was gelegd verwoest (pleitnota mr. Kockx in hoger beroep, p. 6).

4.2.

Laissez Faire heeft in kort geding jegens het Land opheffing van het executoriaal beslag gevorderd. In het bestreden vonnis heeft het GEA de vordering toegewezen, uitvoerbaar bij voorraad. Hiertegen richt zich het hoger beroep van het Land.

4.3.

De eerste te beantwoorden vraag (aan de orde gesteld in de grieven III en VI), is of de Dwanginvorderingsverordening van toepassing is op de invordering van achterstallige canons. Het GEA heeft in het bestreden vonnis deze vraag ontkennend beantwoord. Eerder, te weten op 15 januari 2013 (AR 2011/98) had het GEA (met een andere rechter) een tegengesteld standpunt ingenomen (productie 13 door het Land overgelegd op 5 mei 2017).

4.4.

De Dwanginvorderingsverordening bepaalt onder meer:

Artikel 1

1. De belastingen, bijdragen en vergoedingen, die volgens tarieven vastgesteld bij landsverordening en landsbesluit, houdende algemene maatregelen, ten bate van de Landskas worden geheven, alsmede de daarop gevallen rente wegens te late betaling, worden ingevorderd door middel van dwangschriften.

2. Voor de toepassing van de bepalingen van deze landsverordening worden onder belastingen mede begrepen de verschuldigde opcenten, de interest en de kosten van vervolging op de belasting of opcenten.

Artikel 2

1. De dwangschriften bevatten, volgens een bij landsbesluit vastgesteld formulier:

a. wanneer het een kohierbelasting geldt, een volledig uittreksel uit het kohier;

b. in andere gevallen een zo volledig mogelijke aanduiding van degene tegen wie de vordering gericht wordt;

c. de aard, de grondslag en het bedrag van de vordering;

d. de titel van de vordering of de artikelen van de wettelijke regeling, waarop de vordering wordt gegrond;

e. in alle gevallen de last tot betaling.

2. Zij worden uitgevaardigd door de Ontvanger en zijn vrij van zegel.

3. [vervallen]

Artikel 3

1. Het dwangafschrift levert een executoriale titel op, die met toepassing van de voorschriften van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering kan worden tenuitvoergelegd.

2. De tenuitvoerlegging geschiedt namens de Ontvanger met vermelding alleen van zijn hoedanigheid zonder bijvoeging van zijn naam.

Artikel 4

1 De tenuitvoerlegging van het dwangschrift kan slechts worden geschorst door een verzet, met redenen omkleed.

2. Het verzet wordt betekend aan de Ontvanger, die de betaling vervolgt, en moet op straffe van nietigheid bevatten de keuze van domicilie in Philipsburg. Eveneens op straffe van nietigheid moet binnen een maand na deze betekening het geding tegen de Ontvanger worden aanhangig gemaakt bij de rechter in eerste aanleg.

3. Verzet kan niet gegrond zijn op het niet ontvangen van een aanslagbiljet, kennisgeving van te betalen bijdrage of vergoeding of aanmaning, en kan nimmer gericht zijn tegen de wettigheid of de hoogte van het gevorderde bedrag, noch gegrond zijn op de bewering dat aanspraak zou bestaan op ontheffing of vermindering.

4. Indien het verzet wordt afgewezen, is hoger beroep slechts ontvankelijk na bewijs, dat de belasting, bijdrage, vergoeding, rente, verhogingen en kosten zijn betaald aan de Ontvanger.

(…)

4.5.

Een vergelijkbare bepaling als artikel 1 lid 1 van de Dwanginvorderingsverordening is vervat in het hierna te citeren artikel 13 van de Landsverordening op de invordering van belastingen, bijdragen en vergoedingen (citeertitel: Invorderingsverordening). Tussen deze Invorderingsverordening en voornoemde Dwanginvorderingsverordening bestaat verband (zie het hierna te citeren artikel 12 Invorderingsverordening).

4.6.

De Invorderingsverordening bepaalt onder meer:

Artikel 1

De invordering van inkomstenbelasting, de winstbelasting en de grondbelasting, alsmede van de op die belastingen geheven opcenten, geschiedt overeenkomstig de bepalingen van de volgende artikelen en krachtens kohieren, welke worden toegezonden aan de Ontvanger.

(…)

Artikel 5

De toerekening en afschrijving der betalingen of van de tot verhaal van het verschuldigde ontoereikende opbrengst bij uitwinning geschiedt in de volgende orde:

1° op kosten van vervolging;

2° op de onkosten volgens de verordeningen ten laste van de belastingschuldige of belanghebbende komende;

3° op de oudste openstaande aanslagen of termijnen.

Artikel 6

1. De Ontvanger is bevoegd aan de belastingschuldige op zijn verzoek uitstel van betaling en gemakkelijker betalingsvoorwaarden te verlenen, indien onafwijsbaar blijkt, dat hij door bijzondere omstandigheden, buiten zijn wil, niet bij machte is aan de voorgeschreven betalingsregelen te voldoen.

2. Uitstel van betaling of enige andere betalingsregeling doet niet af aan het bepaalde in artikel 11.

(…)
Artikel 7

Ongeacht hetgeen bij de belastingverordeningen omtrent de termijnen van betaling is bepaald, zijn alle verschuldigde belastingen ineens en terstond invorderbaar:

1° wanneer de belastingplichtige in staat van faillissement is verklaard, gelijk mede in geval van beslaglegging op zijn roerende of onroerende goederen vanwege de rechtspersoon Sint Maarten of van verkoop daarvan, tengevolge van een beslaglegging namens derden;

2° wanneer blijkt, dat de belastingschuldige Sint Maarten wil verlaten met wegvoering of na vervreemding van zijn roerende goederen, dan wel op grond van andere feiten en omstandigheden gerechtvaardigde vrees bestaat voor verduistering van zijn roerende goederen;

3° wanneer een vordering wordt gedaan als bedoeld in artikel 10 van de Landsverordening op de invordering van directe belastingen.

Artikel 9

De verplichting tot betaling der belastingen wordt niet geschorst door de indiening van bezwaarschriften tegen de aanslag of van aangiften of verzoekschriften tot het verkrijgen van ontheffing, noch door verkrijging van surseance van betaling voor zover volgens het Faillissementsbesluit 1931 de surseance ten aanzien van de verplichting tot betaling niet werkt, evenmin door het voorbehouden recht van beraad of door aanvaarding onder voorrecht van boedelbeschrijving

(…)

Artikel 11

1. De belastingschuldige, die in gebreke blijft de verschuldigde belasting voor of op de vervaldag te voldoen, wordt door de Ontvanger aangemaand om alsnog binnen veertien dagen het verschuldigde te betalen, onder kennisgeving dat hij bij gebreke daarvan rechtens tot betaling zal worden gedwongen.

(…)

Artikel 12

Indien de krachtens artikel 11 uitgereikte aanmaning niet tot betaling of het treffen van een betalingsregeling heeft geleid, gaat de Ontvanger over tot dwanginvordering.

Artikel 13

De artikelen 5, 6, eerste en tweede lid, 7, 9,11, eerste lid, en 12 zijn van overeenkomstige toepassing op de invordering van de belastingen, niet vallende onder artikel 1, van de bijdragen en vergoedingen welke volgens tarieven, vastgesteld bij landsverordening of landsbesluit, houdende algemene maatregelen, worden geheven, en op de bijdragen en vergoedingen toekomende aan Sint Maarten, doch geheven volgens tarieven vastgesteld bij landsverordening of bij landsbesluit, houdende algemene regelen.

4.7.

Naar het oordeel van het Hof vallen de verschuldigde canons onder de ‘bijdragen en vergoedingen, die volgens tarieven vastgesteld bij landsverordening en landsbesluit, houdende algemene maatregelen, ten bate van de Landskas worden geheven’, als bedoeld in artikel 1 lid 1 van de Dwanginvorderingsverordening (hiervóór onder 4.4 geciteerd). Immers bepaalt artikel 2 onder b van de (huidige) Verordening op de uitgifte van eigendommen (zie hiervóór onder 4.1 sub 4) dat de canon 8% per jaar bedraagt van de door de minister (voorheen: het Bestuurscollege) vastgestelde grondwaarde.

4.8.

Voor artikel 13 van de Invorderingsverordening (hiervóór onder 4.6 geciteerd) geldt hetzelfde. Dat de canonbetaling een privaatrechtelijke verplichting is (zie verder hierna rov. 4.12), staat aan dit oordeel niet in de weg.

4.9.

Het Hof acht het in het algemeen (in de toekomst) wenselijk dat in de aanmaning, bedoeld in artikel 11 lid 1 Invorderingsverordening melding wordt gemaakt van de mogelijkheid voor de erfpachter om voor de burgerlijke rechter de verschuldigdheid van de canon aan te vechten (‘Rechtsmittelbelehrung’).

4.10.

Uitgaande van de toepasselijkheid van de Dwanginvorderingsverordening, stelt het Land terecht (grief I) dat Laissez Faire niet het Land, maar de Ontvanger in rechte had behoren te betrekken. Het Hof heeft op 9 juni 2017 (AR 143/14-Ghis 79521-H 211/16), American University v. het Land en de Ontvanger, geoordeeld ‘dat uitsluitend de Ontvanger kan worden gedagvaard (vergelijk ECLI:NL:HR:2003:AF3638)’ (rov. 3.5). Het Hof ziet geen aanleiding daar thans anders over te oordelen.

4.11.

Het Land stelt voorts dat het besluit van het Bestuurscollege van het Eilandgebied Sint Maarten van 26 mei 2008 (hiervóór in rov. 4.1 onder 6 genoemd), waarbij de canon is gesteld op NAf 6,- per m2, formele rechtskracht heeft gekregen doordat Laissez Faire daartegen niet langs bestuursrechtelijke weg is opgekomen (grieven IV en VI).

4.12.

Deze stelling gaat niet op. De uitgifte in erfpacht is een privaatrechtelijke rechtshandeling en hetzelfde geldt voor een wijziging van de daaraan verbonden voorwaarden inzake bebouwing of toestemming daartoe en een vaststelling of wijziging van de canon. Ook het in rekening brengen van een canon is een rechtshandeling naar burgerlijk recht (LAR-Hof 21 november 2013, ECLI:NL:OGHACMB:2013:72). In de privaatrechtelijke vestigingsakte van 5 juli 1990 is bepaald (zie hiervóór rov. 4.1 onder 2 sub c) dat de canon ‘can be revised by decree of the Executive Council’. Ook het stellen van bijzondere voorwaarden geschiedt door het Bestuurscollege; zie artikel 2 onder a van de oude Erfpachtsverordening waarnaar de akte verwijst (hiervóór rov. 4.1 onder 4). Voor zover het onderhavige besluit van het Bestuurscollege van 26 mei 2008 een beschikking is (omdat de herkomst van de bevoegdheid waarop die beschikking is gebaseerd publiekrechtelijk van aard is), is het een beschikking ter voorbereiding van een privaatrechtelijke rechtshandeling, waartegen geen beroep ingevolge de Landsverordening administratieve rechtspraak (LAR) openstaat, tenzij het gaat om een beschikking houdende weigering van de goedkeuring van een dergelijke beschikking (artikel 7 lid 2 aanhef en onder f LAR) (vgl. voor Nederland de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 25 februari 1999, Gemeentestem 1999-7100, 2). De beschikking is tevens die voorbereide privaatrechtelijke rechtshandeling (samenval van rechtsmomenten), nu uit de vestigingsakte voortvloeit dat de daarbij herziene canon en bijzondere voorwaarde tussen partijen zullen gaan gelden.

4.13.

Dit betekent dat Laissez Faire haar geschil omtrent de hoogte van de canon aan de burgerlijke rechter kan voorleggen.

4.14.

Het Hof zal het bestreden vonnis waarin het beslag van de Ontvanger is opgeheven, vernietigen. De Ontvanger had door Laissez Faire moeten zijn opgeroepen in plaats van het Land (zie rov. 4.10).

4.15.

Door de vernietiging in hoger beroep van de uitvoerbaar bij voorraad verklaarde opheffing van het beslag, herleeft het beslag met dien verstande dat wijzigingen in de rechtstoestand van het beslagen goed in de periode tussen de opheffing en de vernietiging moeten worden geëerbiedigd (HR 26 mei 2000, ECLI:NL:PHR:2000:AA5960, NJ 2001/388, Land Aruba en Ontvanger v. Boeije).

4.16.

Laissez Faire dient de kosten van deze procedure in beide instanties te dragen.

B E S L I S S I N G

Het Hof:

- vernietigt het bestreden vonnis, en opnieuw rechtdoende:

- wijst af de vordering van Laissez Faire tot opheffing van het beslag;

- veroordeelt Laissez Faire in de kosten van deze procedure aan de zijde van het Land gevallen en tot op heden begroot voor de eerste aanleg op NAf 1.000,- aan gemachtigdensalaris en voor het hoger beroep op NAf 6.000,- aan gemachtigdensalaris en NAf 1.182,50 aan verschotten.

Dit vonnis is gewezen door mrs. J. de Boer, J.Th. Drop en M.G.J.M. van Kempen, leden van het Gemeenschappelijk Hof van Justitie, en op 22 februari 2019 ter openbare terechtzitting van het Hof in Sint Maarten in tegenwoordigheid van de griffier uitgesproken.