Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:OGHACMB:2019:6

Instantie
Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba
Datum uitspraak
07-01-2019
Datum publicatie
17-01-2019
Zaaknummer
BON2018H00036 t/m BON2018H00039
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Van belanghebbende zijn over meerdere kwartalen speelvergunningsrechten geheven. Volgens de wet is de bruto-ontvangst de grondslag van deze heffing. Belanghebbende heeft in de onderhavige zaak in haar kwartaalaangiften aangiften gedaan naar lagere bedragen dan de brutobedragen van de ontvangsten namelijk op basis van de netto-ontvangsten (de “win”). Het Hof oordeelt dat onder die omstandigheden de onderhavige procedure niet tot een voor belanghebbende gunstiger resultaat (belanghebbende bepleit namelijk niet een resultaat lager dan hetgeen door hem is aangegeven en voldaan) kan leiden. Het Hof geeft, anders dan het Gerecht, geen oordeel over belanghebbendes in dit verband gedane beroep op het vertrouwensbeginsel. Dit omdat belanghebbende niet in een betere positie kan komen met betrekking tot de onderhavige voldoeningen op aangiften van het speelvergunningsrecht.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Uitspraak

BON2018H00036 t/m BON2018H00039

Datum uitspraak: 7 januari 2019

GEMEENSCHAPPELIJK HOF VAN JUSTITIE

VAN ARUBA, CURAÇAO, SINT MAARTEN

EN VAN BONAIRE, SINT EUSTATIUS EN SABA

Uitspraak op het hoger beroep van:

[ x ],

gevestigd te Bonaire,

appellante (belanghebbende),

tegen de uitspraak van het Gerecht in eerste aanleg van Bonaire, Sint Eustatius en Saba (hierna: het Gerecht) van 3 mei 2018 in zaak BBZ nrs. BON201700261, BON201700263, BON201700265 t/m BON201700267 in het geding tussen:

belanghebbende,

en

de heffingsambtenaar van het openbaar lichaam Bonaire,

verweerder (de heffingsambtenaar).

1 Procesverloop

1.1.

Belanghebbende heeft bezwaar gemaakt tegen de voldoening op aangiften van het speelvergunningsrecht over alle kwartalen van 2013 tot en met 2016 alsmede het eerste kwartaal van 2017.

1.2.

De heffingsambtenaar heeft bij uitspraken op bezwaar van 2 juni 2017 de bezwaren ongegrond verklaard.

1.3.

Belanghebbende heeft op 30 juni 2017 beroep ingesteld tegen de uitspraken op bezwaar. Belanghebbende heeft daarvoor een bedrag aan griffierecht betaald van USD 84.

1.4.

Aan belanghebbende zijn met dagtekening 5 juli 2017 naheffingsaanslagen speelvergunningsrecht opgelegd over alle kwartalen van 2013 tot en met 2016 alsmede het eerste kwartaal van 2017, waarbij de reeds aangegeven en betaalde speelvergunningsrechten zijn verrekend (hierna: de naheffingsaanslagen).

1.5.

Belanghebbende heeft op 30 juni 2017 beroep ingesteld tegen de naheffingsaanslagen.

1.6.

Het Gerecht heeft op de door belanghebbende ingestelde beroepen op 3 mei 2018 als volgt beslist:

“Het Gerecht:

  • -

    verklaart het beroep ongegrond; en

  • -

    verstaat dat de griffier het teveel betaalde griffierecht van USD 54 aan belanghebbende terugbetaalt.”

1.7.

Tegen deze uitspraak is door belanghebbende op 22 mei 2018 hoger beroep ingesteld bij het Hof. Ter zake van de indiening van het hoger beroepschrift heeft belanghebbende een bedrag van USD 60 aan griffierecht voldaan.

Namens de heffingsambtenaar is op 13 augustus 2018 een verweerschrift ingediend. Voorafgaand aan de zitting, op 18 oktober 2018, heeft belanghebbende een pleitnota naar de griffie van het Hof verzonden, deze is in kopie naar de wederpartij gezonden.

1.8.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 22 oktober 2018 te Kralendijk, Bonaire. Aldaar is namens belanghebbende verschenen [ A ] en namens de heffingsambtenaar [ B ].

2 Feiten

Het Gerecht heeft de volgende, in hoger beroep niet bestreden, feiten vastgesteld, welke feiten het Hof als vaststaand overneemt:

Aan belanghebbende is ter zake van de exploitatie van hazardspelen een vergunning verleend. Van belanghebbende zijn over meerdere kwartalen speelvergunningsrechten geheven.”

3 Geschil in hoger beroep

3.1.

Het geschil in hoger beroep ziet (uitsluitend) op de voldoening en afdracht op aangiften van het speelvergunningsrecht over het derde en vierde kwartaal 2014, het derde kwartaal 2015 en alle kwartalen in 2016 en het eerste kwartaal in 2017.

3.2.

Partijen doen hun standpunten steunen op de gronden welke daartoe door hen zijn aangevoerd in de van hen afkomstige stukken, alsmede op hetgeen zij ter zitting hebben bijgebracht.

4 Het oordeel van het Gerecht

Het Gerecht heeft het volgende overwogen:

Bevoegde rechter

4.1

Ingevolge artikel 1 EvSH is het speelvergunningsrecht een eilandbelasting. Verder is in artikel 6 Wet financiën openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba (hierna: Wet Fin) bepaald dat de heffing en invordering van eilandbelastingen geschiedt met toepassing van de hoofdstukken I en VIII van de Belastingwet BES. Mitsdien acht de belastingrechter van het Gerecht zich bevoegd uitspraak te doen in dit geschil.

Verbindendheid wetgeving

4.2

Ingevolge artikel 42 Wet Fin kunnen eilandbelastingen worden geheven (i) krachtens andere formele wetten, dan wel (ii) die worden genoemd in de tweede en derde paragraaf van hoofdstuk IV van de Wet Fin.

4.3

Een andere formele wet krachtens welke een eilandbelasting kan worden geheven, is de Wet speelvergunningsrecht hazardspelen BES. Daarin is bepaald dat een speelvergunningsrecht kan worden geheven van een vergunninghouder. De Eilandsraad van Bonaire heeft van deze bevoegdheid gebruik gemaakt door de EvSH vast te stellen. Anders dan belanghebbende betoogt, ziet het Gerecht dan ook geen aanleiding de EvSH onverbindend te achten.

Vertrouwensbeginsel

4.4

Ingevolge artikel 1 EvSH bedraagt het speelvergunningsrecht 1,5% van het brutobedrag van de ontvangsten. De EvSH is op 1 januari 2013 in werking getreden.

4.5

Belanghebbende stelt dat in een overleg op 3 mei 2013 de heffingsambtenaar heeft toegezegd dat de grondslag voor het speelvergunningsrecht niet het brutobedrag van de ontvangsten is, maar de netto-ontvangsten (de ‘win’).

4.6

In deze procedure zijn uitsluitend nog de in 3.3 genoemde kwartaalaangiften aan de orde. Daarin is aangifte gedaan op basis van de netto-ontvangsten. Ook de voldoening heeft plaatsgevonden op basis daarvan. Belanghebbendes stelling dat de heffingsambtenaar heeft toegezegd dat belanghebbende op basis van de netto-ontvangsten speelvergunningsrecht is verschuldigd, kan in onderhavige procedure dus niet tot een voor belanghebbende gunstiger resultaat leiden. Dit brengt mee dat het beroep ongegrond verklaard moet worden.

4.7

Niettemin vindt het Gerecht aanleiding belanghebbendes beroep op het vertrouwensbeginsel te bespreken, gelet op de in 3.5 genoemde toezegging van de heffingsambtenaar.

4.8

Voor zijn stelling omtrent de toezegging door de heffingsambtenaar, wijst belanghebbende op een e-mailbericht van 23 oktober 2013 waarin belanghebbendes gemachtigde het volgende aan de heffingsambtenaar heeft geschreven:

“(…) Wij hebben overleg gehad met de directie van [belanghebbende] inzake de stand van zaken rondom de kansspelbelasting en het speelvergunningsrecht. Wij hebben van de directie vernomen dat er tussen de ´general manager´ van [belanghebbende] en u een vergadering heeft plaatsgevonden op 3 mei van dit jaar en dat in deze vergadering naar voren is gekomen dat de verordening voor het speelvergunningsrecht nog niet is geïmplementeerd aangezien er nog een discussie gaande is over hoe deze naar redelijkheid en billijkheid kan worden geïmplementeerd ook in verband met het goedmaken van de kosten voor de casino controleurs. U zou hierbij hebben aangegeven dat er derhalve op basis van dit consensus is afgesproken dat het speelvergunningsrecht zou worden geheven over dezelfde heffingsgrondslag als de kansspelbelasting wordt geheven, echter tegen 1,5%.”

4.9

Verder heeft belanghebbende een verklaring van [ G ], financial controller van belanghebbende, van 19 april 2018 ingebracht waarin het volgende is verklaard:

“I, [ G ], hereby affirm the following:

  1. I am the Financial Controller at [ Q ] (“[ X ]”) and have held this position since prior to 2013.

  2. On or about May 3, 2013, I attended a meeting in Bonaire regarding the implementation of gaming license fees. Also attending the meeting were [ T ] of OLB, as well as [ H ] and [ O ] (then General Manager of [ X ]).

  3. To the best of my recollection, the primary purpose of the meeting was to discuss implementation of the new casino license fee in a fair and reasonable manner. As part of these considerations, it was acknowledged that the collections must cover the expense of having casino controllers monitor operations over money laundering concerns.

  4. In the meeting, [ T ] concluded that 1,5% casino licensing fee should be calculated using the same base applicable for the gaming tax calculation, which is commonly referred to as the “win” (also known as net revenue). [ T ] also determined that the current declaration forms for the gambling tax should be used for reporting the new licensing fee, since it was not known when new forms would be available. A the time I had, and continue to have, every reason to believe that [ T ] had the authority to determine the appropriate computation method and that he did so during this meeting. [ T ] did not provide any indication that the approved method of calculation was in any way temporary or required any additional approvals prior to its implentation.

  5. Following the meeting, I did not receive, and was not been made aware of, any notice or other indication from [ T ], from OLB, or any other government official, that this approved computation method for casino licensing fees was not proper and appropriate until receipt of the June 2, 2017 notive from OLB.”

4.10

Zo het Gerecht al aannemelijk zou achten dat een toezegging door de heffingsambtenaar is gedaan – het Gerecht laat dat in het midden – dan nog zou dat belanghebbende niet baten. Een dergelijke toezegging over een afwijkende heffingsgrondslag is zo duidelijk in strijd met het recht – de EvSH was immers op 1 januari 2013 in werking getreden – dat in redelijkheid niet op nakoming mocht worden gerekend (vgl. HR 25 oktober 2000, nr. 35.697, ECLI:NL:HR:AA7844 en HR 1 december 2006, nr. 40.492, ECLI:NL:HR:2006:AZ3351).

4.11

Belanghebbende heeft nog betoogd dat het begrip ‘brutobedrag’ in eerdere jurisprudentie van de Raad van Beroep voor Belastingzaken zodanig is uitgelegd dat een heffingsgrondslag op basis van netto-ontvangsten mogelijk is, en dat een dergelijke uitleg dus niet duidelijk in strijd is met het recht. Dit betoog kan niet slagen, reeds omdat de door belanghebbende genoemde jurisprudentie betrekking heeft op andersluidende verordeningen en besluiten. Bovendien leest het Gerecht in de genoemde uitspraken niet, anders dan belanghebbende, dat is geoordeeld dat onder ‘brutobedrag der ontvangsten’ een heffingsgrondslag op basis van ‘netto-ontvangsten’ is te verstaan.

4.12

Het uitblijven van een reactie van de heffingsambtenaar op het e-mailbericht van 23 oktober 2013 kan, anders dan belanghebbende voorstaat, evenmin vertrouwen wekken (vgl. HR 10 januari 1996, nr. 30.585, ECLI:NL:HR:1996:AA1873). Van een bewuste standpuntbepaling is dan immers geen sprake. Belanghebbendes beroep op het vertrouwensbeginsel kan derhalve niet slagen.

Getuigenbewijsaanbod

4.13

In de nadere stukken van 9 en 20 april 2018 heeft belanghebbende getuigenbewijs aangeboden van haar stelling dat met de heffingsambtenaar een afspraak is gemaakt over de heffingsgrondslag, indien het Gerecht daaraan zou twijfelen. Belanghebbende heeft ter zitting verklaard dat het getuigenbewijsaanbod gestand is gedaan door de schriftelijke verklaring van [ G ].

Slotsom

4.14

Uit hetgeen hiervoor is overwogen, volgt dat het beroep van belanghebbende ongegrond is.

5 PROCESKOSTENVERGOEDING EN GRIFFIERECHT

5.1

Het Gerecht ziet geen aanleiding voor een vergoeding van de proceskosten.

5.2

Door de griffier is ten onrechte USD 84 in plaats van USD 30 griffierecht in rekening gebracht. Het Gerecht zal daarom de griffier het teveel betaalde griffierecht laten terugbetalen.”

5 Gronden

Vooraf

5.1.

Omtrent hetgeen in beroep nog in geschil was oordeelde het Gerecht:

“3.1.Tussen partijen is in geschil of de belastingrechter bevoegd is te oordelen in dit geschil over speelvergunningsrechten, of de Eilandsverordening speelvergunningsrecht hazardspelen Bonaire (hierna: EvSH) verbindend is, en of in mei 2013 door de heffingsambtenaar een toezegging is gedaan over een afwijkende heffingsgrondslag.

3.2

Desgevraagd heeft belanghebbende ter zitting zijn stellingen ingetrokken omtrent schending van de opbrengstlimiet van artikel 64 Wet financiën openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba (hierna: Wet Fin) en schending van artikel 42, lid 2, Wet Fin (niet afhankelijk van inkomen). Ook heeft belanghebbende zijn betoog ingetrokken dat sprake is van een onrechtmatige dubbele belastingheffing.

3.3.

Desgevraagd heeft belanghebbende ter zitting verklaard uitsluitend de beroepen inzake de aangiften over het derde en vierde kwartaal 2014, het derde kwartaal 2015 en alle kwartalen in 2016 en 2017 te handhaven. De beroepen inzake de overige kwartaalaangiften worden ingetrokken. Redengevend daarvoor is dat de bezwaren daartegen niet tijdig zijn ingediend, en dat als deze bezwaren als een (tijdig) verzoek om teruggaaf in de zin van artikel 4 EvSH moeten worden aangemerkt, daarvoor de bezwaarprocedure nog niet is gevolgd.

3.4.

Desgevraagd heeft belanghebbende ter zitting ook de beroepen inzake de naheffingsaanslagen van 5 juli 2017 ingetrokken, omdat ter zake van deze belastingaanslagen ook de bezwaarprocedure nog niet is doorlopen.

3.5.

De heffingsambtenaar heeft ter zitting toegezegd dat de beslissing in onderhavige procedure ook (ambtshalve) gevolgd zal worden ter zake van de in 3.3 en 3.4 genoemde ingetrokken zaken.”

5.2.

Tegen de oordelen van het Gerecht (in rechtsoverwegingen 4.1 - 4.3) omtrent de bevoegdheid van de belastingrechter inzake dit geschil over speelvergunningsrechten en de verbindendheid van de Eilandsverordening speelvergunningsrecht hazardspelen Bonaire (hierna: EvSH) zijn in hoger beroep geen gronden aangevoerd. Nu het Hof geen aanleiding ziet het Gerecht hierin niet te volgen maakt het Hof deze overwegingen tot de zijne met dien verstande dat in rechtsoverweging 4.1 in plaats van “artikel 6” moet worden gelezen “artikel 67”.

5.3.

Belanghebbende voert aan dat hij, in weerwil van hetgeen het Gerecht heeft opgenomen in rechtsoverweging 3.2, niet zijn stelling omtrent schending van de opbrengstlimiet van artikel 64 Wet financiën openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba (hierna: Wet Fin) heeft ingetrokken, althans dat niet heeft bedoeld te doen, en verzoekt deze stelling in hoger beroep alsnog te behandelen.

5.4.

In het proces-verbaal van zitting van het Gerecht is ter zake het volgende opgenomen:

“Rechter: ik neem u even mee naar de wet financiën. Dhr. [ V ] zegt we kennen twee soorten belastingen: BES belastingen en Eilandbelastingen. De eilandbelastingen kunnen twee grondslagen hebben: in een wet in formele zin of in de Wet Financiën. Het bijzondere van onderhavige heffing is dat deze zijn grondslag niet vindt in de Wet Financiën in de paragraaf 2 en 3, maar in een andere wet in een formele zin. Dus dan hebben we met paragraaf 2 en 3, waaronder de opbrengstlimiet, helemaal niets te maken.

Rechter: Probeert u mij eens te overtuigen dat de Wet Financiën, waaronder de opbrengstlimiet, toch een rol speelt.

Belanghebbende: Ik laat dat punt varen.”

5.5.

Ter zitting van het Hof heeft de heffingsambtenaar verklaard dat hij van mening is dat belanghebbende het punt betreffende de opbrengstlimiet ter zitting van het Gerecht “heeft weggegeven”. Belanghebbende heeft ter zitting van het Hof gesteld dat dit in ieder geval niet de bedoeling was.

5.6.

Gelet op voorgaande (waarbij met name hetgeen is neergelegd in het proces-verbaal van de zitting van belang is) is het Hof van oordeel dat belanghebbende zijn stelling omtrent de opbrengstlimiet uitdrukkelijk en ondubbelzinnig ter zitting in eerste aanleg heeft ingetrokken. Dat belanghebbende dit niet zo heeft bedoeld kan hem niet baten. Gelet op het voorgaande kan de door belanghebbende ingetrokken stelling niet meer in hoger beroep worden aangevoerd (vergelijk: Hoge Raad 14 augustus 2009, ECLI:NL:HR:2009:BJ5125) en zal het Hof dan ook daaraan voorbij gaan.

Heffingsgrondslag

5.7.

Voorts richt belanghebbende zijn gronden tegen hetgeen het Gerecht heeft overwogen omtrent de heffingsgrondslag van speelvergunningsrechten. Ingevolge artikel 1 van de EvSH bedraagt het speelvergunningsrecht 1,5% van het brutobedrag van de ontvangsten.

Belanghebbende heeft in de onderhavige onder 3.1. genoemde kwartaalaangiften aangiften gedaan naar lagere bedragen dan de brutobedragen van de ontvangsten namelijk op basis van de netto-ontvangsten (de “win”). Ook de voldoening heeft plaatsgevonden op basis daarvan. Zoals door het Gerecht terecht is overwogen (rechtsoverweging 4.6) kan de onderhavige procedure niet tot een voor belanghebbende gunstiger resultaat leiden. Dat heeft ook te gelden voor het de door belanghebbende nader (in de bij het Hof ingebrachte pleitnota) ingenomen standpunt dat voor de heffingsgrondslag strikt zou moeten gekeken naar de slotmachines (aangezien er geen “emmers” meer zijn in de slotmachines is de heffingsgrondslag hiervoor, volgens belanghebbende, nihil) en naar brutowinst van de tafelspelen. Desgevraagd ter zitting van het Hof heeft belanghebbende verklaard dat ook indien het Hof dit standpunt zou volgen dit niet tot een voor belanghebbende gunstiger resultaat (een resultaat lager dan hetgeen door hem is aangegeven en voldaan) zou leiden. Dit brengt mee dat het hoger beroep, nu belanghebbende niet in een betere positie kan geraken, ongegrond verklaard moet worden.

5.8.

Anders dan het Gerecht ziet het Hof geen aanleiding een oordeel te geven over belanghebbendes beroep op het vertrouwensbeginsel. Dit omdat, zoals hiervoor al is overwogen, belanghebbende met het aanwenden van het rechtsmiddel, ongeacht de gronden waarop het steunt, niet in een betere positie kan komen met betrekking tot de onderhavige voldoeningen op aangiften van het speelvergunningsrecht. Nu belanghebbende wel een belang heeft bij de nevenbeslissingen (er was te veel griffierecht geheven door het Gerecht), heeft het Gerecht terecht geconcludeerd tot het ongegrond zijn van het beroep (en niet tot niet-ontvankelijkheid).

5.9.

Gelet op het voorgaande acht het Hof geen termen aanwezig voor een proceskostenveroordeling. Aan de vraag of er voor de door belanghebbende bepleite integrale kostenvergoeding aanleiding bestaat, wordt dan ook niet toegekomen.

De slotsom

5.10.

De slotsom is dat het hoger beroep ongegrond is en de uitspraak van het Gerecht dient te worden bevestigd.

6 Beslissing

Het Hof bevestigt de uitspraak van het Gerecht.

Aldus gedaan door mrs. D. Haan, voorzitter, M.J. Leijdekker en P.A.M. Pijnenburg, leden, in tegenwoordigheid van M.M.M. Faro MSc. als griffier. De beslissing is op 7 januari 2019 in het openbaar uitgesproken.

Afschriften zijn per post/e-mail op aan partijen verzonden.

Het aanwenden van een rechtsmiddel:

Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen twee maanden na dagtekening van het afschrift van de uitspraak van het Gemeenschappelijk Hof beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag.

Partijen hebben ook de mogelijkheid hun beroepschrift in te dienen bij de griffie van het Gerecht in Eerste aanleg dat de zaak in eerste aanleg heeft behandeld. De datum van binnenkomst bij de griffie van het lokale Gerecht in Eerste aanleg is in dat geval bepalend voor de vraag of het beroep tijdig is ingesteld bij de Hoge Raad der Nederlanden.

U wordt verzocht bij het indienen van het beroepschrift het volgende in acht te nemen:

1. leg bij het beroepschrift een afschrift over van deze uitspraak;

2 onderteken het beroepschrift en vermeld het volgende:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. de dagtekening;

c. waartegen u in beroep komt;

d. waarom u het daar niet mee eens bent (de gronden van het beroep).

In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.