Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:OGHACMB:2019:58

Instantie
Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba
Datum uitspraak
19-02-2019
Datum publicatie
11-06-2019
Zaaknummer
EJ 1334/2017, AUA 201702574 en AUA 2018H00073
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Beschikking
Inhoudsindicatie

gezamenlijk gezag, communicatieproblemen

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GEMEENSCHAPPELIJK HOF VAN JUSTITIE VAN

ARUBA, CURAÇAO, SINT MAARTEN EN VAN

BONAIRE, SINT EUSTATIUS EN SABA

Beschikking in de zaak van:

[APPELLANETE],

wonende in Aruba,

oorspronkelijk verweerster, thans appellante,

gemachtigde: mr. G.L. Griffith,

tegen

[GEÏNTIMEERDE],

wonende in Aruba,

oorspronkelijk verzoeker, thans geïntimeerde,

gemachtigde: mr. C.J. Hart.

met als belanghebbende de minderjarige:

[minderjarige], geboren op [geboortedatum] 2005 in Aruba.

Partijen worden hierna aangeduid als de moeder, de vader en de minderjarige.

1 Het verloop van de procedure

1.1.

Voor hetgeen in eerste aanleg is gesteld en verzocht, voor de procesgang aldaar en voor de overwegingen en beslissingen van het Gerecht in eerste aanleg van Aruba (hierna: GEA) wordt verwezen naar de op 6 maart 2018 uitgesproken beschikking waarbij, onder meer, is bepaald dat de vader voortaan alleen het gezag toekomt over de minderjarige. De inhoud van die beschikking geldt als hier ingevoegd.

1.2.

De moeder heeft in een beroepschrift met producties, op 11 april 2018 ingediend ter griffie van het GEA, hoger beroep ingesteld tegen deze beschikking, met het verzoek om kosteloos te mogen procederen. In het beroepschrift heeft zij haar hoger beroep toegelicht en geconcludeerd tot vernietiging van de bestreden beschikking en het Hof verzocht om te bepalen dat de vader en de moeder voortaan gezamenlijk belast zijn met het ouderlijk gezag over de minderjarige, dan wel een andere redelijke en billijke beslissing te nemen.

1.3.

De vader heeft op 14 januari 2019 een verweerschrift met producties ingediend.

1.4.

De minderjarige is op 21 januari 2018 gehoord door het Hof. De mondelinge behandeling heeft aansluitend plaatsgevonden. Partijen zijn in persoon verschenen, vergezeld van hun gemachtigden. Iedereen heeft het woord gevoerd.

1.5.

Beschikking is bepaald op heden.

2 De gronden van het hoger beroep

2.1.

Voor de gronden van het hoger beroep wordt verwezen naar het beroepschrift.

3 Beoordeling

3.1.

Bij beschikking van het GEA van 25 juni 2008 is de echtscheiding tussen partijen uitgesproken en is bepaald dat de moeder voortaan met het eenhoofdig gezag is belast.

3.2.

Bij beschikking van het GEA van 16 augustus 2017 is de minderjarige voorlopig onder toezicht gesteld, met plaatsing bij de vader.

3.3.

Bij verzoekschrift van 27 juni 2017 heeft de vader verzocht om de moeder uit het ouderlijk gezag over de minderjarige te ontzetten en hem met het eenhoofdig gezag te belasten. Subsidiair heeft de vader verzocht om de beschikking van 25 juni 2008 te wijzigen in die zin dat hij wordt belast met het eenhoofdig gezag over de minderjarige, dan wel om hem gezamenlijk met de moeder met het ouderlijk gezag over de minderjarige te belasten, met bepaling van het hoofdverblijf bij hem.

3.4.

De Voogdijraad heeft bij rapport van 9 januari 2018 geadviseerd om de vader, in het belang van de minderjarige, te belasten met het eenhoofdig gezag over de minderjarige. Overwogen is daarbij: “Uit het onderzoek van de DVR blijkt dat de communicatie tussen ouders heel slecht is of zelfs geen sprake is van communicatie tussen hen, hetgeen het moeilijk maakt beide ouders met het gezag te belasten. Gezamenlijk gezag zal hierbij alleen maar zorgen voor meer misverstanden tussen ouders, met nadelige gevolgen voor de ontwikkeling van de minderjarige. Uit het onderzoek is ook gebleken dat vader meer inzicht heeft in de behoeften van de minderjarige. Derhalve acht de DVR het in belang van de minderjarige dat vader belast wordt met het eenhoofdig gezag en tevens adviseert DVR dat de hoofdverblijfplaats bij vader bepaald wordt (..)”.

3.5.

Bij beschikking van 6 maart 2018 heeft het GEA bepaald dat dat de vader voortaan alleen het gezag toekomt over de minderjarige.

3.6.

De moeder heeft hoger beroep ingesteld tegen (dit deel van) de beschikking. Volgens moeder waren partijen tot aan het incident van 30 april 2017 in staat om met elkaar te communiceren over de minderjarige en om onderlinge afspraken aangaande de minderjarige te maken. Weliswaar is de verhouding en de communicatie tussen de vader en de moeder sindsdien verslechterd maar daarin kan, zo mogelijk met behulp van de Voogdijraad, verbetering worden bereikt. De communicatieproblemen zijn niet zodanig dat de minderjarige bij een gezamenlijk gezagsuitoefening klem of verloren raakt tussen de ouders.

3.7.

De vader betwist dat de communicatie tussen de moeder en hem goed verliep voor 30 april 2017. Het contact verliep alleen goed zolang de vader de moeder haar zin gaf. Deed hij dat niet, dan belemmerde de moeder het contact tussen de vader en de minderjarige. De moeder communiceert op ongepaste manier. Ze beledigt de vader en toont geen respect voor hem. De vader meent dat de moeder hulp dient te krijgen voor haar manier van handelen en haar agressieve gedrag naar de vader en de minderjarige. Partijen kunnen momenteel alleen via whats app communiceren, een andere vorm van communicatie gaat niet. De communicatie die noodzakelijk is om het gezag gezamenlijk uit te oefenen is niet aanwezig.

3.8.

Ingevolge artikel 1:253o BW kunnen beslissingen waarbij een ouder alleen met het gezag is belast, op verzoek van (een van) de ouders, worden gewijzigd op grond dat nadien de omstandigheden zijn gewijzigd of dat bij het nemen van de beslissing van onjuiste of onvolledige gegevens is uitgegaan.

3.9.

Het Hof stelt voorop dat het ontbreken van een goede communicatie tussen de ouders niet zonder meer meebrengt dat in het belang van een kind het ouderlijk gezag aan één van de ouders moet worden toegekend. Wel is voor gezamenlijk gezag vereist dat de ouders in staat zijn tot een behoorlijke gezamenlijke gezagsuitoefening en dat zij beslissingen van enig belang over het kind in gezamenlijk overleg kunnen nemen, althans tenminste in staat zijn vooraf afspraken te maken over situaties die zich rond het kind kunnen voordoen, zodanig dat het niet klem of verloren raakt tussen de ouders. Het Hof overweegt dat uit de stukken en het verhandelde ter zitting voldoende aannemelijk is geworden dat de communicatie tussen de ouders over de minderjarige reeds voor het incident, en gedurende langere tijd, in ernstige mate was verstoord. Het incident leidende tot de ondertoezichtstelling van de minderjarige heeft, zo erkent ook de moeder, een verslechtering gebracht in de relatie en communicatie tussen de ouders. Ondanks dat de moeder stelt dat verbetering in de communicatie mogelijk is, is een poging daartoe niet door haar ondernomen en zijn de communicatieproblemen meer dan anderhalf jaar na het incident, ongewijzigd aanwezig.

3.10.

Het Hof houdt het er dan ook voor dat de communicatieproblemen tussen de ouders dermate structureel en ernstig van aard zijn dat de ouders niet in staat moeten worden geacht tot een behoorlijke gezamenlijke gezagsuitoefening, zodanig dat de minderjarige niet klem of verloren zal raken tussen de ouders. Het Hof verwacht niet dat hierin binnen een afzienbare termijn verbetering zal optreden. Met het GEA is het Hof dan ook van oordeel, mede gelet op het advies van de Voogdijraad en in aanmerking nemend de daarin opgenomen visie van de minderjarige waar zij voorafgaand aan de zitting in heeft volhard, dat het in het belang van de minderjarige noodzakelijk is dat de vader als de ouder die de dagelijkse verzorging en opvoeding van de minderjarige voor zijn rekening neemt, het eenhoofdig gezag over de minderjarige zal uitoefenen.

3.11.

Het vorenstaande brengt mee dat de bestreden beschikking zal worden bevestigd met dien verstande dat deze volledigheidshalve zal worden aangevuld in die zin dat het hoofdverblijf van de minderjarige bij vader wordt bepaald. Gelet op de (gewezen) relatie tussen partijen, zullen de proceskosten worden gecompenseerd.

4 Beslissing

Het Hof:

- staat de moeder toe kosteloos te procederen;

- bevestigt de beschikking waarvan beroep en bepaalt, in aanvulling daarop, dat het

hoofdverblijf van de minderjarige zal zijn bij de vader;

- compenseert de proceskosten in die zin dat iedere partij de eigen proceskosten draagt.

Deze beschikking is gegeven door mrs. M.W. Scholte, F.W.J. Meijer en J. de Boer, leden van het Hof, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 19 februari 2019 in Aruba, in tegenwoordigheid van de griffier.