Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:OGHACMB:2019:5

Instantie
Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba
Datum uitspraak
04-01-2019
Datum publicatie
17-01-2019
Zaaknummer
CUR2018H00002
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Belanghebbende betaalt de op aangifte verschuldigde winstbelasting te laat, maar op Naf. 2.700 na, wel voordat een naheffingsaanslag is opgelegd. De Inspecteur legt een naheffingsaanslag op van Naf. 2.700 met een maximale verzuimboete van Naf. 7.300. Het Hof is net als het Gerecht van oordeel dat artikel 4.6, lid 2 aanhef en letter c van de Ministeriële regeling formeel belastingrecht van toepassing is, waaruit volgt dat de verzuimboete 15% van de naheffingsaanslag bedraagt met een minimum van Naf. 1.000. De naheffingsaanslag is Naf. 2.700, zodat de (minimale) boete van Naf. 1.000 opgelegd kan worden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Uitspraak

CUR2018H00002

Datum uitspraak: 4 januari 2019

GEMEENSCHAPPELIJK HOF VAN JUSTITIE

VAN ARUBA, CURAÇAO, SINT MAARTEN

EN VAN BONAIRE, SINT EUSTATIUS EN SABA

Uitspraak op het hoger beroep van:

de inspecteur der belastingen in Curaçao,

appellant (de Inspecteur),

tegen de uitspraak van het Gerecht in eerste aanleg van Curaçao (hierna: het Gerecht) van 21 november 2017 in zaak BBZ nr. CUR201600471 in het geding tussen:

de Inspecteur,

en

[ X ],

gevestigd te Curaçao,

verweerder (belanghebbende).

1 Procesverloop

1.1.

Aan belanghebbende is op 23 december 2014 een naheffingsaanslag winstbelasting opgelegd over het jaar 2009 van NAf 2.700 (de naheffingsaanslag) en een verzuimboete van NAf 7.300 (de boetebeschikking).

1.2.

Belanghebbende is op 23 februari 2015 tegen de boetebeschikking in bezwaar gekomen.

1.3.

De Inspecteur heeft op 28 december 2015 uitspraak op bezwaar gedaan en het bezwaar niet-ontvankelijk verklaard.

1.4.

Belanghebbende is op 18 februari 2016 in beroep gekomen tegen de uitspraak op bezwaar. Hierbij is griffierecht betaald van NAf 150. De Inspecteur heeft op 2 februari 2017 een verweerschrift ingediend.

1.5.

Het Gerecht heeft op het door belanghebbende ingestelde beroep als volgt beslist:

“Het Gerecht:

-verklaart het beroep gegrond;

-vernietigt de uitspraak op bezwaar;

-vermindert de verzuimboete tot NAf 1.000;

-veroordeelt de Inspecteur in de proceskosten van de zijde van belanghebbende vastgesteld op NAf 1.400;

-draagt de Inspecteur op het griffierecht groot NAf 150 aan belanghebbende te vergoeden.”

1.6.

Tegen deze uitspraak is door de Inspecteur op 4 januari 2018 hoger beroep ingesteld bij het Hof. Belanghebbende heeft geen verweerschrift ingediend.

1.7.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 24 oktober 2018 te Willemstad, Curaçao. Belanghebbende is, met bericht, niet verschenen. Namens de Inspecteur is [ A ] verschenen.

2 Feiten

Het Gerecht heeft de volgende, in hoger beroep niet bestreden, feiten vastgesteld, welke feiten het Hof als vaststaand overneemt:

2.2 Belanghebbende heeft de aangifte winstbelasting over het jaar 2009 niet tijdig ingediend en de verschuldigde belasting niet tijdig betaald.

2.3

De Inspecteur heeft aan belanghebbende met dagtekening 15 juli 2011 een naheffingsaanslag winstbelasting opgelegd ten bedrage van NAf 18.000 en een verzuimboete van NAf 2.700.

2.4

Belanghebbende heeft op 27 juli 2011 de aangifte winstbelasting over 2009 alsnog ingediend. De op basis van de aangifte verschuldigde belasting bedraagt NAf 166.562.

2.5

Belanghebbende heeft op 28 juli 2011 een bedrag van NAf 145.862 betaald. Het daarna nog openstaande bedrag aan verschuldigde winstbelasting bedraagt NAf 2.700.

2.6

Op 23 december 2014 is voor het nog openstaande bedrag aan verschuldigde winstbelasting een naheffingsaanslag opgelegd. De tekst van het aanslagbiljet luidt (voor zover hier van belang):

"Naheffingsaanslag:

Verschuldigde belasting: NAf 2.700,00

Boete: NAf 7.300,00

Te betalen: NAf 10.000,00"

De verzuimboete is opgelegd vanwege niet-tijdige betaling van de verschuldigde winstbelasting. De Inspecteur is daarbij uitgegaan van een derde verzuim.”

3 Geschil in hoger beroep

3.1.

Evenals bij het Gerecht is in hoger beroep in geschil of de verzuimboete tot het juiste bedrag aan belanghebbende is opgelegd.

De Inspecteur neemt het standpunt in dat de boete tot het juiste bedrag is opgelegd, belanghebbende meent dat de boete tot een te hoog bedrag is opgelegd.

3.2.

Partijen doen hun standpunten steunen op de gronden welke daartoe door hen zijn aangevoerd in de van hen afkomstige stukken, alsmede (voor wat de Inspecteur betreft) op hetgeen ter zitting naar voren is gebracht.

4 Het oordeel van het Gerecht

Het Gerecht heeft het volgende overwogen:

4 BEOORDELING VAN HET BEROEP

Ontvankelijkheid van het bezwaar

4.1

Ingevolge artikel 29, lid 1 van de ALL kan de belanghebbende binnen twee maanden na de dagtekening van de voor bezwaar vatbare beschikking een bezwaar indienen bij de Inspecteur. Het bezwaarschrift is ter Inspectie ontvangen op 23 februari 2015 en is voorzien van een stempel. Het Gerecht is met partijen van oordeel dat het bezwaar tijdig is ingediend en dat belanghebbende ten onrechte niet- ontvankelijk is verklaard. Dat betekent dat het bezwaar ontvankelijk is. In zoverre is het beroep reeds gegrond.

Horen in de bezwaarfase

4.2

Belanghebbende heeft in de bezwaarfase verzocht om te worden gehoord. De Inspecteur is hieraan voorbij gegaan. Dat houdt in dat de Inspecteur de hoorplicht heeft geschonden. De omstandigheid dat in de ogen van de Inspecteur slechts sprake is van een juridisch geschilpunt maakt dat niet anders. Belanghebbende heeft verzocht om in de zaak te voorzien, zodat het Gerecht hierna de zaak inhoudelijk zal beoordelen.

Boete

4.3

Tussen partijen is niet in geschil dat verschuldigde winstbelasting over 2009 te laat is betaald en dat dit een derde verzuim betreft. In artikel 19, lid 1 ALL is bepaald dat indien de belastingplichtige de belasting die op aangifte moet worden voldaan niet (tijdig) heeft betaald, dit een verzuim vormt ter zake waarvan de Inspecteur hem een boete van ten hoogste NAf 10.000 kan opleggen.

4.4

De Minister van Financiën (hierna: de Minister) heeft in de Ministeriële regeling formeel belastingrecht (P.B. 2013-63; hierna: Regeling) beleidsregels vastgesteld ter

uitvoering van de in de ALL opgenomen boetebepalingen. In de artikelen 4.6 en 4.7 1 zijn de regels opgenomen over de verzuimboete bij te laat betalen van een aangiftebelasting. Het Gerecht zal nu eerst de vraag beantwoorden welke van die twee bepalingen in het onderhavige geval van toepassing is.

4.5

Artikel 4.6 van de Regeling geeft een algemene regeling voor het opleggen van een verzuimboete bij te late betaling van een aangiftebelasting. Artikel 4.7 vormt een inbreuk op die algemene regeling in het specifieke geval dat niet of te laat is betaald omdat te weinig is aangegeven. In dit geval vloeit de naheffingsaanslag niet voort uit het feit dat te weinig is aangegeven, maar hoogstens uit het feit dat te laat is aangegeven, hetgeen niet hetzelfde is. Gelet hierop is in het voorliggende geval artikel 4.6 van de Regeling van toepassing.

4.6

Ingevolge artikel 4.6, lid 2 aanhef en letter c, legt de Inspecteur bij niet (tijdige) betaling van de aangifte winstbelasting bij een derde verzuim “een boete op van 15% van het bedrag van de naheffingsaanslag met een minimum van NAf 1.000 en een maximum van NAf 10.000” Het bedrag van de naheffingsaanslag is in het voorliggende geval NAf 2.700. Dat is volgens het aanslagbiljet de verschuldigde belasting die in de naheffingsaanslag is begrepen. Gelet op de duidelijke en niet voor meerdere uitleg vatbare tekst van artikel 4.6, lid 2 aanhef en letter c van de Regeling is in dat geval de boete 15% van NAf 2.700 ofwel NAf 405. Dit is lager dan het minimumbedrag zodat alsdan het minimumbedrag van NAf 1.000 geldt. Als de Minister bedoeld had om de boete te berekenen als percentage van de te laat aangegeven belasting (overeenkomstig het standpunt van de Inspecteur) dan had hij dat in de tekst tot uitdrukking moeten brengen. Nu hij dat niet gedaan heeft moet een burger erop kunnen vertrouwen dat de boete beperkt blijft tot 15% van de naheffingsaanslag (of het genoemde minimumbedrag). Dat zou slechts anders kunnen zijn indien toepassing van de letterlijke tekst zou leiden tot een zodanig ongerijmd resultaat dat belanghebbende daar in redelijkheid niet op had mogen en kunnen rekenen. Van die situatie is naar het oordeel van het Gerecht geen sprake.

4.7

De stelling van de Inspecteur dat de naheffingsaanslag niet NAf 2.700 bedroeg maar NAf 148.562, wordt door het Gerecht verworpen, omdat zij geen steun vindt in de feiten en de wettelijke bepalingen. Op de naheffingsaanslag staat immers, afgezien van de boete, uitsluitend het bedrag van NAf 2.700 vermeld. Dat is het bedrag dat wordt nageheven en de naheffingsaanslag vormt. Het Gerecht wijst in dit verband naar Hoge Raad 26 februari 2016, BNB 2016/79, waarin is beslist dat het niet mogelijk is belasting na te heffen die wel is betaald, maar waarvoor niet op de voorgeschreven wijze aangifte is gedaan. Het bedrag dat al betaald is voordat de onderhavige naheffingsaanslag werd opgelegd kan aldus niet in de naheffingsaanslag begrepen worden.

4.8

Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen verwerpt het Gerecht het standpunt van de Inspecteur. De verzuimboete dient te worden vastgesteld op het minimum bedrag van artikel 4.6, lid 2 aanhef en letter c van de Regeling ofwel NAf 1.000. Belanghebbende heeft betoogd dat de boete dient te worden vastgesteld op 15% x NAf 2.700, omdat in de toelichting op de aanslag het minimumbedrag niet is genoemd. Het Gerecht verwerpt dit betoog. Nu de opgelegde boete hoger was dan het hiervoor vermelde minimumbedrag hoefde de Inspecteur dit bedrag niet te noemen. Het Gerecht overweegt daarbij dat uit de toelichting duidelijk afgeleid kan worden dat de Inspecteur de boete baseerde op artikel 4.6 van de Regeling en niet op artikel 4.7. In de toelichting is immers de verzuimenreeks genoemd en die geldt alleen bij artikel 4.6 van de Regeling.”

5 Gronden

5.1.

De Inspecteur stelt, ook in hoger beroep, dat de boete tot het juiste bedrag is opgelegd. Belanghebbende heeft het gehele verschuldigde bedrag van NAf 166.562 te laat betaald en er is sprake van een derde verzuim. In dat geval is volgens de Inspecteur de in artikel 19, eerste lid, van de Algemene landsverordening Landsbelastingen (hierna: ALL) vermelde maximale boete van NAf 10.000 verschuldigd. Omdat al eerder een boete van NAf 2.700 is opgelegd, is de boete terecht vastgesteld op NAf 10.000 minus NAf 2.700 is NAf 7.300, aldus de Inspecteur.

De Inspecteur brengt naar voren dat “het bedrag van de tweede naheffingsaanslag niet 2.700 maar 148.562 [is]. Doordat om praktische redenen rekening gehouden wordt met de betaling en deze is aangemerkt als een te late betaling op aangifte van 145.862 wordt het verschuldigde belastingbedrag 2.700. (…) Op het aanslagbiljet is dus het saldo van de naheffingsaanslag (2.700) afgedrukt en niet de volledige berekening. De huidige stand van de automatisering staat een andere wijze van afdrukken nog niet toe. Deze wijze van kenbaar maken schept wellicht verwarring over het bedrag dat als grondslag genomen moet worden voor de boete.”

5.2.

Belanghebbende heeft het Hof, bij haar bericht dat zij niet bij de mondelinge behandeling van het Hof aanwezig zal zijn, verzocht “om de argumenten die zij heeft aangedragen voor de procedure in eerste aanleg tevens te beschouwen als argumenten in hoger beroep.”

5.3.

Het Hof is van oordeel dat het Gerecht in rechtsoverwegingen 4.3 tot en met 4.8 (aangaande de verzuimboete) op goede gronden de juiste beslissing heeft genomen. Het Hof neemt de gronden en de beslissing van het Gerecht derhalve over en maakt die tot de zijne. Hetgeen door de Inspecteur in hoger beroep naar voren is gebracht werpt geen nieuw of ander licht op de zaak.

5.4.

Het Hof acht geen termen aanwezig voor een proceskostenveroordeling in hoger beroep nu van kosten van de zijde van belanghebbende in hoger beroep niet is gebleken.

De slotsom

5.5.

De slotsom is alsdan dat het hoger beroep ongegrond is en de uitspraak van het Gerecht bevestigd dient te worden.

6 Beslissing

Het Hof bevestigt de uitspraak van het Gerecht.

Aldus gedaan door mrs. D. Haan, voorzitter, M.J. Leijdekker en P.A.M. Pijnenburg, leden, in tegenwoordigheid van M.M.M. Faro MSc. als griffier. De beslissing is op 4 januari 2019 in het openbaar uitgesproken.

Afschriften zijn per post/e-mail op aan partijen verzonden.

Het aanwenden van een rechtsmiddel:

Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen twee maanden na dagtekening van het afschrift van de uitspraak van het Gemeenschappelijk Hof beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag.

Partijen hebben ook de mogelijkheid hun beroepschrift in te dienen bij de griffie van het Gerecht in Eerste aanleg dat de zaak in eerste aanleg heeft behandeld. De datum van binnenkomst bij de griffie van het lokale Gerecht in Eerste aanleg is in dat geval bepalend voor de vraag of het beroep tijdig is ingesteld bij de Hoge Raad der Nederlanden.

U wordt verzocht bij het indienen van het beroepschrift het volgende in acht te nemen:

1. leg bij het beroepschrift een afschrift over van deze uitspraak;

2 onderteken het beroepschrift en vermeld het volgende:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. de dagtekening;

c. waartegen u in beroep komt;

d. waarom u het daar niet mee eens bent (de gronden van het beroep).

In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.

1 Beide bepalingen zijn gelijkluidend aan de overeenkomstige bepalingen (artikel 6, lid 2 en artikel 6a) van de Ministeriële beschikking administratieve boeten (P.B. 2001- 148). Deze beschikking was van toepassing in 2009.