Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:OGHACMB:2019:41

Instantie
Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba
Datum uitspraak
24-01-2019
Datum publicatie
14-05-2019
Zaaknummer
CUR2018H00178, CUR2018H00180, CUR2018H00181, CUR2018H00182
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

In geschil is of, en zo ja in hoeverre, er sprake is geweest van in de inkomstenbelasting te belasten uitdelingen. Het Hof heeft net als het Gerecht per correctie beoordeeld in hoeverre de Inspecteur terzake aan zijn bewijslast heeft voldaan en of er sprake is geweest van de vereiste dubbele bewustheid. Daar waar de Inspecteur een kostenpost in de bezwaarfase uitdrukkelijk in aftrek heeft toegelaten, kan hij daar in de (hoger) beroepsfase niet meer op terugkomen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Uitspraak

CUR2018H00178, CUR2018H00180, CUR2018H00181,

CUR2018H00182

Datum uitspraak: 24 januari 2019

GEMEENSCHAPPELIJK HOF VAN JUSTITIE

VAN ARUBA, CURAÇAO, SINT MAARTEN

EN VAN BONAIRE, SINT EUSTATIUS EN SABA

Uitspraak op de hoger beroepen van:

de Inspecteur der belastingen in Curaçao (de Inspecteur),

en

[ X ] (belanghebbende),

wonend in Curaçao,

tegen de uitspraak van het Gerecht in eerste aanleg van Curaçao (hierna: het Gerecht) van 11 juni 2018 in zaak BBZ nrs. CUR201600954 t/m CUR201500960 in de gedingen tussen:

belanghebbende,

en

de Inspecteur.

1 Procesverloop

1.1.

Aan belanghebbende zijn met dagtekening 30 december 2015 over de jaren 2007 tot en met 2010 navorderingsaanslagen inkomstenbelasting opgelegd naar een belastbaar inkomen van respectievelijk NAf 113.418 (2007), NAf 146.110 (2008), NAf 127.263 (2009) en NAf 221.573 (2010). Op dezelfde datum zijn navorderingsaanslagen premies AVBZ over de jaren 2007, 2009 en 2010 opgelegd naar gelijkluidende premie-inkomens. Bij (alle) vermelde navorderingsaanslagen zijn boetes opgelegd.

1.2.

Belanghebbende is op 29 februari 2016 tegen de belastingaanslagen en de boetes in bezwaar gekomen. Bij uitspraken op bezwaar van 21 oktober 2016 heeft de Inspecteur de navorderingsaanslagen inkomstenbelasting verminderd naar respectievelijk NAf 93.015 (2007), NAf 139.272 (2008) , NAf 116.963 (2009) en NAf 200.773 (2010). De navorderingsaanslagen premies AVBZ (voor 2007, 2009 en 2010) zijn verminderd naar gelijkluidende premie-inkomens. Tevens zijn de boetes evenredig verminderd.

1.3.

Belanghebbende is tegen de uitspraken op bezwaar op 19 december 2016 in beroep gekomen. Hij heeft daarbij een bedrag van NAf 50 aan griffierecht betaald.

1.4.

Het Gerecht heeft op het door belanghebbende ingestelde beroep op 11 juni 2018 als volgt beslist:

“De rechter in dit Gerecht:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt de uitspraken op bezwaar;

- vernietigt de boetebeschikkingen;

- stelt de uitdelingen vast op respectievelijk NAf 30.005 (2007), NAf 54.397 (2008), NAf 43.302 (2009) en NAf 69.285 (2010) en vermindert de aanslagen inkomstenbelasting 2007 tot en met 2010 dienovereenkomstig;

- veroordeelt de Inspecteur in de proceskosten van belanghebbende ten bedrage van NAf 1.400;

- gelast dat de Inspecteur het door belanghebbende betaalde griffierecht van NAf 50 vergoedt.”

1.5.

Tegen deze uitspraak is door de Inspecteur op 18 juni 2018 hoger beroep ingesteld bij het Hof. Belanghebbende heeft op 31 juli 2018 zijn verweerschrift ingediend en daarbij tevens zelf (tijdig) hoger beroep ingesteld. Door de Inspecteur zijn op 29 augustus 2018 en 20 september 2018 nadere stukken ingediend. Van de zijde van belanghebbende zijn op 22 augustus 2018 en 31 augustus 2018 nadere stukken ingediend.

1.6.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 25 oktober 2018 te Willemstad, Curaçao. Aldaar zijn namens belanghebbende verschenen [ A ] en [ B ] (administrateur van belanghebbende) en namens de Inspecteur [ C ].

1.7.

Belanghebbende heeft te dezer zitting een pleitnota voorgedragen en exemplaren daarvan overgelegd aan het Hof en aan de wederpartij. Aan het einde van de zitting heeft het Hof het onderzoek gesloten.

2. Feiten

2.1.

Het Gerecht heeft de volgende, in hoger beroep niet bestreden, feiten vastgesteld, welke feiten het Hof als vaststaand overneemt :

“2.2 Belanghebbende is directeur en enig aandeelhouder van [ Q ] N.V. (hierna: de NV). De NV houdt zich bezig met het uitbrengen van adviezen op het gebied van management en bouwprocessen en met maatwerktraining.

2.3

Door de Stichting Belastingaccountantsbureau (hierna: BAB) is bij de NV een boekenonderzoek ingesteld over de periode 2007 tot en met 2010. De resultaten van het onderzoek zijn opgenomen in een op 29 mei 2012 opgemaakt controlerapport (hierna: BAB-rapport). Voor de winstbelasting 2008 tot en met 2010 zijn in het BAB-rapport de volgende correcties voorgesteld:

Onderdeel

Omschrijving

2007

2008

2009

2010

(…)

Lidmaatschappen*

1.529

1.754

2.114

7.272

(…)

Utiliteitskosten/Water en elektra

6.033

7.572

6.571

5.029

(…)

Kantoorkosten

17.722

13.836

7.380

16.585

(…)

Reis- en verblijfkosten

22.909

24.779

27.374

39.604

(…)

Trainingen en congressen

0

18.535

0

26.009

(…)

Representatiekosten

4.635

10.864

15.148

12.795

(…)

Totaal

52.828

77.340

58.587

107.294

*Omschrijving

2007

2008

2009

2010

Amazon

0

0

0

5.916

[ Z ] Golf Club

361

584

943

282

CCR Management

1.168

1.170

1.171

1.074

Totaal

1.529

1.754

2.114

7.272

2.4

De Inspecteur heeft de correctievoorstellen als uitdelingen aangemerkt en daarvoor navorderingsaanslagen inkomstenbelasting en boetes opgelegd.

2.5

Naar aanleiding van de ingediende bezwaarschriften zijn de winstuitdelingen als volgt aangepast:

Winstcorrectie: winstuitdeling

2007

2008

2009

2010

(…) Lidmaatschappen

1.529

1.754

2.114

4.314

(…) Utiliteitskosten

3.352

4.733

3.651

3.772

(…) kantoorkosten

-

9.837

-

-

(…) Reis- en verblijfskosten

22.909

24.779

27.374

39.604

(…) Trainingen en congressen

18.535

26.009

(…) Representatiekosten

4.635

10.864

15.148

12.795

Totaal winstuitdeling wordt

32.425

70.502

48.287

86.494

Totaal winstuitdeling was

52.828

77.340

58.587

107.294

Ter aanvulling neemt het Hof de volgende feiten op.

2.6.

Tot de gedingstukken behoren kopieën van door belanghebbende overlegde aankondigingsbrieven van de navorderingsaanslagen inkomstenbelasting 2007 en 2009.

Hierop is, voor zover van belang, vermeld;

“Tijdens een onderzoek door de Stichting Belasting accountsbureau bij [ Q ] N.V. is gebleken dat u een verkapte winstuitdeling heeft ontvangen van NAF (de Inspecteur: bedrag per jaar verschillend). Ik pas een boete toe van 25%, omdat sprake is van grove schuld. U heeft aanzienlijke bedragen wegens privékosten ten onrechte als zakelijke kosten geboekt.”

2.7.

De Inspecteur heeft in een schrijven van 29 augustus 2018, desgevraagd, de volgende cijfermatige opstellingen gemaakt:

Jaar

2007

2008

2009

2010

Winstuitdeling volgens navorderingsaanslag

52.828

77.340

58.587

107.294

Na vermindering

32.425

70.502

48.287

86.494

Volgens uitspraak Gerecht

30.005

54.397

43.302

69.285

Door mij bestreden

1.529

1.754

2.114

1.356

(…)

Jaar

2007

2008

2009

2010

Belastingbedrag

volgens definitieve aanslag

10.373

13.090

13.755

31.345

Belastingbedrag volgens vermindering

16.696

26.838

23.171

48.211

Verschil

6.323

13.748

9.416

16.866

19,5% van 32.425 =

6.322,88

13.747,89

9415,97

16.866,33

De vastgestelde belastbare inkomens (volgens de verminderingen) zijn:

Jaar

2007

2008

2009

2010

Belastbaar inkomen volgens de vermindering

93.015

139.272

116.963

200.773

Hiervan is belast tegen

19,5%

32.425

70.502

48.287

86.494

De belastbare inkomens moeten volgens mij worden:

Jaar

2007

2008

2009

2010

Belastbaar inkomen na

vermindering

93.015

139.272

116.963

200.773

Af: correctie

-32.425

-70.502

-48.287

-86.494

Bij: correctie zoals

vastgesteld door Gerecht

+30.005

+54.397

+43.302

+69.285

Bij: door mij bepleite

Correctie

+1.529

+1.754

+2.114

+1.356

Belastbaar inkomen moet worden

92.124

124.921

114.092

184.920

Hiervan is belast tegen 19,5%

Volgens uitspraak Gerecht

30.005

54.397

43.302

69.285

Door mij bepleite Correctie

+1.529

+1.754

+2.114

+1.356

Bedrag belast tegen 19,5%

moet worden

31.534

56.151

45416

70.641

2.8.

Belanghebbende heeft in een schrijven van 31 augustus 2018, desgevraagd, de volgende cijfermatige opstellingen (met toelichting) gemaakt:

“Voor wat betreft de cijfermatige onderbouwing het volgende. Belanghebbende heeft onderbouwd aangegeven dat er geen sprake kan zijn van uitdelingen. Wij handhaven die stellingname hetgeen maakt dat wij in onze opstelling enkel de uitdelingen elimineren hetgeen het navolgende beeld oplevert:

jaar

2007

2008

2009

2010

belastbaar inkomen volgens de vermindering

93015

139272

116963

200773

af: correctie

-32425

-32425

-48287

-86494

belastbaar inkomen (progressief belast)

60590

106847

68676

114279

Mocht het Hof onverhoopt van mening zijn dat ondanks hetgeen wij hierboven aangaven er wel sprake is van uitdelingen dan verzoeken wij het Hof in goede justitie deze te bepalen waarbij rekening wordt gehouden met het door [belanghebbende] gestelde dat de “Amazon”-aankopen weldegelijk van puur zakelijke aard zijn en even zozeer de reis-en-verblijfkosten.

Dat zou dan leiden tot uitdelingen als volgt:

jaar

2007

2008

2009

2010

uitdeling volgens gerecht

30005

54397

43302

69285

af: correctie

-1479

Amazon aankopen

reis-en-verblijfkosten

-22909

-22279

-27374

-35604

uitdelingen (belast tegen 19.5 procent)

7096

32118

15928

32202

3 Geschil in hoger beroep

3.1.

Ter zitting van het Hof heeft belanghebbende zijn hogere beroepen tegen de navorderingsaanslagen AVBZ en de daarbij opgelegde boetes ingetrokken nadat de Inspecteur heeft toegezegd dat hij deze navorderingsaanslagen en boetes ambtshalve zal verminderen als de uitkomst van de procedure inzake de navorderingsaanslagen inkomstenbelasting onherroepelijk vaststaat (en daarbij de premie-inkomens voor de AVBZ en boetes zal vaststellen overeenkomstig de uitkomsten van die procedure).

3.2.

In hoger beroep is alsdan in geschil of:

(1) de belastbare inkomens van de voorliggende jaren nader gecorrigeerd dienen te worden met door Inspecteur in hoger beroep gestelde verhogingen van de uitdelingen ad. NAf 1.529 (2007), NAf 1.754 (2008), NAf 2.114 (2009) en NAf 1.356 (2010) dan wel met de door belanghebbende in hoger beroep voorgestane vaststelling van de uitdelingen op nihil dan wel subsidiair tot verlaging van de uitdeling ten aanzien van de reis-en verblijfkosten (2007: NAf -22.909, 2008: NAf -22.279, 2009: NAf -27.374 en 2010: NAf -35.604);

(2) de boetes terecht aan belanghebbende zijn opgelegd;

(3) het Gerecht terecht een proceskostenveroordeling heeft uitgesproken.

3.3.

Partijen doen hun standpunten steunen op de gronden welke daartoe door hen zijn aangevoerd in de van hen afkomstige stukken, alsmede op hetgeen zij ter zitting hebben bijgebracht.

4 Het oordeel van het Gerecht

Het Gerecht heeft het volgende overwogen:

4 BEOORDELING VAN HET GESCHIL

4.1.

Het Gerecht is van oordeel dat, nu in het onderhavige geval voor de inkomstenbelasting de uitdeling in geschil is, de Inspecteur de stelplicht, en bij betwisting daarvan de bewijslast heeft, om aannemelijk te maken dat de uitgaven van de NV niet zakelijk zijn geweest. Uitgaven van een vennootschap zijn slechts niet zakelijk indien en voor zover zij zijn gedaan ter persoonlijke behoeftenbevrediging van de aandeelhouder(s). De Inspecteur zal dus, kort gezegd, moeten bewijzen dat de NV bepaalde uitgaven gedaan heeft ten behoeve van belanghebbende en niet ten behoeve van de vennootschap. Het Gerecht zal hierna per correctie beoordelen of en zo ja in hoeverre de Inspecteur aan zijn bewijslast heeft voldaan.

4.2

Lidmaatschapskosten

4.2.1

Het Gerecht stelt het volgende voorop. De Inspecteur heeft bij de afhandeling van de bezwaren na nader onderzoek de lidmaatschapskosten voor 50% in aftrek toegelaten. Nadien heeft de Inspecteur het standpunt ingenomen dat de kosten in het geheel niet aftrekbaar zijn. In zoverre wenst de Inspecteur, indien aan de orde, interne compensatie toe te passen. Naar het oordeel van het Gerecht is dit niet mogelijk. Met het uitdrukkelijk en onvoorwaardelijk ingenomen standpunt in de bezwaarfase heeft de Inspecteur bij belanghebbende in rechte te honoreren vertrouwen gewekt, zodat daarop niet meer in het nadeel van belanghebbende terug gekomen kan worden.

4.2.2

Kosten Amazon (uitsluitend 2010)

In de bezwaarfase zijn bonnen overgelegd, waaruit is gebleken dat het aanschaffingen betreft van onder meer een notebook, laser printer, memory, DVD writer. En daarnaast van enkele boeken, waarvan de zakelijkheid niet is aangetoond. Belanghebbende heeft toegegeven dat de elektronische apparatuur naast overwegend zakelijk ook wel privé gebruikt wordt. Ter zitting acht hij een privé deel van 25% van NAf 5.916, ofwel NAf 1.479 reëel. Het Gerecht sluit zich hier bij aan. De Inspecteur heeft een groter privé-element niet aannemelijk gemaakt.

4.2.3 [

Z ] golf club

De NV heeft 100% van de kosten als zakelijke kosten aangemerkt. De Inspecteur heeft in de bezwaarfase 50% niet als zakelijke kosten geaccepteerd. Belanghebbende bepleit in beroep een privé deel van 50%. Met inachtneming van hetgeen het Gerecht in 4.2.1 heeft overwogen stelt het Gerecht het privé element op 50%.

4.2.4

CCR Management

Deze kosten zijn door de NV voor 100% in aftrek gebracht. Zij heeft aan de controleambtenaar meegedeeld dat het kosten van lidmaatschap van het [ W ] hotel betreft. In beroep heeft belanghebbende toegelicht dat de NV geen representatieve ruimte aan huis heeft, en dat het [ Hotel ] hotel een locatie is, waar hij zakelijke contacten op passende wijze kon ontvangen en waar hij zakelijke besprekingen kon voeren. Belanghebbende geeft toe dat de kosten ook een privé aspect hebben dat in redelijkheid gesteld kan worden op 20%. De Inspecteur heeft daartegenover aangevoerd dat hem bij het [ Hotel ] alleen een lidmaatschap van de fitnessruimte bekend is. Bovendien is geen lidmaatschap nodig om aldaar te kunnen gaan lunchen met zakelijke klanten, aldus de Inspecteur. Ter zitting heeft belanghebbende verklaard niet te weten wat het lidmaatschap precies inhoudt. Hiervan uitgaande en rekening houdend met hetgeen in 4.2.1 is overwogen heeft de Inspecteur naar het oordeel van het Gerecht aannemelijk gemaakt dat 50% van de kosten niet zakelijk is en strekt tot behoeftebevrediging van de aandeelhouder.

4.2.5

Samenvattend betekent dit dat het privé deel van de lidmaatschapskosten voor de jaren 2007 tot en met 2009 vastgesteld kan worden overeenkomstig het standpunt van de Inspecteur in de uitspraken op bezwaar. Voor 2010 is het enige verschil met de uitspraak op bezwaar dat het privé deel van de kosten Amazon NAf 1.479 bedraagt in plaats van NAf 2.958. Cijfermatig (in NAf):

2007 2008 2009 201 0

Correctie* lidmaatschapskosten 1.529 1.754 2114 2.835

* Met ‘correctie’ wordt steeds bedoeld: hoger privé aandeel dan in de aangifte is aangenomen.

4.3

Utiliteitskosten (water en elektra)

Belanghebbende houdt kantoor in zijn woonhuis en heeft daarvoor drie van de vier ruimtes in gebruik. In het controlerapport is vermeld dat belanghebbende in de jaren 2007 tot en met 2009 alle kosten van elektra en water bij de NV in aftrek heeft gebracht en in 2010 80% van de kosten. Belanghebbende heeft dat bestreden. Volgens hem werd in 2007 75% van de totale kosten in aftrek gebracht, in 2008 80%, in 2009 75% en in 2010 80%. De Inspecteur is daar in de bezwaarfase van uitgegaan en heeft op basis daarvan 50% van de totale kosten als zakelijk geaccepteerd. Belanghebbende is van mening dat de in aftrek gebrachte bedragen alle zakelijk zijn. De airco’s in de kantoorruimtes draaien overdag en gebruiken door de zonbelasting meer stroom dan de privé airco in de slaapkamer. Bovendien is de stroom die overdag verbruikt wordt duurder dan die van ’s nachts. In beroep heeft de Inspecteur verdedigd dat 40% van de kosten ten behoeve van de aandeelhouder in privé is gemaakt. Hij voegt daartoe aan dat lang niet op alle dagen van het jaar in alle ruimtes gewerkt wordt, dat de maten van de diverse kamers niet genoemd zijn, en dat in privé meer energieverbruikende apparaten (wasmachine, vaatwasser, vriezer) gebruikt worden dan zakelijk. Op basis hiervan acht het Gerecht de verdeling zakelijk-privé, zoals die is voorgestaan door de Inspecteur (40% privé) redelijk en aannemelijk. In de uitspraken op bezwaar is uitgegaan van een privé deel van 50% van de totale utiliteitskosten, die daar becijferd zijn op NAf 13.407 (2007), NAf 15.775 (2008), NAf 14.603 (2009) en NAf 12.573 (2010). Het privé deel is dan respectievelijk NAf 1.340 (2007), NAf 1.578 (2008), NAf 1.461 (2009) en NAf 1.258 (2010) lager dan waarvan in de uitspraken op bezwaar is uitgegaan. Cijfermatig houdt dit in (in NAf)

2007 2008 2009 201 0

Correctie utiliteitskosten 2.010 3.155 2.190 2.514

4.4

Reis- en verblijfkosten

4.4.1

In het BAB-rapport is hierover opgemerkt:

“Tijdens het boekenonderzoek is geconstateerd dat er reiskosten naar Ecuador, St. Maarten, Verenigde Staten, Londen en Nederland ten laste van het resultaat worden gebracht.[ Belanghebbende ] heeft namens belastingplichtige verklaard dat er geen sprake is van buitenlandse klanten. Dit is ook uit de aangegeven omzet gebleken.

(…)

Aan de belastingplichtige is gevraagd naar een onderbouwing van de zakelijkheid van de reiskosten met betrekking tot reizen naar St. Maarten, Nederland en Londen, dit is tot op heden niet gebeurd. Voor de onderbouwing van de zakelijkheid van de kosten is niet voldoende om alleen maar de facturen te laten zien. Belastingplichtige dient ook aannemelijk te maken dat deze kosten voor een zakelijk doel zijn gemaakt. Verder dient te worden opgemerkt dat [ belanghebbende ] kinderen heeft die in Londen en in Nederland studeren.” (…)

4.4.2

Belanghebbende heeft in de beroepsfase een algemene toelichting gegeven op de zakenreizen. Zakenreizen zijn volgens hem in essentie ‘a cost of doing business’ en dienen door de werkgever vergoed te worden. Bij een zakenreis kan het gaan om het opdoen van nieuwe kennis, het behouden van certificeringen, het opbouwen en/of bijhouden van netwerk relaties en de aankoop van equipment voor zakelijk gebruik. Dat laatste is nodig, omdat bepaalde equipment lokaal niet te verkrijgen of te duur is. In algemene termen heeft de aanpak van zakenreizen positief uitgewerkt nu de NV door zowel de publieke en private sector gevraagd wordt bij de complexere projecten en aanverwante activiteiten.

4.4.3

Met betrekking tot de jaren 2008 en 2010 heeft belanghebbende naast de algemene toelichting ook een concrete toelichting en een aantal bescheiden verstrekt op de in die jaren gemaakte reizen. Met betrekking tot de in 2007 en 2009 opgevoerde reis- en verblijfkosten heeft belanghebbende dat niet gedaan, terwijl de Inspecteur daar wel expliciet om gevraagd heeft. De Inspecteur heeft gemotiveerd gesteld dat de uitgaven onzakelijk zijn. Naar het oordeel van het Gerecht heeft belanghebbende met de algemene toelichting, zonder enige concrete onderbouwing, de onzakelijkheid van de betreffende uitgaven onvoldoende weersproken. De Inspecteur heeft de betreffende uitgaven terecht als uitgaven ten behoeve van belanghebbende in privé aangemerkt.

4.4.4

Met betrekking tot de in 2008 en 2010 gemaakte reis- en verblijfkosten geldt het navolgende.

4.4.4.1 Reis naar Ecuador (17 tot en met 21 maart 2010)

In het BAB-rapport is vermeld dat de reis naar Ecuador als omschrijving “Monumentenzorg” heeft en dat [ belanghebbende ] heeft verklaard dat hij vrijwilligerswerk voor Monumentenzorg doet. Hiermee heeft de Inspecteur naar het oordeel van het Gerecht een begin van bewijs geleverd dat de uitgaven zijn gedaan ten behoeve van de aandeelhouder. Het is dan aan belanghebbende om dit gemotiveerd te weerleggen. Hij heeft daartoe in het beroepschrift opgemerkt dat het primaire doel van de reis is de uitwisseling van kennis met de monumentenorganisatie in Quito en tevens netwerking. Belanghebbende is gecertificeerd projectmanager en de opgedane kennis heeft volgens belanghebbende bijgedragen tot behoud van de certificering van belanghebbende. Naar het oordeel van het Gerecht heeft belanghebbende hiermee het bewijs van de Inspecteur niet weerlegd. Het Gerecht ziet, zonder nadere onderbouwing die ontbreekt, niet in op welke wijze het bezoek aan Monumentenzorg in Ecuador kan bijdragen aan het behoud van certificering. Ook overigens heeft belanghebbende het verband tussen de activiteiten van de NV en het bezoek aan een monumentenorganisatie in Ecuador, onvoldoende aangetoond. Het gelijk op dit punt is aan de Inspecteur.

4.4.4.2 Reizen naar Miami (23 tot en met 26 mei 2008 en mei 2010) en Seattle (1 tot en met 13 september 2010)

De reizen zijn volgens belanghebbende gemaakt om zakelijke inkopen te doen. De reis naar Seattle werd tevens benut om de Microsoft Offices te bezoeken in verband met de voorgenomen verkoop door belanghebbende van planning-expertise. De Inspecteur heeft de zakelijkheid bestreden. Met betrekking tot het bezoek aan Microsoft heeft de Inspecteur gevraagd naar correspondentie waaruit blijkt dat hij aldaar een afspraak had. Die correspondentie is niet verstrekt. Het Gerecht stelt voorop dat kosten van reizen die gemaakt worden om zakelijke inkopen te doen in zijn algemeenheid zakelijk zijn. Maar de Inspecteur heeft gemotiveerd gesteld dat niet is gebleken van zakelijke inkopen tijdens die reizen. Hiermee heeft de Inspecteur het begin van bewijs geleverd dat de uitgaven zijn gedaan ten behoeve van de aandeelhouder. Het is dan aan belanghebbende om dit gemotiveerd te weerleggen. Dit heeft belanghebbende niet gedaan. Noch uit de tot het dossier behorende stukken, noch uit de toelichting van belanghebbende, blijkt welke aankopen op welk moment verricht zijn. In dat geval kunnen de reiskosten niet als zakelijk aangemerkt worden en moeten ze geacht worden te zijn gemaakt ten behoeve van de aandeelhouder in privé.

Voor de kosten van het bezoek aan Microsoft geldt hetzelfde. Ook die kosten kunnen aftrekbaar zijn, maar de Inspecteur heeft gesteld dat niet uit de stukken blijkt dat daadwerkelijk een bezoek aan Microsoft is afgelegd, terwijl daar toch gegevens van zouden moeten zijn. Belanghebbende heeft dergelijke gegevens niet overgelegd, zodat de kosten als onzakelijke kosten moeten worden aangemerkt.

4.4.4.3 Reizen naar Sint Maarten (september, november, december 2010)

Belanghebbende, als werknemer van de NV, was lokaal door het Algemene Pensioenfonds Nederlandse Antillen (APNA) ingehuurd om het management van een project in Curaçao uit te voeren. Volgens belanghebbende was er een kans dat ook in Sint Maarten een dergelijk project gestart zou worden. De Inspecteur heeft de zakelijkheid betwist. Hem was na contact met het APNA gebleken dat alle investeringsbeslissingen in Curaçao werden genomen zodat er geen enkele zakelijke reden was om Sint Maarten te bezoeken. Hiermee heeft de Inspecteur het privé karakter van de uitgaven, tegenover de betwisting van belanghebbende, niet aannemelijk gemaakt. De Inspecteur heeft niet bestreden dat de NV betrokken was bij een (mogelijk) project op Sint Maarten. Het is dan verder aan de NV als ondernemer om daar invulling aan te geven. Als de NV in dat verband poolshoogte wil nemen in Sint Maarten dan is dat beleid van de ondernemer waar de Inspecteur zich niet in mag mengen. De gemaakte kosten zijn zakelijk.

4.4.4.4 Reis Bonaire (juli 2008)

Belanghebbende heeft gesteld dat deze reis in het teken van marktverkenning gemaakt is. De Inspecteur heeft dit niet ontkend. De kosten hebben aldus een zakelijk karakter.

4.4.4.5 Noch belanghebbende noch de Inspecteur heeft inzichtelijk gemaakt welke kosten aan welke reizen toegerekend moeten worden. Ook is niet duidelijk of belanghebbende in 2008 en 2010 naast de concreet genoemde kostenposten nog andere reis- en verblijfkosten opgevoerd heeft. De Inspecteur heeft in zijn algemeenheid alle niet benoemde kosten als niet zakelijk bestempeld omdat, ook na een verzoek daartoe, geen concrete toelichting of bescheiden verstrekt zijn, waaruit de zakelijkheid afgeleid zou kunnen worden. Het Gerecht volgt de Inspecteur hierin.

4.4.4.6 Omdat door partijen geen onderverdeling van de in 2008 en 2010 gemaakte reis- en verblijfkosten is gemaakt, zal het Gerecht het privé en zakelijk deel schattenderwijs vaststellen. In 2008 bedragen de totale opgevoerde kosten NAf 24.779. Alleen de kosten van de reis naar Bonaire zijn zakelijk geoordeeld. Het Gerecht stelt die kosten in goede justitie vast op NAf 2.500. In 2010 bedragen de totale opgevoerde kosten NAf 39.604, waarvan alleen de kosten met betrekking tot de reis of reizen naar Sint Maarten zakelijk zijn geoordeeld. Het Gerecht stelt die kosten in goede justitie vast op NAf 4.000. Voor het overige is sprake van kosten die gemaakt zijn ten behoeve van belanghebbende.

4.4.5

Cijfermatig betekent dit het volgende (in NAf):

2007 2008 2009 2010

Correctie reis/verblijfkosten 22.909 22.279 27.374 35.604

4.5

Trainingen en congressen

4.5.1

Reis Nederland – India (28 oktober tot en met 18 november 2008)

Belanghebbende heeft, namens de NV, in Delhi (India) het JCI congres bijgewoond. Voor zover de Inspecteur heeft verdedigd dat de reis naar India gemaakt is in het kader van zijn vrijwilligerswerk bij Monumentenzorg verwerpt het Gerecht die stelling, omdat die stelling geen steun vindt in de feiten. Voor het overige heeft de Inspecteur niet gemotiveerd gesteld dat deze reis onzakelijk is. Wel heeft hij de hoogte van de kosten bestreden. Belanghebbende heeft als verblijfkosten een vast bedrag (USD 200 per dag) in aanmerking genomen en niet de werkelijke kosten. Ook van de overige kosten is volgens de Inspecteur geen bewijs geleverd. Naar het oordeel van het Gerecht is het, hoewel niet voldoende bewijs is geleverd van de hoogte van de kosten, aannemelijk dat belanghebbende zakelijke kosten gemaakt heeft voor de reis naar India. Het Gerecht zal de zakelijke kosten in goede justitie vaststellen.

Tijdens de terugreis heeft belanghebbende een stop gemaakt in Nederland, om daar namens Monumentenzorg Curaçao een congres in Rotterdam bij te wonen over stedelijke vernieuwing. Het Gerecht heeft in 4.4.4.1 overwogen dat de kosten die gemaakt zijn in het kader van Monumentenzorg onzakelijke kosten vormen. Deze kosten zijn gemaakt ten behoeve van belanghebbende in privé. De totale opgevoerde kosten bedragen NAf 18.535. Omdat partijen geen inzicht verstrekt hebben in de samenstelling van dit bedrag zal het Gerecht het zakelijk deel schattenderwijs vaststellen op NAf 9.500.

4.5.2

Trainingen en congressen 2010

In het BAB-rapport is over deze kosten opgemerkt:

“In het jaar 2010 is een bedrag van 26.008 als kosten van trainingen en congressen ten laste van het resultaat gebracht. Als onderbouwing van deze kosten heeft belastingplichtige een lijst laten zien met betalingen die aan KLM, Expedia, American Airlines, hotels in St. Maarten zijn verricht. Uit de administratie is niet gebleken welke training en/of congres is gevolgd c.q. bezocht.” (…)

Belanghebbende heeft in het beroepschrift een toelichting gegeven met betrekking tot een reis naar Miami en New York van 25 juli tot en met 3 augustus 2008. In New York is een conferentie van JCI bijgewoond. De daaraan verbonden kosten zijn zakelijk (zie ook 4.5.1). Daarnaast is het Allen Institute bezocht, dat volgens belanghebbende van plan was om in Curaçao te gaan investeren. De Inspecteur heeft niet concreet en gemotiveerd gesteld dat de hierop betrekking hebbende kosten onzakelijk waren. Het Gerecht oordeelt dat sprake is van zakelijke kosten.

Voor het overige zijn de kosten van de diverse luchtvaartmaatschappijen en kosten die daarmee verband houden in het geheel niet onderbouwd, ook al heeft de Inspecteur daarom gevraagd. Deze kosten dienen dan naar het oordeel van het Gerecht als niet zakelijke, ten behoeve van de aandeelhouder gemaakte, kosten worden aangemerkt.

De totale opgevoerde kosten bedragen NAf 26.009. Omdat partijen geen inzicht verstrekt hebben in de samenstelling van dit bedrag zal het Gerecht het zakelijk deel schattenderwijs vaststellen op NAf 7.500.

4.5.3

Cijfermatig houdt dit het volgende in (in NAf):

2008 2010

Correctie kosten Trainingen/congressen 9.035 18.509

4.6

Representatiekosten

In het BAB-rapport is hierover vermeld dat in 2010 een bedrag van NAf 8.898 betrekking heeft op contante bankopnames waarvan de bestemming niet bekend is, op betalingen bij buitenlandse restaurants, autoverhuurbedrijven, Insel Air en op overige bankopnames. Belanghebbende kon de zakelijkheid hiervan niet aantonen. Het bedrag van NAf 8.898 vormt 43% van de totale kosten. Voor de overige jaren is eveneens 43% van de geboekte representatiekosten niet als zakelijke kosten geaccepteerd. In het beroepschrift stelt belanghebbende dat hij en zijn werkgever zich uitermate redelijk opstellen. Het Gerecht overweegt hierover dat dat niet voldoende is om uitgaven als zakelijk aan te merken. Voor zover de kosten van buitenlandse restaurants, autoverhuurbedrijven zien op zakelijke reizen zijn die kosten wel zakelijk. Het Gerecht zal dat deel schattenderwijs vaststellen op 10%. Dat betekent dat voor het jaar 2010 33% van de representatiekosten niet als zakelijk wordt aangemerkt. Het Gerecht acht het voorts aannemelijk dat de omvang en het patroon van de representatiekosten in de jaren 2007 tot en met 2009 overeenkomen met dat in 2010 en zal dus over die jaren hetzelfde percentage toepassen ter vaststelling van het niet-zakelijk gedeelte. De door belanghebbende opgevoerde representatiekosten bedroegen respectievelijk NAf 10.779 (2007), NAf 25.266 (2008), NAf 35.227 (2009) en NAf 29.769 (2010). Samenvattend betekent dit het volgende:

2007 2008 2009 2010

Correctie representatiekosten 3.557 8.337 11.624 9.823

4.7

Kantoorkosten

In de uitspraken op bezwaar heeft de Inspecteur de correcties over de jaren 2007, 2009 en 2010 ongedaan gemaakt. De correctie over 2008 is teruggebracht van NAf 13.836 naar NAf 9.837. Hiertegen heeft belanghebbende geen grieven aangevoerd.

4.8

Bewustheid bevoordeling

Uitgaven die door een NV worden gedaan ten behoeve van de aandeelhouder kunnen slechts als uitdeling worden aangemerkt indien sprake is van een bewuste bevoordeling van die aandeelhouder. Een dergelijke bewuste bevoordeling vormt bij de aandeelhouder inkomen uit aanmerkelijk belang. Naar het oordeel van het Gerecht is in het voorliggende geval sprake van een bewuste bevoordeling. Belanghebbende (als aandeelhouder en als bestuurder van de NV) heeft privé kosten ter persoonlijke behoeftenbevrediging laten betalen door de NV. Dat betekent dat de onzakelijke kosten uitdelingen vormen die bij belanghebbende tot het inkomen gerekend moet worden. Daarbij is het aanmerkelijk belangtarief van 19,5% van toepassing.

4.9

Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen kunnen de uitdelingen op de volgende bedragen worden vastgesteld (in NAf):

Omschrijving

2007

2008

2009

2010

(…) Lidmaatschappen

1.529

1.754

2.114

2.835

(…) Utiliteitskosten

2.010

3.155

2.190

2.514

(…) kantoorkosten

-

9.837

-

-

(…) Reis- en verblijfskosten

22.909

22.279

27.374

35.604

(…) Trainingen en congressen

9.035

18.509

(…) Representatiekosten

3.557

8.337

11.624

9.823

Totaal

30.005

54.397

43.302

69.285

4.10

Boetes

Belanghebbende heeft bezwaar gemaakt tegen de opgelegde boetes. In de tot het dossier behorende stukken bevindt zich een kopie van de navorderingsaanslag inkomstenbelasting 2008 waarop staat dat een boete is opgelegd vanwege het niet tijdig doen van aangifte. Deze boete is verder niet gemotiveerd en onderbouwd. Tegenover de betwisting van belanghebbende heeft de Inspecteur niet aannemelijk gemaakt dat de boete terecht is opgelegd. Voor de overige jaren heeft de Inspecteur geen enkele toelichting of onderbouwing verstrekt met betrekking tot de opgelegde boetes. De Inspecteur heeft daarmee niet aan de op hem rustende bewijslast voldaan. Het Gerecht zal alle opgelegde boetes vernietigen

5 PROCESKOSTENVERGOEDING EN GRIFFIERECHT

5.1

Nu het beroep gegrond is ziet het Gerecht aanleiding om een proceskostenvergoeding toe te kennen. In artikel 15, lid 2 Landsverordening op het beroep in belastingzaken (LBB) is bepaald dat de regels over de kosten en de wijze van de berekeningen van de hoogte daarvan, bij of krachtens landsbesluit, houdende algemene maatregelen worden vastgesteld. Dat is nog niet gebeurd. Het Gerecht zal daarom aansluiten bij het Besluit proceskosten bestuursrecht, PB 2001, no. 127 (zie ook Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba, 21 juni 2017, ECLI:NL:OGHACMB:2017:54). In artikel 1 van dit Besluit zijn de kosten vermeld die voor vergoeding in aanmerking komen waaronder de kosten van door een derde beroepsmatig verleende bijstand. Het Gerecht stelt vast dat er sprake is van door een derde beroepsmatig verleende bijstand.

5.2

Op de voet van artikel 15 LBB in verbinding met het vorengenoemde Besluit, stelt het Gerecht de proceskosten vast op NAf 1.400 wegens beroepsmatig verleende rechtsbijstand (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van NAf 700, en een wegingsfactor van 1).

5.3

Omdat het beroep gegrond is verklaard, heeft belanghebbende ingevolge artikel 18, lid 5 van de LBB in belastingzaken recht op vergoeding van het betaalde griffierecht.”

5 Gronden

Vooraf: In geschil zijnde beschikkingen

5.1.

Nu de hoger beroepen tegen de navorderingsaanslagen AVBZ en de daarbij opgelegde boetes zijn ingetrokken zien de resterende hogere beroepen op de navorderingsaanslagen inkomstenbelasting 2007 tot en met 2010 en de daarbij opgelegde boetes. De Inspecteur heeft naar voren gebracht dat aanvankelijk geen beroep tegen de boetes was ingebracht en dat de boetes geen onderdeel van het geschil vormen. Nu door belanghebbende niet uitdrukkelijk afstand is gedaan van zijn recht om tegen de boetes op te komen slaagt deze grief niet.

Hoogte aanslagen

Lidmaatschappen

5.2.

De Inspecteur stelt in hoger beroep dat de door het Gerecht vastgestelde uitdelingen dienen te worden verhoogd met de navolgende bedragen: NAf 1.529 (2007) , NAf 1.754 (2008), NAf 2.114 (2009) en NAf 1.356 (2010). Ter onderbouwing beroept de Inspecteur zich op interne compensatie aangaande de 50% correctie van de lidmaatschappen. Hij brengt daartoe naar voren:

“Het BAB-rapport dateert van 29 mei 2012. In het BAB-rapport is voorgesteld de helft van de kosten van lidmaatschappen te corrigeren. Dit standpunt is bij het opleggen van de aanslagen overgenomen. Door de medewerkster die de bezwaarschriften heeft behandeld is deze correctie ongewijzigd gelaten. Ik heb in mijn verweerschrift gesteld, onder verwijzing naar de uitspraak van 30 januari 2015, nr. 2012/55174 dat de kosten ten onrechte voor slechts 50% gecorrigeerd zijn. Naar mijn mening kan ik een beroep doen op interne compensatie.

Naar mijn mening kan er geen sprake zijn van opgewekt vertrouwen in administratiefrechtelijke zin. Dat vertrouwen zou kunnen gelden voor toekomstige belastingjaren. Maar niet voor de onderhavige jaren.”

In voornoemd BAB rapport is aangaande de lidmaatschappen het volgende opgenomen:

“Gezien het feit dat de verklaring van belastingplichtige aannemelijk is, maar de kosten toch een privé karakter hebben, is met belastingplichtige overgekomen dat 50% van de kosten als privé kosten worden aangemerkt. Dit geldt namelijk voor de betalingen aan [ Z ] Golf Club en CCR Management.”

Naar het oordeel van het Hof heeft de Inspecteur hiermee (in het kader van het boekenonderzoek) uitdrukkelijk en zonder voorbehoud te kennen gegeven dat hij voor de onderhavige jaren vijftig percent van de kosten met betrekking tot de lidmaatschappen bij belanghebbende in aanmerking zal nemen. Het daardoor bij belanghebbende gewekte vertrouwen verhindert dat de Inspecteur vervolgens in (hoger) beroep op dit standpunt terugkomt en dienaangaande een beroep doet op interne compensatie (vgl. Hoge Raad 30 maart 2007, ECLI:NL:HR:2007:BA1831).

5.3.

Belanghebbendes meest vergaande standpunt is dat de vereiste bewustheid ontbreekt bij alle in aanmerking genomen uitdelingen. Vervolgens stelt hij subsidiair dat in ieder geval bewustheid ontbreekt bij de gestelde uitdelingen aangaande de reis- en verblijfkosten. Ter zitting van het Hof heeft hij zijn grief aangaande de hoogte van de door het Gerecht vastgestelde uitdeling “Amazon” ingetrokken. Om proceseconomische redenen zal het Hof eerst belanghebbendes subsidiaire grief behandelen.

Reis- en verblijfkosten

5.4.

Het Hof is van oordeel dat het Gerecht in overwegingen 4.4.1 tot en 4.4.5 op goede gronden de juiste beslissingen heeft genomen. Ter aanvulling overweegt het Hof als volgt. Aangaande de door belanghebbende opgevoerde reis- en verblijfkosten over de jaren 2007 en 2009, merkt het Hof op dat belanghebbende ook in hoger beroep met betrekking tot deze jaren, naast een algemene toelichting (kort samengevat: de Inspecteur gaat te veel plaatsnemen op de stoel van de ondernemer), geen concrete nadere toelichting of bescheiden heeft overgelegd. Dit terwijl door de Inspecteur gemotiveerd is gesteld dat deze uitgaven onzakelijk zijn. Naar het oordeel van het Gerecht heeft belanghebbende met deze algemene toelichting, zonder enige concrete adequate onderbouwing, de onzakelijkheid van de betreffende uitgaven ook in hoger beroep onvoldoende weersproken.

Voorts heeft belanghebbende ter zake de opgevoerde reis- en verblijfkosten over de jaren 2008 en 2010 (reizen naar Ecuador, Miami, Sint Maarten en Bonaire) in hoger beroep geen nadere stukken, verklaringen of anderszins relevante informatie naar voren gebracht die nopen tot een andere verdeling (in een zakelijk- en een privédeel) dan de verdeling zoals deze door het Gerecht is gemaakt in 4.4.5. Dit brengt mee dat het Hof hierin tot dezelfde conclusie komt als het Gerecht

5.5.

Een (in aanmerking te nemen) winstuitdeling is voorts eerst aanwezig indien sprake is van een bevoordeling van een aandeelhouder als zodanig die kan plaatsvinden uit winst of winstreserves dan wel in het vooruitzicht van te maken winst, waarbij de aandeelhouder en de vennootschap zich bewust zijn of redelijkerwijs bewust hebben moeten zijn van de bevoordeling (hierna ook te noemen: eis van dubbele bewustheid) en de aandeelhouder de bevoordeling in zijn hoedanigheid van aandeelhouder heeft aangenomen (vgl. onder meer HR 24 oktober 2003, nr. 37.856, ECLI:NL:HR:2003:AI0411, en HR 8 juli 1997, nr. 32.050, ECLI:NL:HR:1997:AA2193). Voor de bewustheid van de uitdeling is overigens niet van belang dat de aandeelhouder en de vennootschap zich ook bewust waren van de exacte omvang van de uitdeling.

5.6.

Nu belanghebbende in de voorliggende jaren directeur en grootaandeelhouder was van de NV acht het Hof kennis en wetenschap bij belanghebbende aanwezig omtrent de betaling van de kosten voor de genoemde reis- en verblijfkosten door de vennootschap. Deze kennis dient derhalve ook aan de vennootschap te worden toegerekend. Aan de eis van dubbele bewustheid is derhalve voldaan. Er is door de betaling van kosten ten behoeve van belanghebbende door de vennootschap sprake van een vermogensverschuiving van de vennootschap naar belanghebbende. Een dergelijke bewuste bevoordeling vormt bij belanghebbende (aandeelhouder) inkomen uit aanmerkelijk belang.

5.7

Overige correcties

Belanghebbende heeft in hoger beroep geen nadere adequate onderbouwing of bescheiden ter zake de overige correcties overgelegd. Ook in hoger beroep stelt de Inspecteur gemotiveerd dat deze uitgaven (naar de door hem voorgestelde bedragen) onzakelijk zijn. Naar het oordeel van het Hof zijn in hoger beroep geen nadere stukken, verklaringen of anderszins relevante informatie naar voren gebracht die nopen tot een andere verdeling (in een zakelijk- en een privédeel) dan de verdeling zoals deze door het Gerecht is gemaakt in 4.9. Zoals hiervoor onder 5.6 is overwogen kunnen uitgaven die door een NV worden gedaan ten behoeve van de aandeelhouder slechts als uitdelingen worden aangemerkt indien sprake is van een dubbele bewustheid bij de bevoordeling van die aandeelhouder. Naar het oordeel van het Hof is ook bij de overige in geschil zijnde correcties sprake van bedoelde dubbele bewuste bevoordeling, te weten voor:

- 50% van de lidmaatschapskosten [ Z ] golf club;

- 25% van de kosten Amazon;

- 50% van de kosten van CCR management,;

- 40% van de utiliteitskosten (water en elektra);

- kosten van trainingen en congressen voor 2008 NAf 9.035 en 2010 NAf 18.509;

- representatiekosten voor 2007 NAf 3557, 2008 NAf 8.337, NAf 11.624 en 2010 NAf 9.823, en

- kantoorkosten 2008 NAf 9.837

Belanghebbende (als aandeelhouder en als directeur van de NV) heeft voornoemde kosten mede ter persoonlijke behoeftebevrediging laten betalen door de NV (en genoemde percentages en bedragen ter benadering van het privé-deel acht het Hof reëel). Dat betekent dat deze onzakelijke kosten uitdelingen vormen die bij belanghebbende tot het inkomen uit aanmerkelijk belang gerekend moet worden. Daarbij is het aanmerkelijk belangtarief van 19,5% toepassing (dit tarief is als zodanig niet meer in geschil).

5.8.

Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen kunnen de uitdelingen op de dezelfde bedragen worden vastgesteld als deze zijn vastgesteld door het Gerecht in overweging 4.9.

Boetes

5.9.

De Inspecteur verwijt belanghebbende voor alle jaren grove schuld (25% boete). Het Gerecht heeft geoordeeld dat de Inspecteur ter zake van de boetes niet aan de op hem rustende bewijslast heeft voldaan nu geen motivering of nadere onderbouwing voor de beboeting is gegeven. Op die grond heeft het Gerecht de boetes vernietigd. In hoger beroep is door de Inspecteur, onbetwist, gesteld dat in de onder 2.3 genoemde schrijvens de beboeting nader is gemotiveerd (en dat dit voor alle navorderingsaanslagen op gelijke wijze is geschied). De onderbouwing houdt, kort gezegd, in dat er aanzienlijke bedragen wegens het privékarakter ten onrechte als zakelijke kosten zijn geboekt.

5.10.

In zijn arrest van 23 juni 1976, nr. 17 879, ECLI:NL:HR:1976:AX3678 heeft de Hoge Raad grove schuld omschreven als ‘een in laakbaarheid aan opzet grenzende onachtzaamheid’. Zoals onder 5.6. en 5.7. is overwogen, acht het Hof aannemelijk dat belanghebbende zich bewust is geweest van de diverse uitdelingen door de NV. Deze uitdelingen heeft belanghebbende niet aangegeven bij zijn inkomen uit aanmerkelijk belang in de belastingjaren 2007, 2008, 2009 en 2010. Met het niet-aangeven van inkomsten welke belanghebbende welbewust heeft ontvangen en waarvan belanghebbende voorts wist dat die behoorden te worden aangegeven, heeft belanghebbende dermate ernstig nalatig gehandeld dat het aan zijn grove schuld is te wijten dat te weinig inkomstenbelasting is betaald. Dit brengt mee dat belanghebbende ter zake terecht is beboet.

De slotsom

5.11.

De slotsom is dat het hoger beroep van de Inspecteur (deels) gegrond is en de uitspraak van het Gerecht zal worden vernietigd. Belanghebbende heeft zich met vrucht verweerd tegen de stelling van de Inspecteur aangaande interne compensatie (5.2.). Het hoger beroep van belanghebbende slaagt niet. Het Hof zal beslissen als hierna vermeld.

Proceskosten

5.12.

Het Hof acht termen aanwezig de Inspecteur te veroordelen in de door belanghebbende in verband met het verweer (in het hoger beroep) gemaakte proceskosten en zal daarvoor – bij ontstentenis van nadere regels voor de bepaling van de aard en de omvang van de te vergoeden proceskosten – aansluiten bij het Besluit proceskosten bestuursrecht, PB 2001, no. 127.

5.13.

Het Hof stelt de proceskosten in hoger beroep, op de voet van artikelen 15 en 17f, van de Landsverordening op het beroep in belastingzaken, in verbinding met het vorengenoemde Besluit en de daarbij behorende bijlage, vast op NAf 1.400 wegens beroepsmatig verleende rechtsbijstand voor het Hof (1 punt voor het indienen van verweerschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting (beide in hoger beroep) met een waarde per punt van NAf 700, en een wegingsfactor van 1).

6 Beslissing

Het Hof:

- verklaart het hoger beroep van de Inspecteur gegrond;

- verklaart het hoger beroep van belanghebbende ongegrond;

- vernietigt de uitspraak van het Gerecht behoudens de beslissingen omtrent proceskosten en griffierechten;

- vernietigt de uitspraken op bezwaar;

- vermindert de navorderingsaanslag inkomstenbelasting 2007 naar een belastbaar inkomen van NAf 90.595;

- vermindert de navorderingsaanslag inkomstenbelasting 2008 naar een belastbaar inkomen van NAf 123.167;

- vermindert de navorderingsaanslag inkomstenbelasting 2009 naar een belastbaar inkomen van NAf 111.978;

- vermindert de navorderingsaanslag inkomstenbelasting 2010 naar een belastbaar inkomen van NAf 183.564;

- vermindert de boetes tot 25% van de belastingbedragen zoals die overeenkomstig de bovenstaande verminderingen komen te luiden;

- veroordeelt de Inspecteur in de proceskosten van belanghebbende in hoger beroep tot een bedrag van NAf1.400.

Aldus gedaan door mrs. D. Haan, voorzitter, M.J. Leijdekker, en P.A.M. Pijnenburg, leden, in tegenwoordigheid van M.M.M. Faro MSc., als griffier. De beslissing is op 24 januari 2019 in het openbaar uitgesproken.

Afschriften zijn per post/e-mail op aan partijen verzonden.

Het aanwenden van een rechtsmiddel:

Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen twee maanden na dagtekening van het afschrift van de uitspraak van het Gemeenschappelijk Hof beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag.

Partijen hebben ook de mogelijkheid hun beroepschrift in te dienen bij de griffie van het Gerecht in Eerste aanleg dat de zaak in eerste aanleg heeft behandeld. De datum van binnenkomst bij de griffie van het lokale Gerecht in Eerste aanleg is in dat geval bepalend voor de vraag of het beroep tijdig is ingesteld bij de Hoge Raad der Nederlanden.

U wordt verzocht bij het indienen van het beroepschrift het volgende in acht te nemen:

1. leg bij het beroepschrift een afschrift over van deze uitspraak;

2 onderteken het beroepschrift en vermeld het volgende:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. de dagtekening;

c. waartegen u in beroep komt;

d. waarom u het daar niet mee eens bent (de gronden van het beroep).

In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.