Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:OGHACMB:2019:4

Instantie
Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba
Datum uitspraak
04-01-2019
Datum publicatie
17-01-2019
Zaaknummer
CUR2017H00202 t/m CUR2017H00206
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Het Hof is van oordeel dat het Gerecht op goede gronden geoordeeld heeft dat sprake is van grove schuld aan de zijde van belanghebbende dat te weinig belasting is betaald waarbij een vergrijpboete van 25% past. Het Hof ziet, anders dan het Gerecht, geen redenen om de boetes (verder) te matigen omdat geen aangiftebiljetten zouden zijn uitgereikt. Wel matigt het Hof de boete in verband met de lange behandeltermijn. Voor de door belanghebbende verzochte vergoeding van door haar geleden immateriële schade in verband met de lange behandelingstermijn sluit het Hof aan bij de uitgangspunten zoals die zijn neergelegd in een eerdere uitspraak van het Hof (uitspraak van 18 oktober 2018, nr. CUR2017H00019 en CUR2017H00020, ECLI:NL:OGHACMB:2018:164).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Uitspraak

CUR2017H00202 t/m CUR2017H00206

Datum uitspraak: 4 januari 2019

GEMEENSCHAPPELIJK HOF VAN JUSTITIE

VAN ARUBA, CURAÇAO, SINT MAARTEN

EN VAN BONAIRE, SINT EUSTATIUS EN SABA

Uitspraak op het hoger beroep van:

de Inspecteur der belastingen in Curaçao,

appellant (de Inspecteur),

tegen de uitspraak van het Gerecht in eerste aanleg van Curaçao (hierna: het Gerecht) van 26 september 2017 in zaak BBZ nrs. CUR201600287 t/m CUR201600291 in het geding tussen:

de Inspecteur,

en

[ X ],

gevestigd te Curaçao,

verweerder (belanghebbende).

1 Procesverloop

1.1.

Aan belanghebbende zijn op 20 december 2013 over het jaar 2008 en 9 september 2014 over de jaren 2009 tot en met 2012 naheffingsaanslagen winstbelasting en vergrijpboetes opgelegd. Hierna volgt een overzicht van het bedrag van de aanslagen en de boetes.

Jaren Aanslagnummer Aanslagen Boete % Boetes

2008 5108130049812 NAf 29.343 50% NAf 14.671

2009 5109130025512 NAf 28.546 25% NAf 7.136

2010 5110130011112 NAf 29.971 25% NAf 7.492

2011 5111130003312 NAf 31.347 25% NAf 7.836

2012 5112130000612 NAf 24.908 25% NAf 6.227

1.2.

Belanghebbende is op 20 januari 2014 tegen de aanslag winstbelasting en de boetebeschikking over 2008 in bezwaar gekomen en op 10 september 2014 tegen de

aanslagen en boetebeschikkingen over de jaren 2009 tot en met 2012.

1.3.

De Inspecteur heeft op 28 december 2015 uitspraken op bezwaar gedaan en de aanslagen en boetebeschikkingen gehandhaafd.

1.4.

Belanghebbende is op 26 februari 2016 in beroep gekomen tegen de uitspraken op bezwaar. Hierbij is griffierecht betaald van NAf 150.

De Inspecteur heeft op 23 juni 2017 een verweerschrift ingediend.

1.5.

Het Gerecht heeft op voornoemd beroep op 26 september 2017 als volgt beslist:

“Het Gerecht:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt de uitspraken op bezwaar;

- vermindert de vergrijpboetes over de jaren 2008 tot en met 2012 tot 15 percent van de nageheven belasting;

- veroordeelt de Inspecteur in de proceskosten van de zijde van belanghebbende vastgesteld op NAf 2.100;

- draagt de Inspecteur op het griffierecht groot NAf 150 aan belanghebbende te vergoeden.”

1.6.

Tegen deze uitspraak is door de Inspecteur op 20 november 2017 hoger beroep ingesteld bij het Hof dat bij schrijven van 19 januari 2018 nader is gemotiveerd. Belanghebbende heeft op 29 maart 2018 een verweerschrift ingediend.

1.7.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 24 oktober 2018 te Willemstad, Curaçao. Aldaar zijn namens belanghebbende verschenen [ A ]. en [ B ] en namens de Inspecteur [ C ].

1.8.

Aan het einde van de zitting heeft het Hof het onderzoek gesloten.

2 Feiten

Het Gerecht heeft de volgende feiten vastgesteld:

“2.2 Belanghebbende drijft een onderneming in de vorm van een NV en houdt zich bezig met het verhuren van een onroerend goed te Weg naar Westpunt z/n, plaatselijk bekend als [ Q ]. De aandelen zijn voor 100 percent in handen van [ F ]. [ F ] is tevens directeur van belanghebbende.

2.3

De Stichting Belastingaccountantsbureau (SBAB) heeft voor de jaren 2008 tot en met 2012 bij belanghebbende een boekenonderzoek verricht. Naar aanleiding van dit boekenonderzoek heeft SBAB een rapport (12 november 2013) met bevindingen uitgebracht. Een afschrift van dit rapport behoort tot de gedingstukken.

2.4

In het rapport is, voor zover van belang, het volgende vermeld:

“3.2 Fiscale winstberekening

Aangezien belastingplichtige geen aangiften WB en de bijhorende jaarrekeningen over de jaren 2008 tot en met 2012 heeft ingediend, zal ik, om de winst in het controletijdvak op een zo juist en redelijk mogelijke wijze te bepalen, de winst bepalen in overeenstemming met wat hierna wordt beschreven.”

3.2.1

Huuropbrengsten

Belastingplichtige verhuurt een pand te Weg naar Westpunt z/n plaatselijk bekend als [ Q ] aan NV Restaurant [ F ]. Tijdens een waarneming ter plaatse op 16 september 2011 heeft de heer [ F ] die tevens digra is van zowel belastingplichtige als NV Restaurant [ F ] (de huurder van het pand) verklaard dat NV Restaurant [ F ] , een bedrag van 11.430 per maand betaalt aan belastingplichtige voor het huren van het pand. Voor de winstberekening van belastingplichtige heb ik de jaarrekeningen van de huurder gebruikt. (...).

3.2.2Bedrijfskosten

In het kader van de redelijkheid stel ik u voor om bij het bepalen van de fiscale winst rekening te houden met een percentage van 30% van de huuropbrengsten voor bedrijfskosten. (...).

3.2.3

Fiscaal resultaat

De bedrijfsopbrengsten en bedrijfskosten zoals vermeld in onderdelen 3.2.1 en 3.2.2 van dit rapport leiden tot de volgende fiscale winst:

Fiscaal resultaat 2008 2009 2010 2011 2012

Huuropbrengsten 121.505 118.205 124.114 129.802 129.396

Bedrijfskosten 36.451 35.461 37.234 38.940 38.818

Fiscale winst 85,054 82,744 86,880 90,862 90,578

(...)

(...)

“5.1 WB

Naar aanleiding van het boekenonderzoek stel ik u voor de belastbare winst als volgt vast te stellen:

2008 2009 2010 2011 2012

Aangegeven belastbare

winst - - - - -

Winstcorrecties 85.054 82.744 86.880 90.862 90.578

Belastbare winst na

Correctie 85.054 82.744 86.880 90.862 90.578

Voor het jaar 2008 is er reeds een naheffingsaanslag ter behoud van rechten opgelegd. Over de jaren 2009 tot en met 2012 stel ik u voor naar aanleiding van het boekenonderzoek naheffingsaanslagen WB op te leggen naar het bedrag van de hiervoor berekende belastbare winst na correctie. (...).

6 BOETEN

6.1

WB

“De voorgestelde naheffingsaanslagen WB over de jaren 2008 tot en met 2012 zijn het gevolg van de handelwijze van belastingplichtige. Belastingplichtige heeft geen WB aangegeven en voldaan.”

De aard van de correcties en de feiten die ten grondslag liggen aan de correcties zoals beschreven in onderdelen 3.2.1 en 3.2.2 van dit rapport, zijn zodanig dat belastingplichtige wist dat hij onjuist handelde en dat belastingplichtige bewust het risico heeft genomen onjuist te handelen. Aangezien het algemeen bekend is dat elke rechtspersoon WB- plichtig is en belastingplichtige zelfs de kennis van een adviseur ter beschikking had, kan er geconcludeerd worden dat belastingplichtige op de hoogte was en/of moest zijn van haar belastingplicht en dus bewust geen aangifte WB heeft gedaan.

Ik ben dan ook van mening dat door deze onjuiste handelwijze sprake is van (voorwaardelijk) opzet van belastingplichtige.

Op grond van artikel 21 ALL juncto artikel 7, lid 2 MBAB stel ik u voor gelijktijdig met de naheffingsaanslagen WB over de jaren 2008 tot en met 2012 zoals vermeld in onderdeel 5.1 van dit rapport, een vergrijpboete op te leggen van 50%.

De grondslag voor de vergrijpboete wordt gevormd door het bedrag aan belasting dat niet (tijdig) is betaald. voor zover dit een gevolg is van de opzet van belastingplichtige.”

De Inspecteur heeft overeenkomstig het advies van de SBAB naheffingsaanslagen winstbelasting over de jaren 2008 tot en met 2012 opgelegd. Voor het jaar 2008 is tevens een vergrijpboete opgelegd van 50%. Ter toelichting is daarbij op het aanslagbiljet vermeld: “Op grond van de bevindingen (van de SBAB, het Gerecht) is er sprake van opzet omdat het aan u te wijten is dat er niet of te weinig winstbelasting is afgedragen.” Voor de jaren 2009 tot en met 2012 heeft de Inspecteur een vergrijpboete van 25%, behorend bij grove schuld, opgelegd. Ter toelichting is daarbij op de betreffende aanslagbiljetten vermeld: “Op grond van de bevindingen (van de SBAB, het Gerecht) is er sprake van grove schuld omdat het aan u te wijten is dat er niet of te weinig winstbelasting is aangegeven en/of voldaan.(...)”

Het Hof neemt deze feiten over met uitzondering van de volzin in overweging 2.2. “De aandelen zijn voor 100 percent in handen van [ F ].” Het Hof vervangt deze volzin door “De aandelen zijn voor 100 percent in bezit van[ Z ]. De aandelen in laatstgenoemde vennootschap zijn voor 100 percent in handen van [ F ].”

3 Geschil in hoger beroep

3.1.

In hoger beroep is evenals in eerste aanleg in geschil of de Inspecteur terecht boetes heeft opgelegd aan belanghebbende, en zo ja, of de boetes tot de juiste bedragen zijn opgelegd.

3.2.

De Inspecteur stelt zich, ter zitting van het Hof, nader op het standpunt dat de boetes voor alle jaren 25% moeten bedragen.

Belanghebbende stelt primair dat de boetebeschikkingen moeten worden vernietigd, en subsidiair dat deze moeten worden gematigd. Belanghebbende stelt verder dat zij in aanmerking komt voor een vergoeding van door haar geleden immateriële schade in verband met de lange behandelingstermijn van het geschil in de bezwaar- en beroepsfase.

3.3.

Partijen doen hun standpunten steunen op de gronden welke daartoe door hen zijn aangevoerd in de van hen afkomstige stukken, alsmede op hetgeen zij ter zitting hebben bijgebracht.

4 Het oordeel van het Gerecht

Het Gerecht heeft het volgende overwogen:

”4.1 De Inspecteur heeft tegelijkertijd met de aanslag winstbelasting 2008 een vergrijpboete van 50% opgelegd, en tegelijkertijd met de aanslagen winstbelasting 2009 tot en met 2012 een vergrijpboete van 25%.

4.2

Op grond van artikel 21, lid 1 van de Algemene landsverordening Landsbelastingen (hierna: ALL), in combinatie met artikel 4.8, lid 2 van de Ministeriële regeling formeel belastingrecht, legt de Inspecteur een boete van 50% op indien het aan opzet en een boete van 25% indien het aan grove schuld van de belastingplichtige is te wijten dat belasting die op aangifte moet worden voldaan of afgedragen (gedeeltelijk) niet of niet binnen de in de belastingverordening geldende termijn is betaald. De grondslag voor de boete is bij een naheffingsaanslag winstbelasting het bedrag van de naheffingsaanslag (artikel 21, lid 3, letter a ALL). Op de Inspecteur rust de bewijslast aannemelijk te maken dat het aan grove schuld dan wel opzet van belanghebbende te wijten is dat te weinig belasting is betaald.

4.3

Ter zitting heeft de Inspecteur verdedigd dat voor alle jaren, dus ook voor 2008, sprake is van grove schuld. Het Gerecht oordeelt hierover als volgt. Belanghebbende verhuurt in de onderhavige jaren een pand en behaalt daarmee jaarlijks aanzienlijke winsten. Het is van algemene bekendheid dat een vennootschap die winsten behaalt daarover winstbelasting verschuldigd is. In artikel 15, lid 4 ALL is bepaald dat de verschuldigde winstbelasting uiterlijk op de laatste dag van de zesde maand na afloop van het boekjaar over dat jaar, overeenkomstig de aangifte, betaald moet zijn. Gelet hierop heeft de belanghebbende de verschuldigde winstbelasting niet tijdig betaald. Naar het oordeel van het Gerecht moet belanghebbende er zich van bewust zijn geweest dat winstbelasting afgedragen moest worden. Door dat niet tijdig te doen, maar pas nadat naheffingsaanslagen zijn opgelegd, heeft belanghebbende naar het oordeel van het Gerecht ernstig nalatig gehandeld. Belanghebbende had redelijkerwijs moeten of kunnen begrijpen dat haar gedrag tot gevolg kon hebben dat te weinig belasting zou worden betaald. Ze heeft dan ook dermate lichtvaardig gehandeld dat het aan haar grove schuld te wijten is dat de winstbelasting niet tijdig is betaald. Gelet daarop zijn terecht vergrijpboetes opgelegd. Omdat met betrekking tot het jaar 2008 een vergrijpboete is opgelegd van 50%, behorend bij opzet, terwijl het Gerecht in navolging van het door de Inspecteur ter zitting ingenomen standpunt, oordeelt dat sprake is van grove schuld met in principe een boetepercentage van 25%, dient die boetebeschikking vernietigd te worden. Reeds hierom is het beroep gegrond.

4.4

Belanghebbende heeft betoogd dat haar geen ernstig verwijt kan worden gemaakt nu aan haar geen aangiftebiljetten zijn uitgereikt, ondanks het feit dat zij de Inspecteur verschillende malen heeft benaderd om over de aangiften informatie te verkrijgen. De Inspecteur heeft daartegenin gebracht dat wel aangiften zijn uitgereikt, maar tegenover de betwisting van belanghebbende heeft de Inspecteur, op wie de bewijslast rust, die stelling niet aannemelijk gemaakt. Het Gerecht volgt belanghebbende dan ook in haar stelling dat geen aangiftebiljetten zijn uitgereikt. Desondanks verwerpt het Gerecht het betoog van belanghebbende. De wettelijke verplichting tot betaling staat bij een aangiftebelasting immers los van het doen van aangifte. Het betreft weliswaar nauw met elkaar samenhangende maar desalniettemin afzonderlijke verplichtingen. Het enkel niet kunnen doen van aangifte heft de verplichting tot afdracht aan de Ontvanger niet op (zie Hoge Raad, 31 mei 1996, ECLI:NL:HR: 1996:ZC2088, Hoge Raad 2 februari 2000, ECLI:NL:HR:2000:AA4644 en Hof 's Gravenhage 23 oktober 2001, ECLI:NL:GHSGR:2001:AV5741). Gelet daarop verwerpt het Gerecht ook de verwijzing door belanghebbende naar de uitspraak van 29 november 2016 van het Gerecht in eerste aanleg van Curaçao (ECLI:NL:OGEAC:2016:128). Hierin ging het niet over de beboeting bij niet betalen van verschuldigde belasting, maar slechts over het niet kunnen opleggen van een verzuimboete voor het niet doen van aangifte indien geen aangifte is uitgereikt.

4.5

De omstandigheid dat belanghebbende tegen de controlemedewerker, de heer [ S ], gezegd zou hebben te willen betalen, leidt het Gerecht niet tot het oordeel dat geen sprake is van grove schuld. Het is de eigen verantwoordelijkheid van belanghebbende om belastingschulden te betalen en niet de verantwoordelijkheid van de controlemedewerker en gesteld noch gebleken is dat betaling zonder aangifte onmogelijk was.

4.6

De stelling van belanghebbende dat de boetes hadden moeten worden opgelegd door een onafhankelijke boete-Inspecteur wordt door het Gerecht verworpen nu die stelling geen steun vindt in de wettelijke bepalingen en evenmin in artikel 6 EVRM.

4.7

Belanghebbende heeft in de bezwaarschriften verzocht om te worden gehoord. De Inspecteur heeft aan dit verzoek ten onrechte geen gevolg gegeven. Belanghebbende heeft ter zitting aangedrongen op voortzetting van de inhoudelijke behandeling zonder terugwijzing naar de Inspecteur. Nu belanghebbende in de bezwaarfase niet gevraagd heeft om inzage in haar dossier zal het Gerecht, nog daargelaten dat daarvoor geen wettelijke inzageplicht bestaat, aan deze grief voorbijgaan.

4.8

Belanghebbende heeft ook nog aangevoerd dat de Inspecteur niet heeft beoordeeld in hoeverre de boetes dienen te worden vernietigd of gematigd. Het Gerecht verwerpt deze grief omdat het ontbreken van die afweging, het Gerecht laat in het midden of die situatie zich hier voordoet, op zich niet kan leiden tot vernietiging of matiging van de boetes.

4.9

Voor zover belanghebbende heeft verdedigd dat de persoonlijke en financiële omstandigheden van belanghebbende zouden moeten leiden tot matiging van de boete wordt die stelling door het Gerecht verworpen. Belanghebbende heeft immers op geen enkele wijze inzicht gegeven in die omstandigheden. Ook wijst het Gerecht het verzoek van belanghebbende tot matiging van de boete vanwege cumulatie af nu belanghebbende niet heeft duidelijk gemaakt op welke wijze cumulatie van boetes heeft plaatsgevonden. Wel is het Gerecht van oordeel dat de boetes van 25%, behorend bij grove schuld, gematigd moeten worden vanwege het feit dat aan belanghebbende, ondanks het verzoek daartoe, geen aangiftebiljetten zijn uitgereikt. Het Gerecht acht boetes van 15% passend en geboden.

5. PROCESKOSTENVERGOEDING

5.1

Het Gerecht acht termen aanwezig de Inspecteur te veroordelen in de door belanghebbende gemaakte proceskosten. In artikel 15, lid 2 van de Landsverordening op het beroep in belastingzaken (LLB) is bepaald dat de regels over de kosten en de wijze van de berekeningen van de hoogte daarvan, bij of krachtens landsbesluit, houdende algemene maatregelen worden vastgesteld. Dat is nog niet gebeurd. Het Gerecht zal daarom aansluiten bij het Besluit proceskosten bestuursrecht, PB 2001, no. 127 (zie ook Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba, 21 juni 2017, ECLI:NL:OGHACMB:2017:54). In artikel 1 van dit Besluit zijn de kosten vermeld die voor vergoeding in aanmerking komen waaronder de kosten van door een derde beroepsmatig verleende bijstand. Het Gerecht beschouwt de zaken als samenhangende zaken in de zin van artikel 3, lid 1 van genoemd Besluit.

5.2

Het Gerecht stelt de proceskosten, op de voet van artikel 15 LBB in verbinding met het vorengenoemde Besluit en de daarbij behorende bijlage, vast op NAf 2.100 wegens beroepsmatig verleende rechtsbijstand (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van NAf 700, een wegingsfactor van 1 en een factor 1 1/2 vanwege 5 samenhangende zaken). Het Gerecht is van oordeel dat het gewicht van de zaak als gemiddeld moet worden gekwalificeerd en bepaalt de wegingsfactor op 1.”

5 Gronden

Boetes

5.1.

Het Hof is van oordeel dat het Gerecht in overwegingen 4.1. tot en 4.6 op goede gronden geoordeeld heeft dat sprake is van grove schuld aan de zijde van belanghebbende dat te weinig belasting is betaald waarbij een vergrijpboete van 25% past. Het Hof neemt de gronden van het Gerecht derhalve over en maakt die tot de zijne. Het Hof overweegt voorts dat de door belanghebbende in hoger beroep aangevoerde stelling dat haar niets kan worden verweten nu zij gebruik maakte van een deskundige (haar adviseur [ L ] die gedurende de onderwerpelijke periode de jaarrekeningen en aangiften van belanghebbende verzorgde, niet slaagt. Daarvoor acht het Hof van de belang de passage in het e-mailbericht van [ F ] (directeur van belanghebbende) aan de Inspecteur van 24 november 2017 “Omtrent de status (onshore/offshore) van [ X ] waren nogal wat onduidelijkheden destijds, waardoor het doen van aangiften winstbelasting steeds maar weer werd uitgesteld, waarbij ik me toendertijd, druk doende met het opbouwen van de zaak, niet voldoende realiseerde dat ik me daarmee onttrok aan belastingheffing. Uit voorgaande passage leidt het Hof af dat belanghebbende (in de persoon van haar directeur) destijds zelf wel wetenschap had dat door haar handelwijze te weinig belasting werd afgedragen en voldaan; dit brengt mee dat belanghebbende zelf het verwijt kan worden gemaakt. Dat belanghebbende voor het doen van haar aangiften winstbelasting gebruik maakte van genoemde adviseur doet hieraan dan niet af.

Matiging boetes

5.2.

In overwegingen 4.8 en 4.9 oordeelt het Gerecht over de door belanghebbende voorgestane matiging van de boetes. Het Gerecht oordeelt (4.9) dat er grond is voor matiging van de boetes omdat, ondanks het verzoek daartoe, geen aangiftebiljetten aan belanghebbende zijn uitgereikt. Het Gerecht acht boetes van 15% passend en geboden. De Inspecteur komt op tegen dit oordeel. In hoger beroep voert belanghebbende, naast de door het Gerecht gehonoreerde grond voor matiging, nog aan dat de lange behandelingstermijn van het geschil in de bezwaar- en beroepsfase aanleiding is voor het matigen van de boetes.

5.3.

De Inspecteur stelt dat “voor de winstbelasting het toezenden van een aangiftebiljet geen voorwaarde is voor het doen van aangifte en het betalen van de verschuldigde belasting” en er derhalve geen grond bestaat voor matiging.

5.4.

Het Hof stelt voorop dat het de rechter vrij staat om, indien hij de door een inspecteur in een concreet geval opgelegde (verzuim)boete niet passend en geboden acht in verhouding tot de ernst van het feit, zijn eigen oordeel daaromtrent daarvoor in de plaats te stellen. Wel dient de rechter zijn oordeel omtrent de boete met voldoende redenen te omkleden (vergelijk Hoge Raad 11 februari 2005, ECLI:NL:HR:2005:AS5791).

5.5.

Het Hof ziet, anders dan het Gerecht, geen redenen om de boetes (verder) te matigen omdat geen aangiftebiljetten zouden zijn uitgereikt. Deze omstandigheid brengt naar het Hof niet mee dat de boetes te hoog zijn in verhouding tot de ernst van het feit. Daarbij wijst het Hof er nog op dat gelet op de onder 5.1 geciteerde passage het Hof ervan uitgaat dat belanghebbende (in de persoon van haar directeur) destijds zelf wist dat door haar handelwijze te weinig belasting werd afgedragen en voldaan. Dit is ook het verwijt dat haar bij de beboeting is gemaakt. Hieruit volgt dat het hoger beroep van de Inspecteur slaagt.

5.6.

Het Hof overweegt als volgt aangaande de door belanghebbende in zijn verweerschrift voorgestane matiging in verband de lange behandeltermijn. Belanghebbende is beboet; in dat verband komt aan de orde de vraag wanneer sprake is van inbreuk op het recht van de beboete op behandeling van zijn zaak binnen een redelijke termijn. In dat verband komt het in artikel 6 van het EVRM neergelegde rechtszekerheidsbeginsel aan de orde. Dit beginsel geldt evenzeer binnen de rechtsorde van de landen Curaçao, Aruba en Sint Maarten.

5.7.

De Hoge Raad hanteert als uitgangspunt dat de redelijke termijn is overschreden als de rechter niet binnen twee jaar uitspraak doet na het moment dat jegens de beboete een handeling is verricht waaraan deze in redelijkheid de verwachting kan ontlenen dat aan hem een boete zal worden opgelegd (vgl. HR 22 april 2005, nr. 37.984, ECLI:NL:HR:2005:AO9006). Dit arrest, met de daarin neergelegde uitgangspunten zal door het Hof ook als leidraad worden genomen. Voor het treffen van een overgangsregeling (zoals bij de verzochte vergoeding voor geleden immateriële schade; zie hierna onder 5.9 e.v.) ziet het Hof, nu het gaat om beboeting, geen aanleiding.

5.8.

Omtrent het verloop van het geding staat het volgende vast. De strafvervolging is, naar het Hof aanneemt, aangevangen bij bekendmaking van het rapport van boekenonderzoek - op of omstreeks 12 november 2013 - aangezien belanghebbende aan dit rapport redelijkerwijs de verwachting heeft kunnen ontlenen dat er een boete zou worden opgelegd. Tussen genoemd tijdstip en het tijdstip waarop het Hof uitspraak doet is een periode van meer dan vijf jaar verstreken. Naar het oordeel van het Hof is met de duur van de behandeling van het bezwaar en het beroep tegen de boetebeschikking de redelijke termijn van artikel 6, eerste lid, van het EVRM overschreden nu deze een termijn van vier jaren na de aanvang van de strafvervolging met meer dan twaalf maanden overtreft. Gesteld noch gebleken is dat dit procesverloop in betekenende mate door belanghebbende is beïnvloed. Deze overschrijding van de redelijke termijn wordt naar het oordeel van het Hof ook overigens niet gerechtvaardigd door bijzondere omstandigheden, zoals de ingewikkeldheid van de zaak. Gelet hierop zal het Hof de boetes met 15% matigen (15% van het boetebedrag) overeenkomstig de uitgangspunten zoals vermeld in de uitspraak van Hof Amsterdam 2 juli 2009, nr. 04/03329, ECLI:NL:GHAMS:2009:BJ1298.

Immateriële schadevergoeding

5.9.

Belanghebbende stelt dat zij in aanmerking komt voor een vergoeding van door haar geleden immateriële schade in verband met de lange behandelingstermijn van het geschil in de bezwaar- en beroepsfase. Zij verzoekt het Hof om toekenning van een dergelijke vergoeding.

5.10.

Het Hof overweegt dat recent door dit Hof (uitspraak van 18 oktober 2018, nr. CUR2017H00019 en CUR2017H00020, ECLI:NL:OGHACMB:2018:164) een vergelijkbaar verzoek voorlag. In voornoemde uitspraak is overwogen:

“4.9.In zijn arrest van 11 juni 2011, nr. 09/02639, ECLI:NL:HR:2011:BO5046, BNB 2011/232, overweegt de Hoge Raad onder meer:

“… de rechtszekerheid als algemeen aanvaard rechtsbeginsel dat aan artikel 6 van het EVRM mede ten grondslag ligt, geldt evenzeer binnen de nationale rechtsorde en evenzeer los van die verdragsbepaling. Dit beginsel noopt ertoe dat belastinggeschillen binnen een redelijke termijn worden beslecht, in voorkomend geval na behandeling door een onafhankelijk en onpartijdig gerecht. Aangezien dit vereiste berust op een rechtsbeginsel dat ten grondslag ligt aan artikel 6 van het EVRM, wordt aansluiting gezocht bij de jurisprudentie over dat artikel van het EHRM (onder meer het arrest van 29 maart 2006, nr. 62361/00, Riccardi Pizzati tegen Italië, JB 2006/134). Uit die jurisprudentie volgt dat bij overschrijding van de redelijke termijn, behoudens bijzondere omstandigheden, spanning en frustratie als grond voor vergoeding van immateriële schade worden verondersteld. Met overeenkomstige toepassing van artikel 8:73 van de Algemene wet bestuursrecht (…) kan de heffingsambtenaar tot vergoeding van die schade worden veroordeeld”.

4.10.

Naar het oordeel van het Hof geldt de rechtszekerheid als algemeen aanvaard rechtsbeginsel evenzeer binnen de rechtsorde van de landen Curaçao, Aruba en Sint Maarten.

4.11.

De wetgeving van Curaçao kent sinds 2001 voor het bestuursrecht een eigen algemene regeling met daarin een met het – inmiddels vervallen – artikel 8:73 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) overeenkomende rechtsregel. Artikel 50, vijfde lid, van de Landsverordening administratieve rechtspraak (Lar) bepaalt, voor zover hier van belang:

“Indien het Gerecht het beroep gegrond verklaart, kan het, indien daarvoor gronden zijn, bepalen dat een vergoeding wordt toegekend ten laste van het bij de uitspraak aangewezen lichaam.”

4.12.

Op grond van het bovenstaande dient naar het oordeel van het Hof in gevallen van overschrijding van de redelijke termijn in belastingzaken, de Inspecteur respectievelijk het betreffende Land, met overeenkomstige toepassing van artikel 50, vijfde lid, van de Lar tot vergoeding van de als gevolg daarvan ontstane immateriële schade te worden veroordeeld. Dat op grond van artikel 7, tweede lid, onder r, van de Lar tegen belastingzaken als de onderhavige geen beroep op de voet van de Lar openstaat, doch uitsluitend op grond van een eigen regeling in de betreffende belastingwet, doet aan voorgaand oordeel niet af. Immers het betreft hier niet een rechtstreekse toepassing van artikel 50, vijfde lid, van de Lar, maar een overeenkomstige toepassing daarvan. In dit verband wijst het Hof op de situatie waarin bij de Hoge Raad een verzoek kan worden gedaan om vergoeding van immateriële schade wegens de lange duur van de cassatieprocedure. Ook dan brengt het beginsel van de rechtszekerheid naar het oordeel van de Hoge Raad mee dat op dit verzoek wordt beslist met overeenkomstige toepassing van artikel 8:73 van de Awb; daaraan kan – aldus de Hoge Raad – niet afdoen dat artikel 8:73 van de Awb op de cassatieprocedure in artikel 29 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen niet van overeenkomstige toepassing is verklaard (vergelijk Hoge Raad, 19 februari 2016, nr. 14/03907, ECLI:NL:HR:2016:252, BNB 2016/140, hierna: “het overzichtsarrest”).

4.13.

Bij de beoordeling van de vraag of in een voorkomend geval de redelijke termijn in belastingzaken is overschreden, dient te worden aangesloten bij de uitgangspunten welke door de Hoge Raad zijn geformuleerd, in - onder meer - zijn overzichtsarrest BNB 2016/140.

4.14.

Voor de gevolgen welke dienen te worden verbonden aan een overschrijding van de redelijke termijn heeft het volgende te gelden. In de uitspraak van 18 januari 2017, HLAR 79024/16, ECLI:NL:OGHACMB:2017:64, overweegt de bestuursrechter van dit Hof, voor zover hier van belang:

“1.2 (…) Voor de vaststelling van de hoogte van het bedrag aan immateriële schadevergoeding bij overschrijding van de redelijke termijn gaat het Hof uit van een tarief van Afl. 500,- per half jaar dat de redelijke termijn is overschreden, waarbij het totaal van de overschrijding naar boven wordt afgerond.

(…)

1.4.

Hoewel de klacht terecht is voorgedragen zal het Hof daaraan in deze zaak nog geen gevolgen verbinden. Het Hof doet in deze zaak voor het eerst uitspraak over de gevolgen van de hiervoor bedoelde rechtspraak van het EHRM in bestuursrechtelijke zaken die vallen onder de rechtsmacht van het Hof en over de termijnen die in zaken als deze voor de verschillende fasen van de procedure gelden. Er is dus nog geen eerdere rechtspraak van het Hof over vergoeding van immateriële schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn in bestuursrechtelijke zaken. Alle bestuursorganen die het aangaat en het Gerecht dienen zich op deze verstrekkende nieuwe ontwikkeling in de rechtspraak van het Hof, die een gevolg is van de rechtspraak van het EHRM, te kunnen instellen. Het Hof zal pas gevolgen verbinden aan overschrijding van de redelijke termijn in procedures waarin op of na 1 juli 2017 een bezwaarschrift is ingediend.

1.5.

Dit betekent dat de minister niet zal worden veroordeeld tot betaling van een bedrag aan immateriële schadevergoeding aan appellant. Daarbij neemt het Hof in aanvulling op wat onder 1.4 is overwogen in aanmerking dat het EHRM (zie de beslissing van 29 januari 2002, Auerbach tegen Nederland, nr. 45600/99, www.echr.coe.int) heeft overwogen dat in verschillende zaken het oordeel dat een schending heeft plaatsgevonden op zichzelf voldoende compensatie is voor geleden schade van immateriële aard. Het Hof acht in het licht hiervan het oordeel dat de redelijke termijn is overschreden en dat vanaf de door het Hof in deze uitspraak bepaalde datum aan een dergelijke overschrijding een vergoeding van immateriële schade zal worden verbonden, in samenhang met de omstandigheid dat, zoals voortvloeit uit wat hierna onder 2 wordt overwogen, de minister zal worden veroordeeld in de proceskosten in beroep en hoger beroep en zal worden gelast de door appellant betaalde griffierechten te vergoeden, thans nog voldoende compensatie voor de bij appellant ontstane spanning en frustratie.”

Het Hof zal – nu de hierboven onder 1.4 vermelde omstandigheden zich ook in belastingzaken doen gelden – met betrekking tot de gevolgen in zaken waarin de redelijke termijn in belastingzaken is overschreden op soortgelijke wijze bepalen

(…)

4.16

Hoewel de redelijke termijn is overschreden zal het Hof daaraan in deze zaak nog geen gevolgen verbinden. Het Hof doet in deze zaak voor het eerst uitspraak over de gevolgen van de hiervoor bedoelde rechtspraak van het EHRM in belastingzaken die vallen onder de rechtsmacht van het Hof en over de termijnen die in zaken als deze voor de verschillende fasen van de procedure gelden. Er is dus nog geen eerdere rechtspraak van het Hof over vergoeding van immateriële schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn in belastingzaken. Alle bestuursorganen die het aangaat en het Gerecht dienen zich op deze verstrekkende nieuwe ontwikkeling in de rechtspraak van het Hof, te kunnen instellen. Het Hof zal pas gevolgen verbinden aan overschrijding van de redelijke termijn in procedures waarin op of na 1 oktober 2018 een bezwaarschrift is ingediend.”

5.11.

Het Hof zal omwille van de rechtseenheid de in voornoemde recente uitspraak geformuleerde uitgangspunten ook in acht nemen.

5.12.

Hoewel de redelijke termijn is overschreden zal het Hof daaraan (gelijk het in overweging 4.14 van voornoemde uitspraak van het Hof geformuleerde uitgangspunt) ook in deze zaak nog geen gevolgen verbinden. Het Hof zal pas gevolgen verbinden aan overschrijding van de redelijke termijn in procedures waarin op of na 1 oktober 2018 een bezwaarschrift is ingediend (zie overweging 4.16 van voornoemde uitspraak). Dit betekent dat de Inspecteur niet zal worden veroordeeld tot betaling van een bedrag aan immateriële schadevergoeding aan belanghebbende.

De slotsom

5.13.

De slotsom is dat het hoger beroep van de Inspecteur gegrond is en de uitspraak van het Gerecht zal worden vernietigd. Het Hof zal beslissen als hierna vermeld.

Proceskosten

5.14.

Het Hof acht termen aanwezig de Inspecteur te veroordelen in de door belanghebbende in verband met het verweer (in het hoger beroep) gemaakte proceskosten en zal daarvoor – bij ontstentenis van nadere regels voor de bepaling van de aard en de omvang van de te vergoeden proceskosten – aansluiten bij het Besluit proceskosten bestuursrecht, PB 2001, no. 127.

5.15.

Het Hof stelt de proceskosten in hoger beroep, op de voet van artikelen 15 en 17f, van de Landsverordening op het beroep in belastingzaken, in verbinding met het vorengenoemde Besluit en de daarbij behorende bijlage, vast op Naf 1.400 wegens beroepsmatig verleende rechtsbijstand voor het Hof (1 punt voor het indienen van verweerschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van NAf 700, en een wegingsfactor van 1).

6 Beslissing

Het Hof:

- verklaart het hoger beroep gegrond;

- vernietigt de uitspraak van het Gerecht behoudens de beslissingen omtrent proceskosten en griffierechten;

- verklaart de tegen de uitspraken op bezwaar inzake de boetebeschikkingen bij de naheffingsaanslagen winstbelasting 2008, 2009, 2010, 2011 en 2012 bij het Gerecht ingestelde beroepen gegrond;

- vernietigt die uitspraken op bezwaar voor zover het de boetebeschikkingen betreft;

- vermindert de boete 2008 naar een bedrag van Naf 6.235;

- vermindert de boete 2009 naar een bedrag van Naf 6.065;

- vermindert de boete 2010 naar een bedrag van Naf 6.368;

- vermindert de boete 2011 naar een bedrag van Naf 6.660;

- vermindert de boete 2012 naar een bedrag van Naf 5.292;

- veroordeelt de Inspecteur in de proceskosten van belanghebbende in hoger beroep tot een bedrag van Naf 1.400.

Aldus gedaan door mrs. D. Haan, voorzitter, M.J. Leijdekker en P.A.M. Pijnenburg, leden, in tegenwoordigheid van M.M.M. Faro MSc. als griffier. De beslissing is op 4 januari 2019 in het openbaar uitgesproken.

Afschriften zijn per post/e-mail op aan partijen verzonden.

Het aanwenden van een rechtsmiddel:

Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen twee maanden na dagtekening van het afschrift van de uitspraak van het Gemeenschappelijk Hof beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag.

Partijen hebben ook de mogelijkheid hun beroepschrift in te dienen bij de griffie van het Gerecht in Eerste aanleg dat de zaak in eerste aanleg heeft behandeld. De datum van binnenkomst bij de griffie van het lokale Gerecht in Eerste aanleg is in dat geval bepalend voor de vraag of het beroep tijdig is ingesteld bij de Hoge Raad der Nederlanden.

U wordt verzocht bij het indienen van het beroepschrift het volgende in acht te nemen:

1. leg bij het beroepschrift een afschrift over van deze uitspraak;

2 onderteken het beroepschrift en vermeld het volgende:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. de dagtekening;

c. waartegen u in beroep komt;

d. waarom u het daar niet mee eens bent (de gronden van het beroep).

In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.