Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:OGHACMB:2019:28

Instantie
Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba
Datum uitspraak
14-02-2019
Datum publicatie
10-04-2019
Zaaknummer
CUR2018H00035
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Belanghebbende/terecht geen toepassing gegeven aan artikel 26 Landsverordening administratieve rechtspraak/ten onrechte na gegrondverklaring bezwaar niet op aanvraag beslist.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

CUR2018H00035

Datum uitspraak: 14 februari 2019

gemeenschappelijk hof van jusTitie

van aruba, CURAÇAO, SINT MAARTEN

EN VAN BONAIRE, SINT EUSTATIUS EN SABA

Uitspraak op het hoger beroep van:

[naam],

appellant,

tegen de uitspraak van het Gerecht in eerste aanleg van Curaçao van 5 januari 2018 in zaak nr. CUR201700137, in het geding tussen:

appellant

en

de Centrale Bank van Curaçao en Sint Maarten (CBCS)

Procesverloop

Bij beschikking van 24 augustus 2016 heeft CBCS een verzoek van de Algemene Spaar- en Kredietcoöperatie ACU (hierna: de kredietinstelling) om toestemming als bedoeld in artikel 23, tweede lid, aanhef en onder a, van de Landsverordening toezicht bank- en kredietwezen 1994 (hierna: de Ltbk) voor de benoeming van appellant tot bestuurder van de kredietinstelling afgewezen (de afwijzende beschikking).

Bij beschikking van 6 januari 2017 (de bestreden beschikking) heeft CBCS het door appellant tegen de afwijzende beschikking gemaakte bezwaar gegrond verklaard, omdat niet deugdelijk en kenbaar is gemotiveerd waarom appellant niet voldoet aan de voorwaarden voor benoeming tot bestuurder van de kredietinstelling en daarom opnieuw op het verzoek moet worden beslist.

Bij uitspraak van 5 januari 2018 heeft het Gerecht het door appellant tegen de bestreden beschikking ingestelde beroep gegrond verklaard, de bestreden beschikking vernietigd, het door appellant gemaakte bezwaar niet-ontvankelijk verklaard en bepaald dat de uitspraak in de plaats treedt van de bestreden beschikking.

Tegen deze uitspraak heeft appellant hoger beroep ingesteld.

CBCS heeft een verweerschrift ingediend.

Partijen hebben nadere stukken ingediend.

Het Hof heeft de zaak met gesloten deuren ter zitting behandeld op 3 oktober 2018, waar appellant, bijgestaan door mrs. A.C. van Hoof en L.S. Davelaar, advocaten, CBCS, vertegenwoordigd door mrs. L.M. Virginia en H.M. Weijand, advocaten, vergezeld door D. Daal en E. de Windt, toezichthouders, zijn verschenen. Ook de kredietinstelling is ter zitting verschenen, vertegenwoordigd door P. Isenia, vicevoorzitter, vergezeld door E. Winkelaar, medewerker, bijgestaan door mrs. Van Hoof en Davelaar.

Overwegingen

De toepasselijke wettelijke bepalingen zijn opgenomen in de bijlage bij deze uitspraak, die daarvan deel uitmaakt.

De kredietinstelling heeft het Hof bij brief van 30 augustus 2018 meegedeeld dat zij op de voet van artikel 61, eerste lid, van de Landsverordening administratieve rechtspraak (Lar) als partij heeft deelgenomen aan de behandeling van het bezwaarschrift en heeft betoogd dat het Gerecht heeft verzuimd haar op de voet van artikel 26, eerste lid, van de Lar uit te nodigen om als partij deel te nemen aan de behandeling van het beroep. Zij verzoekt de voorzitter van het Hof op de voet van artikel 26, eerste lid, gelezen in samenhang met artikel 77, tweede lid, van de Lar als partij bij de behandeling van het hoger beroep te worden aangemerkt.

2.1. De kredietinstelling heeft geen bezwaar tegen de afwijzende beschikking gemaakt en geen beroep tegen de bestreden beschikking ingesteld. De kredietinstelling heeft geen aan appellant tegengesteld belang gesteld. Artikel 26, eerste lid, van de Lar, beoogt niet te voorzien in deelname aan het geding door een belanghebbende die geen gebruik heeft gemaakt van de mogelijkheid beroep in te stellen. Het Gerecht heeft dan ook terecht geen aanleiding gezien om de kredietinstelling uit te nodigen als partij deel te nemen in de behandeling van het beroep. Omdat de kredietinstelling geen partij was in beroep en voor haar tegen de uitspraak van het Gerecht, gelet op artikel 75, eerste lid, van de Lar geen hoger beroep openstond, kan zij ook niet op de voet van artikel 26, eerste lid, van de Lar als partij deelnemen aan het geding in hoger beroep.

3. Het Gerecht heeft ambtshalve overwogen dat het verbod van artikel 23, tweede lid, onder a, van de Ltbk tot de kredietinstelling is gericht en het de kredietinstelling is die de toestemming van CBCS nodig heeft voor de benoeming van appellant tot haar bestuurder. De kredietinstelling heeft ook het verzoek gedaan waarop de afwijzende beschikking is gevolgd. De kredietinstelling is rechtstreeks belanghebbende bij de afwijzende beschikking en het belang van appellant is slechts een daarvan afgeleid belang. CBCS had het bezwaar van appellant daarom niet-ontvankelijk moeten verklaren, aldus het Gerecht.

4. Appellant betoogt dat hij lid is van de kredietinstelling en door de leden is verkozen tot bestuurder. In de afwijzende beschikking heeft CBCS het standpunt ingenomen dat uit een gesprek dat CBCS met hem heeft gehad, is gebleken dat hij niet over voldoende financiële, juridische en/of managementkennis en/of ervaring beschikt en hierdoor niet geschikt is om aan te treden als bestuurder van de kredietinstelling. Door het handelen van CBCS kan hij niet aantreden als bestuurder en wordt hij daarnaast publiekelijk zogezegd weggezet als onbekwaam. Dit maakt dat hij een zelfstandig eigen belang heeft. Verder is de bestuursfunctie waarin hij door de leden van de leden van de kredietinstelling is verkozen, nog steeds vacant, aldus appellant.

4.1 Anders dan het Gerecht is het Hof van oordeel dat appellant door de afwijzende beschikking rechtstreeks in zijn belang is getroffen. De afwijzende beschikking is weliswaar gericht tot de kredietinstelling, maar daaruit vloeit voor de kredietinstelling de verplichting voort af te zien van de voorgenomen benoeming van appellant tot haar bestuurder. Met het gevolg voor appellant dat hij de bestuursfunctie waarin hij door de leden van de kredietinstelling is gekozen, niet kan gaan vervullen. Het Hof verwijst voor een gelijksoortig geval naar de uitspraak van het College van Beroep voor het bedrijfsleven van 19 december 2000, ECLI:NL:CBB:AA9187, en sluit voor dit oordeel in algemene zin aan bij Vuistregel 1 zoals geformuleerd in de conclusie van raadsheer advocaat-generaal R.J.G.M. Widdershoven van 7 november 2018, ECLI:NL:CRVB:2018:3474, over de toepassing van het leerstuk van afgeleid belang in algemene zin en in het sociaal domein in het bijzonder.Het betoog slaagt.

5. Het Gerecht heeft het bezwaar ten onrechte niet-ontvankelijk verklaard. Het hoger beroep is daarom gegrond. De aangevallen uitspraak moet worden vernietigd voor zover het Gerecht daarbij het door appellant gemaakte bezwaar niet-ontvankelijk heeft verklaard en heeft bepaald dat de uitspraak in de plaats treedt van de bestreden beschikking. Doende hetgeen het Gerecht had behoren te doen zal het Hof de bestreden beschikking toetsen aan de daartegen aangevoerde beroepsgronden.

6. Appellant betoogt terecht dat het in strijd is met artikel 68, tweede lid, van de Lar om in bezwaar een beschikking te herroepen zonder een andere beschikking daarvoor in de plaats te stellen, tenzij een vervangende beschikking kan uitblijven. Ter zitting heeft CBCS verklaard dat na de herroeping van de afwijzende beschikking nog geen nieuwe beschikking op het verzoek van de kredietinstelling om toestemming voor de benoeming van appellant als bestuurder is genomen. Het beroep is daarom gegrond. De CBCS moet, aansluitend op de herroeping van de afwijzende beschikking, in bezwaar opnieuw beslissen op het verzoek van de kredietinstelling om toestemming voor de benoeming van appellant als bestuurder. Het Hof ziet aanleiding daarvoor een termijn van zes weken te stellen.

7. CBCS moet ten slotte ook in de proceskosten in hoger beroep worden veroordeeld.

5. Beslissing

Het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba:

I. verklaart het hoger beroep gegrond:

II. vernietigt de uitspraak van het Gerecht in eerste aanleg van Curaçao van 5 januari 2018 in zaak nr. CUR201700137, voor zover daarbij het door appellant gemaakte bezwaar niet-ontvankelijk is verklaard en is bepaald dat de uitspraak in de plaats treedt van de bestreden beschikking;

III. bepaalt dat de Centrale Bank van Curaçao en Sint Maarten met inachtneming van deze uitspraak binnen zes weken na dagtekening van deze uitspraak een nieuwe beslissing op het gemaakte bezwaar moet nemen, in zoverre dat aansluitend op de herroeping van de afwijzende beschikking opnieuw moet beslissen op het verzoek van de kredietinstelling om toestemming voor de benoeming van appellant als bestuurder;

IV. bevestigt de onder II vermelde uitspraak voor het overige;

V. veroordeelt de Centrale Bank van Curaçao en Sint Maarten tot vergoeding aan appellant van de bij hem in verband met de behandeling van het hoger beroep opgekomen kosten tot een bedrag van NAf. 1.400,00 (zegge: duizend vierhonderd gulden), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

VI. bepaalt dat de Centrale Bank van Curaçao en Sint Maarten het door appellant voor de behandeling van het hoger beroep betaalde griffierecht van NAf. 300,00 (zegge: driehonderd gulden) aan hem vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. A.W.M. Bijloos, voorzitter, en mr. T.G.M. Simons en mr. N.M. Martinez, leden, in tegenwoordigheid van mr. M.J.C. Beerse, griffier.

w.g. Bijloos

voorzitter

w.g. Beerse

griffier

Uitgesproken in het openbaar op 14 februari 2019

Bijlage

Landsverordening administratieve rechtspraak

Artikel 7
1. Natuurlijke personen of rechtspersonen, die door een beschikking rechtstreeks in hun belang zijn getroffen, kunnen daartegen beroep instellen bij het Gerecht. Ten aanzien van bestuursorganen worden de hun toevertrouwde belangen als hun belangen beschouwd. Ten aanzien van rechtspersonen worden mede als hun belangen beschouwd de belangen die zij krachtens hun doelstellingen en blijkens hun feitelijke werkzaamheden behartigen.

Artikel 26
1. Degene die door het Gerecht als mede- of derde-belanghebbende wordt aangemerkt, wordt partij in de behandeling. De griffier zendt onverwijld een afschrift van het beroepschrift en het verweerschrift aan deze partij.

Artikel 55
De personen, bedoeld in artikel 7, eerste lid, zijn bevoegd een bezwaarschrift in te dienen bij het bestuursorgaan dat de beschikking heeft genomen, en het beroep bedoeld in artikel 7, eerste lid, pas in te stellen nadat het bestuursorgaan op het bezwaarschrift heeft beslist.

Artikel 61
1. Indien de bezwaarde niet de persoon is tot wie de beschikking is gericht, zendt het bestuursorgaan onverwijld een afschrift van het bezwaarschrift aan degene tot wie de beschikking is gericht. Deze wordt als mede-belanghebbende, desgewenst, aangemerkt als partij bij de behandeling van het bezwaarschrift.

Artikel 68
2. De beschikking bevat de gronden waarop zij berust, en neemt de plaats in van de bestreden beschikking.

Artikel 75
1. Tegen de uitspraken van het Gerecht, bedoeld in de artikelen 49, 52, 80, tenzij het verzet gegrond is verklaard, en 95, staat voor alle partijen hoger beroep open op het Hof.

Artikel 77
2. De bevoegdheden, die in de artikelen 17, tweede, derde en vierde lid, 21, 23, 26 tot en met 32, 37 tot en met 40, 44, tweede, derde, zesde en zevende lid, 46 en 48 zijn toegekend aan het Gerecht, worden uitgeoefend door de voorzitter van het Hof.

Landsverordening toezicht bank- en kredietwezen 1994

Artikel 23
2. Het is een ieder verboden zonder voorafgaande toestemming van de Bank:
a. personen die het dagelijks beleid van een kredietinstelling bepalen of mede bepalen, te benoemen.