Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:OGHACMB:2019:254

Instantie
Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba
Datum uitspraak
28-02-2019
Datum publicatie
18-06-2020
Zaaknummer
500.00372/17 H 135/2018
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

bevestiging en vervanging strafmotivering verkrachting en tbs

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Zaaknummer: H 135/2018

Parketnummer: 500.00372/17

Uitspraak: 28 februari 2019 Tegenspraak

Vonnis

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van het Gerecht in eerste aanleg van Curaçao (hierna: het Gerecht), van 18 mei 2018 in de strafzaak tegen de verdachte:

[VERDACHTE],

geboren op [geboortedatum] 1989 in [geboorteplaats],

thans gedetineerd in het huis van bewaring in Curaçao.

Hoger beroep

Het Gerecht heeft de verdachte bij zijn vonnis ter zake van het onder 1, 2 primair, 3 en 4 ten laste gelegde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 10 jaren met aftrek van voorarrest. Voorts heeft het Gerecht beslissingen genomen ten aanzien van een vordering tot tenuitvoerlegging en vorderingen tot schadevergoeding van benadeelde partijen.

De verdachte heeft hoger beroep ingesteld.

Omvang van het hoger beroep

De benadeelde partij [benadeelde partij 1] is in eerste aanleg niet-ontvankelijk verklaard in haar vordering tot schadevergoeding. Zij heeft zich in hoger beroep niet opnieuw gevoegd, zodat haar vordering in hoger beroep niet meer aan de orde is.

Onderzoek van de zaak

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting.

Het Hof heeft kennisgenomen van de vordering van de procureur-generaal,

mr. M.L.A. Angela, en van hetgeen door de verdachte en zijn raadsman,

mr. U.F. Dickens, advocaat in Curaçao, naar voren is gebracht. Voorts heeft het Hof kennisgenomen van hetgeen, namens de benadeelde partijen [benadeelde partij 2] en

[benadeelde partij 3], door Stichting Slachtofferhulp Curaçao, in het kader van de vorderingen tot schadevergoeding naar voren is gebracht.

De procureur-generaal heeft gevorderd dat het Hof het vonnis waarvan beroep zal bevestigen.

De raadsman heeft geen bewijsverweer gevoerd. Ten aanzien van de vraag of een straf of maatregel moet worden opgelegd, heeft de raadsman primair bepleit dat aan de verdachte de maatregel van terbeschikkingstelling met - zo begrijpt het Hof - dwangverpleging wordt opgelegd. In subsidiaire zin is een strafmaatverweer gevoerd.

Vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep zal worden bevestigd, omdat het Hof zich daarmee verenigt, met gedeeltelijke vervanging van de overwegingen omtrent de op te leggen straf.

Oplegging van straf

Het Gerecht heeft ten aanzien van de strafoplegging onder meer het volgende overwogen.

Bij de bepaling van de op te leggen straf wordt gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezen verklaarde is begaan, op de mate waarin de gedraging aan de verdachte te verwijten en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen. Daarbij wordt rekening gehouden met de ernst van het bewezen verklaarde in verhouding tot andere strafbare feiten, zoals die onder meer tot uitdrukking komt in het hierop gestelde wettelijke strafmaximum en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan de verkrachting van drie vrouwen, onder wie een 15-jarig meisje, en een poging tot verkrachting. Het Gerecht rekent dit de verdachte zwaar aan. Verdachte was slechts uit op zijn eigen behoeftebevrediging en heeft tijdens zijn handelingen op geen enkel moment oog gehad voor de gevoelens en de belangen van de slachtoffers. Verdachte heeft aldus de lichamelijke en geesteljke integriteit van de slachtoffers op flagrante wijze geschonden. Naar de ervaring leert ondervinden slachtoffers van dergelijke misdrijven nog gedurende langere tijd nadelige psychische gevolgen van wat hun is overkomen.

Het Hof sluit zich daarbij aan en vervangt de overige overwegingen ten aanzien van de op te leggen straf als volgt.

Uit het rapport opgemaakt in december 2018 door de deskundige H. Linkels, psycholoog, volgt dat bij de verdachte mogelijk sprake is van een (reactieve) hechtingsstoornis. De verdachte wordt verminderd toerekeningsvatbaar geacht en de kans op recidive wordt zeer hoog ingeschat. Detentie alleen, zonder intensieve behandeling, zal geen gedragsverandering bij de verdachte bewerkstelligen, aldus de psycholoog. Op basis van het onderzoek adviseert de psycholoog, dat er een indicatie is tot oplegging van de maatregel van terbeschikkingstelling met - zo begrijpt het Hof - dwangverpleging.

Uit het rapport opgemaakt in december 2017 en de aanvullingen daarop van mei 2018 en januari 2019 door de deskundige, F.G.M. Heijtel, psychiater, volgt dat bij de verdachte sprake is van een antisociale persoonlijkheidsstoornis en een antisociale ontwikkeling richting criminaliteit, ook wel psychopathie genoemd. Ten aanzien van de antisociale ontwikkeling wordt door de psychiater aangegeven dat psychopathie een persoonlijkheidsvariant is met voorspellende aspecten ten aanzien van criminaliteit. Hierdoor wordt de kans op recidive hoog ingeschat. De verdachte vertoont antisociaal gedrag type 2, waar geen effectieve therapie voor bestaat. Het behandelperspectief bij de verdachte wordt, gelet op zijn antisociaal gedrag, nihil geacht. Ten aanzien van de toerekeningsvatbaarheid concludeert de psychiater, dat de gepleegde feiten geen impulsieve of reactieve delicten waren, maar dat de verdachte de feiten heeft voorbereid en gepleegd om aan zijn seksuele behoeften te voldoen, zonder op enige wijze rekening te houden met de gevolgen voor de slachtoffers. De verdachte wordt dan ook als volledig toerekeningsvatbaar geacht.

De psychiater heeft, gehoord als getuige-deskundige ter terechtzitting in hoger beroep op 7 februari 2019, aanvullend - en kort samengevat - het volgende verklaard. De verdachte is zich bewust van zijn handelen en beseft wanneer dit verkeerd is, maar dat brengt hem niet tot ander gedrag. De verdachte heeft al vanaf minderjarige leeftijd klinische en ambulante behandelingen aangeboden gekregen, maar hij heeft die niet of nauwelijks benut. Hij toont alleen spijt en/of interesse in behandeling als de gepleegde feiten tot voor hem negatieve consequenties leiden. Zijn bewering dat hij wenst te worden behandeld in het kader van een terbeschikkingstelling met dwangverpleging, is een doordachte tactiek om onder zijn verantwoordelijkheid uit te komen. Het handelen van de verdachte is in overwegende mate instrumenteel van aard. Dit maakt dat de gewenste gedragsverandering naar verwachting eerder zal worden bereikt door de verdachte te laten ondervinden dat crimineel gedrag consequenties heeft, zoals een forse gevangenisstraf, dan door een behandeling in het kader van een terbeschikkingstelling.

Ingevolge artikel 1:81, derde lid, van het Wetboek van Strafrecht kan de rechter slechts na een daartoe strekkend advies van één of meer gedragsdeskundigen, in ieder geval een psychiater, bevelen dat de verdachte ter beschikking wordt gesteld. Het Hof constateert dat de psychiater noch in zijn rapporten noch ter terechtzitting adviseert tot oplegging van de maatregel van terbeschikkingstelling met dwangverpleging, zodat niet is voldaan aan voornoemd vereiste en al om die reden de betreffende maatregel niet zal worden opgelegd.

Naar het oordeel van het Hof kan gelet op de aard en de ernst van het bewezen verklaarde niet worden volstaan met een andere of lichtere sanctie dan een straf die een onvoorwaardelijke vrijheidsbeneming met zich brengt.

De proceshouding van de verdachte, de omstandigheid dat de verkrachting van drie vrouwen en een poging daartoe, binnen twee maanden, op een afgelegen plaats of bij de verdachte thuis hebben plaatsgevonden en de bijzondere kwetsbaarheid van het slachtoffer [naam slachtoffer], vanwege haar jonge leeftijd en het feit dat zij door de verdachte is ontmaagd, zijn omstandigheden die naar het oordeel van het Hof aanzienlijk strafverhogend werken.

In reactie op het advies van de psycholoog over de toerekeningsvatbaarheid van de verdachte heeft de psychiater ter terechtzitting zijn eerdere advies in zoverre gewijzigd dat hij nu adviseert om de verdachte licht verminderd toerekeningsvatbaar te achten vanwege het samenvallen van een antisociale persoonlijkheidsstoornis en psychopathie bij de verdachte. Het Hof neemt dit advies over en dat heeft een enigszins strafverlagend effect.

Alles afwegend is het Hof, met het Gerecht en de procureur-generaal, van oordeel dat een gevangenisstraf voor de duur van 10 jaren passend en geboden is.

BESLISSING

Het Hof:

bevestigt het vonnis van het Gerecht met inachtneming van hetgeen hiervoor is overwogen.

Dit vonnis is gewezen door mrs. M.C.B. Hubben, D. Radder en M.B. van den Enden, leden van het Hof, bijgestaan door R.A. Caupain en mr. R.J. Gras, zittingsgriffiers, en op 28 februari 2019 uitgesproken in tegenwoordigheid van de griffier ter openbare terechtzitting van het Hof in Curaçao.

uitspraakgriffier: