Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:OGHACMB:2019:228

Instantie
Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba
Datum uitspraak
24-10-2019
Datum publicatie
25-02-2020
Zaaknummer
500.00026/18 H208/2018
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

spoonz

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Zaaknummer: H-208/2018

Parketnummer: 500.00026/18

Uitspraak: 24 oktober 2019 Tegenspraak

Vonnis

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van het Gerecht in eerste aanleg van Curaçao (verder: het Gerecht) van 3 oktober 2018 in de strafzaak tegen de verdachte:

[VERDACHTE],

geboren op [geboortedatum] 1990 in [geboorteplaats],

volgens eigen opgave wonende in [woonplaats],

thans gedetineerd in het huis van bewaring in Curaçao.

Hoger beroep

Het Gerecht heeft de verdachte bij zijn vonnis ter zake van het onder 1, impliciet subsidiair, en 2 ten laste gelegde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 8 jaren met aftrek van voorarrest.

De verdachte heeft hoger beroep ingesteld.

Onderzoek van de zaak

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting.

Het Hof heeft kennisgenomen van de vordering van de procureur-generaal,
mr. M.L.A. Angela, en van hetgeen door de verdachte en zijn raadsman,
mr. S.C. Larmonie, naar voren is gebracht.

De procureur-generaal heeft gevorderd dat het Hof het vonnis waarvan beroep zal vernietigen en, opnieuw rechtdoende, de verdachte ter zake van dezelfde bewezenverklaarde feiten zal veroordelen tot een gevangenisstraf voor de duur van 10 jaren, met aftrek van voorarrest.

De raadsman heeft primair bepleit dat de verdachte van het onder 1 ten laste gelegde zal worden vrijgesproken en subsidiair dat de verdachte voor dit feit zal worden ontslagen van alle rechtsvervolging. Ter zake van het onder 2 ten laste gelegde heeft de raadsman een strafmaatverweer gevoerd.


Vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven, omdat het Hof (deels) tot andere beslissingen komt.

Geldigheid van de inleidende dagvaarding

De raadsman heeft bepleit dat de inleidende dagvaarding ten aanzien van het onder 1 ten laste gelegde nietig zal worden verklaard, nu de zinsdelen ‘NN-man (man met de pet) en/of andere (onbekend gebleven) aldaar bevonden personen’ onvoldoende feitelijk zijn gespecificeerd.

Het Hof is van oordeel dat dit verweer niet kan slagen. Op grond van de tekst van de tenlastelegging is tegen de achtergrond van het dossier helder waartegen de verdachte zich had te verdedigen. Uit het verhandelde ter terechtzitting kan bovendien worden opgemaakt dat de verdachte dit ook daadwerkelijk heeft begrepen. De inleidende dagvaarding voldoet aan de wettelijke eisen.

Het verweer wordt dan ook verworpen.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd:

1
dat hij op of omstreeks 25 januari 2018, te Curaçao, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk en - al dan niet - met voorbedachten rade [slachtoffer 1] en/of NN-man (man met de pet)) en/of andere (onbekend gebleven) aldaar bevonden, personen van het leven te beroven, met dat opzet en - al dan niet - na kalm beraad en rustig overleg met zijn mededader(s), althans alleen, opzettelijk een of meer schoten met een of meer vuurwapens op en/of in de richting van die [slachtoffer 1] en/of die NN-man (man met de pet)) en/of die ander(e) (onbekend gebleven) personen heeft afgevuurd, zijnde de verdere uitvoering van dat door hem, verdachte, en/of zijn mededader(s) voorgenomen misdrijf niet voltooid;

(Artikel 2:262/259 jo 1:119 Wetboek van Strafrecht)

2.

dat hij op of omstreeks 25 januari 2018 te Curaçao, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, een of meer vuurwapens in de zin van de Vuurwapenverordening 1930, en/of munitie, in de zin van de Vuurwapenverordening 1930, voorhanden heeft gehad;

(Artikel 3 jo 11 van de Vuurwapenverordening 1930).

Vrijspraak

Ten aanzien van feit 1 impliciet primair

Het Hof is met het openbaar ministerie en de verdediging van oordeel dat niet wettig en overtuigend kan worden bewezen dat met voorbedachten rade is gehandeld. De verdachte zal daarom, zonder nadere motivering, van de hem onder 1, impliciet primair, ten laste gelegde poging tot moord worden vrijgesproken.

Bewezenverklaring

Het Hof acht - op grond van de hierna weergegeven bewijsmiddelen en de nadere bewijsoverwegingen, in onderling verband en samenhang beschouwd - wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 impliciet subsidiair en het onder 2 ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande:

1
dat hij op of omstreeks25 januari 2018, te Curaçao, ter uitvoering van het door hem verdachte voorgenomen misdrijf omtezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen,opzettelijk en - al dan niet - met voorbedachten rade[slachtoffer 1] en/of NN-man (man met de pet)) en/of een andere (onbekend gebleven) aldaar bevonden,persoonen van het leven te beroven, met dat opzet en - al dan niet - na kalm beraad en rustig overleg met zijn mededader(s), althans alleen, opzettelijk een of meerschoten met een of meervuurwapens op en/ofin de richting van die [slachtoffer 1] en/of die NN-man (man met de pet)) en/ofdie ander(e)(onbekend gebleven) persoonenheeft afgevuurd, zijnde de verdere uitvoering van dat door hem, verdachte, en/of zijn mededader(s)voorgenomen misdrijf niet voltooid;

2.

dat hij op of omstreeks 25 januari 2018 te Curaçao, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, een of meer vuurwapens in de zin van de Vuurwapenverordening 1930, en/of munitie, in de zin van de Vuurwapenverordening 1930, voorhanden heeft gehad.

Het Hof acht niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hierboven bewezen is verklaard, zodat hij daarvan zal worden vrijgesproken.

De in de tenlastelegging voorkomende taal- en/of schrijffouten of omissies zijn verbeterd (cursief). De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Bewijsmiddelen

Het Hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezen verklaarde heeft begaan, op de feiten en omstandigheden die in de hierna volgende bewijsmiddelen zijn vervat en redengevend zijn voor de bewezenverklaring.1

Daarbij wordt opgemerkt dat ieder bewijsmiddel, ook in zijn onderdelen, slechts wordt gebruikt tot bewijs van dat bewezen verklaarde feit, of die bewezen verklaarde feiten, waarop het blijkens zijn inhoud betrekking heeft en, voor zover het een geschrift als bedoeld in artikel 387, eerste lid, aanhef, onder e Sv betreft, dat dit telkens slechts wordt gebezigd in verband met de inhoud van de andere bewijsmiddelen.

Voorts wordt opgemerkt dat in de bewijsmiddelen geen (expliciete) landsaanduiding is opgenomen, maar dat algemeen bekend is dat de in die bewijsmiddelen wel opgenomen plaatsen zijn gelegen in Curaçao.

1. Op 25 januari 2018 omstreeks 03.25 uur, bevonden de verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2] zich op patrouille op de [naam straat 1] ter hoogte van de voormalige ‘[naam plaats 1]’. Zij hebben het volgende gerelateerd:

“Wij, verbalisanten, hoorden op een gegeven moment een paar schoten. Na enkele seconden hoorden wij nogmaals enkele schoten die afkomstig waren van een automatisch vuurwapen. Wij besloten richting Club [plaats delict] te rijden, omdat de schoten vanuit die richting kwamen. Ter hoogte van het bedrijf [bedrijfsnaam 1] op de berm tegenover de truck di pan ‘[naam truck di pan]’ zagen wij een voor ons onbekende man liggen, die ons meteen om hulp vroeg. Hij had een verwonding aan zijn linkerbovenbeen ter hoogte van zijn knie.

Deze man gaf later op te zijn genaamd, [slachtoffer 1] , geboren op [geboortedatum] 1976 in [woonplaats] en wonende [adres slachtoffer 1].”2

2. Op 25 januari 2018 omstreeks 04.00 uur, is de verbalisant [verbalisant 3] op de plaats delict aangekomen. Hij heeft het volgende gerelateerd:

Ik, verbalisant, zag dat een persoon op de grond tussen een lantaarnpaal en een witgelakte auto op zijn buik lag. Deze persoon gaf geen teken van leven daar zijn hoofd in een bloedplas lag. Het slachtoffer bleek te zijn genaamd: [slachtoffer 2], geboren op [gebortedatum] 1994 in [geboorteplaats].” 3


3. Op 25 januari 2018 heeft de verbalisant [verbalisant 4] het volgende gerelateerd:

Door de politiearts, dr. A.H.E. Maduro, werd op 25 januari 2018 omstreeks 04.15 uur de dood van [slachtoffer 2] geconstateerd.” 4

4. Op 25 januari 2018 hebben de verbalisanten [verbalisant 5], [verbalisant 6] en
[verbalisant 7] een forensisch sporenonderzoek op de plaats delict ingesteld.
Zij hebben het volgende gerelateerd:

De schietpartij met dodelijke afloop heeft op de kruising [naam straat 2]weg en [naam straat 3]weg ter hoogte van Club [plaats delict] plaatsgevonden. Wij, verbalisanten, troffen het stoffelijk overschot op zijn buik gelegen naast een witgelakte personenauto (Hof: zie weergave luchtfoto pag. 58). Vanwege de aangetroffen stand van het slachtoffer kan worden aangenomen dat hij alvorens te zijn beschoten, aanvankelijk met zijn front in noordelijke richting keek.

Ter hoogte van het rechterachterportier van de witgelakte personenauto lag glasgruis op het wegdek. Er bevond zich een kogelinslag aan het horizontale rechterachterportier.

Een afgevuurde kogel ging door het raam en de rugleuning van de achterzitplaats. Aan het linker achterportier, achterdeur en linker bumper werden bloedsporen aangetroffen.
Ten noorden van voornoemde auto, stond een grijsgelakt voertuig waar geronnen bloed werd aangetroffen. Vier voertuigen die in de omgeving geparkeerd stonden werden ook door rondvliegende kogels geraakt.

Positie schutters: aan de hand van het gegeven dat de gebruikte pistolen van het merk Glock zijn en dat de pistolen van dit merk de hulzen rechts uitwerpt wordt de omgeving van de schuttersposities ongeveer aangegeven in een gekleurde omcirkeling. Vuurwapen 1 is rood, vuurwapen 2 is blauw, vuurwapen 3 is geel en vuurwapen 4 is groen (Hof: weergave zie pagina 65). 5

Opmerking Hof: de weergegeven schuttersposities, met kleur aangegeven, zijn aan de hand van het dossier (de eigen waarnemingen van het Hof, het technisch sporenbeeld en de verklaringen van verdachten en getuigen) aan de volgende personen te koppelen: vuurwapen 1, kleur rood, is de verdachte; vuurwapen 2, kleur blauw, is [medeverdachte 1]; vuurwapen 3, kleur geel, is [slachtoffer 2] en vuurwapen 4, kleur groen, is de onbekende man, ook wel [BIJNAAM ONBEKENDE MAN] genoemd.

5.Op 26 januari 2018 heeft de verbalisant [verbalisant 8] een papieren zak inhoudende een hoeveelheid hulzen die zijn veiliggesteld op de plaats delict ontvangen. Hij heeft het volgende gerelateerd:

“Aan mij, verbalisant, werd een totaal van 60 hulzen, twee gedeformeerde kogels, één loden kogel en vier kogelfragmenten, overhandigd. Tijdens microscopisch vergelijkend onderzoek tussen de afvuursporen op de hulzen die op de plaats delict veiliggesteld werden, zijn er vier verschillende systeemsporen op de hulzen van het kaliber 9 mm Luger en kaliber .40 geconstateerd.

Door de sporen kan ik, verbalisant, concluderen dat er ten minste vier vuurwapens op de plaats delict zijn gebezigd. Ik, verbalisant, kan ook vaststellen dat al deze hulzen waarschijnlijk verschoten zijn door vuurwapens van het merk Glock.

Door het vuurwapen met systeemspoor 1 (kaliber 9x19 mm) werd dertien keren gevuurd. Door het vuurwapen met systeemspoor 2 (kaliber 9x19 mm) werd zeventien keren gevuurd. Door het vuurwapen met systeemspoor 3 (kaliber 9 mm Luger/ 9x19 mm) werd negentien keren gevuurd.
Door het vuurwapen met systeemspoor 4 (kaliber .40) werd elf keren gevuurd.” 6

6 [getuige 1]heeft op 1 mei 2018 de volgende verklaring afgelegd:

“Op 25 januari 2018 ben ik na twee uur ’s nachts bij [plaats delict] aangekomen. Ik was naar buiten gegaan om een sigaretje te gaan roken. Op dat moment zag ik twee mannen vanuit de VIP in-/uitgang naar buiten komen (het Hof begrijpt: de andere verdachte [slachtoffer 1] en de onbekende man, ook wel aangeduid als [BIJNAAM ONBEKENDE MAN]) die vervolgens richting de broodjestruck ‘[naam truck di pan]’ toeliepen. Zij waren hard met elkaar aan het praten, het leek alsof ze boos over iets waren. Ik liep eveneens in de richting van de broodjestruck en ging ter hoogte van de muur gevestigd ten westen van de kerk plassen. Toen ik klaar was keerde ik terug richting [plaats delict]. Ik zag de twee mannen eveneens richting [plaats delict] lopen. Ik liep voor hen en ging terug bij de ijzeren rand ter hoogte van [plaats delict] staan. Vervolgens stak ik de weg over om een sigaretje uit mijn auto te halen, welke bijna bij de kruising geparkeerd stond. De twee mannen stonden iets minder dan drie meter van mijn auto vandaan. Vervolgens zag ik een man met een groen hemd (het Hof begrijpt: het slachtoffer [slachtoffer 2]) mijn auto voorbij lopen. Hij kwam vanaf de richting van het [naam gebouw]-gebouw. Op het moment dat de man met een groen hemd de bocht naar rechts nam, trof hij de twee mannen die daar stonden. Op dat moment hoorde ik verschillende schoten afgaan. Ik zocht dekking en begon te rennen.
Hierna hoorde ik meer schoten afgaan. Vervolgens zag ik een man met een muts op zijn hoofd en met een donkere huidskleur (het Hof begrijpt: de andere verdachte [medeverdachte 1]) met een automatisch vuurwapen schieten. Hij schoot in de richting van de broodjestruck ‘[naam truck di pan]’.” 7

7 [naam 2] heeft op 25 januari 2018 de volgende verklaring afgelegd:

“Op 25 januari 2018 ben ik omstreeks 03.20 uur in [naam buurt] aangekomen. Ik had mijn witgelakte Toyota Yaris, schuin tegenover [plaats delict] geparkeerd. Ik zat in de auto en was bezig met mijn mobiele telefoon toen ik schoten hoorde afgaan.

Ik liet mijn lichaam in de auto zakken en schoof naar de passagierskant. Ik deed het portier van de passagierskant open en ging op de grond liggen. Ik constateerde dat de schoten afkomstig waren uit de omgeving van waar de jongen gedood werd.

Ik zag een man (het Hof begrijpt: de verdachte) in de richting van [bedrijfsnaam 2] rennen. Hij had een lichtblauw hemd, waarvan de achterkant bebloed was, en een driekwart broek aan. Hij is in een roodgelakt voertuig, dat ter hoogte van de kerk geparkeerd stond, gestapt en vervolgens weggereden.” 8

8. Op 25 januari 2018 omstreeks 03.40 uur, werden de verbalisanten [verbalisant 9] en [verbalisant 10] door de Centrale Kamer gedirigeerd naar Poli, waar iemand zich met een schotwond ter hoogte van zijn rug had gemeld. Zij hebben het volgende gerelateerd:

“Wij, verbalisanten, werden bij de Poli naar de eerste hulp afdeling verwezen.
Wij constateerden in cube 1 van de poli dat er een man lag die een lichtblauw hemd aanhad, dat aan de rug bebloed was.

Op de parkeerplaats buiten troffen wij een roodgelakte personenauto van het merk Hyundai met kenteken [kentekenplaat] aan, waarvan de stoel van de bestuurder een bloedvlek had.

De wachtcommandant had ons in kennis gesteld dat bedoelde auto aan de man behoort, die zich in de eerste hulp afdeling met een schotwond aan zijn rug had gemeld. 9

9.Op 25 januari 2018 omstreeks 03.45 uur, werden de verbalisanten [verbalisant 11] en [verbalisant 12] gedirigeerd naar Poli, om onderzoek te doen naar de personalia van het slachtoffer dat in zijn rug werd geraakt . Zij hebben het volgende gerelateerd:

“Wij, verbalisanten, begaven ons naar de man die op het bed in cube 1 lag.

Deze man gaf te zijn genaamd: [VERDACHTE], geboren op [geboortedatum] 1990 in [geboorteplaats 1] (het Hof begrijpt: [geboorteplaats]).” 10

10. Op 25 januari 2018 omstreeks 08.10 uur heeft de verbalisant [verbalisant 7] een schiethand van de verdachte [verdachte] afgenomen. Hij heeft het volgende gerelateerd:

“Ik, verbalisant, heb kleine deeltjes schotrestjes op de stubjes van de afgenomen schiethand waargenomen met de lichtmicroscoop van het Team Forensisch Opsporing. “ 11

11. Het Hof heeft ter terechtzitting op de camerabeelden met bestandsnaam ‘Kruising’ (20180125.014654) het volgende waargenomen:

“Om 01:46:53 uur zijn verschillende personen in beeld te zien, waaronder het latere slachtoffer [slachtoffer 2] (hierna: [slachtoffer 2]), verdachte en de andere verdachte [medeverdachte 1] (hierna: de verdachte of [verdachte] resp. [medeverdachte 1]).

[slachtoffer 2] is gekleed in een donkerblauwe spijkerbroek , een groen poloshirt en donkergekleurde gymschoenen.
[verdachte] is gekleed in een crèmekleurige driekwart broek, een lichtkleurig hemd met korte mouwen, een donkerkleurige pet en witte gymschoenen.
[medeverdachte 1], die tegen de ijzeren reling leunt, heeft een lichtbruin gekleurde dameskous op zijn hoofd en is gekleed in een lichtblauwe spijkerbroek, een donkergekleurd shirt en zwarte gymschoenen met witte zolen.” 12

12. Het Hof heeft ter terechtzitting op de camerabeelden met bestandsnaam ‘Kruising’ (20180125.032000) het volgende waargenomen:

“Om 3:20:20 uur verschijnt [slachtoffer 2] in beeld ter hoogte van Club [plaats delict] en loopt vanuit de algemene ingang van de club naar een donkergekleurde Kia Cerato.

Om 3:20:49 uur begint [medeverdachte 1] de straat ter hoogte van de kruising richting het noorden over te steken. Hij komt [verdachte] halverwege de weg tegen. [verdachte] gaat met zijn rug tegen de muur van Club [plaats delict] staan en [medeverdachte 1] blijft ter hoogte van de kruising op de berm nabij de club staan.

Om 3:21:04 uur loopt [slachtoffer 2] van de bestuurderskant van de auto naar de achterbak. Hij zet een beker op de achterbak en haalt met zijn rechterhand een vuurwapen aan de voorzijde van onder zijn broeksband tevoorschijn.

Om 3:21:22 uur legt [slachtoffer 2] het vuurwapen naast de beker op de achterbak.

Om 3:21:35 uur stapt [slachtoffer 2] uit de auto, loopt naar de achterbak pakt het vuurwapen en de beker van de achterbak van de auto en loopt langs de kerk tussen de geparkeerde auto’s in de richting van de kruising.

Om 3:22:01 uur bereikt [slachtoffer 2] de kruising en stopt hij naast een witgelakte auto.

Om 3:22:04 uur klinkt er een schot en [slachtoffer 2] valt naar de grond.

Om 3:22:07 uur komen zowel [verdachte] als [medeverdachte 1] in beweging. [verdachte] loopt weg van de muur en steekt de kruising in westelijke richting over al schietend met een vuurwapen in de richting van het noorden (de richting van [slachtoffer 1] en de onbekende man).

Om 3:22:13 uur rent [medeverdachte 1] in gebukte houding de straat over richting de plek waar [slachtoffer 2] is gevallen. Hij verdwijnt uit beeld tussen twee geparkeerde witgelakte auto’s.

Om 3:22:22 uur komt [medeverdachte 1] in beeld tussen voornoemde auto’s en loopt hij in de richting van het noorden (de richting van [slachtoffer 1] en de onbekende man). Hij verdwijnt hierna uit beeld.” 13

13.Het Hof heeft ter terechtzitting op de camerabeelden met bestandsnaam ‘Mainparking R’ (20180125.032001) het volgende waargenomen:

“Om 3:20:07 uur verschijnen twee personen in beeld, de andere verdachte [slachtoffer 1] met kaal hoofd, gekleed in een donkerkleurig shirt, blauwe spijkerbroek en zwarte schoenen en een onbekende man, gekleed in een donkerrood shirt, zwarte broek en een zwarte pet, lopend vanuit het noorden, terwijl ze naar het zuiden richting de kruising lopen, waaraan club [plaats delict] is gelegen.
Om 3:20:29 uur, zo neemt het Hof waar, bereiken deze twee personen de kruising en blijven daar staan, vlakbij de auto waarnaast [slachtoffer 2] later zal neervallen.

Om 3:22:03 uur klinkt er een schot en wordt er een mondingsvlam gezien vlakbij de plek waar de verdachte en de onbekende man staan en meteen daarna valt een schaduw (het Hof: [slachtoffer 2]) naar de grond. Vervolgens beginnen [slachtoffer 1] en de onbekende man terug te rennen richting het noorden, terwijl de onbekende man met een vuurwapen een salvo aan schoten afvuurt richting de kruising alwaar inmiddels [verdachte] rennend te zien is.

Om 3:22:10 uur heft [slachtoffer 1] zijn vuurwapen op en hij begint gericht in dezelfde richting als de onbekende man te schieten, ook hij vuurt meerdere schoten af, terwijl ze ondertussen allebei achter geparkeerde auto’s dekking zoeken. Zij blijven daarbij steeds dicht bij elkaar. De richting waarin [slachtoffer 1] en de onbekende man schieten volgt de richting waarin [verdachte] schietend over de kruising rent.

Om 3:22:18 uur rennen [slachtoffer 1] en de onbekende man verder weg in noordelijke richting, waar hun auto geparkeerd stond.” 14

14.Het Hof heeft ter terechtzitting op de camerabeelden met bestandsnaam ‘Mainparking R’ (20180125.031836) het volgende waargenomen:

“Om 3:22:25 uur valt [slachtoffer 1] naar de grond.” 15

15. De verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep het volgende verklaard:

“Ik was op 25 januari 2018 in Club [plaats delict]. U toont mij camerabeelden. Ik ben de man met een crèmekleurige driekwart broek, een lichtkleurig hemd met korte mouwen, een donkerkleurige pet en witte gymschoenen. Ik was samen met [slachtoffer 2] en [medeverdachte 1]. [slachtoffer 2] en ik liepen op enig moment vanuit de club naar buiten. Ik ben buiten tegen de muur van [plaats delict] gaan staan. Ik heb, nadat [slachtoffer 2] was neergeschoten, een vuurwapen uit mijn broek gehaald, dit doorgeladen en ben rennend de kruising in westelijke richting overgestoken terwijl ik verschillende schoten afloste met dit vuurwapen“ 16

Bewijsoverwegingen

Met betrekking tot het onder 1 impliciet subsidiair ten laste gelegde

De raadsman heeft bepleit dat de verdachte van de onder 1 impliciet subsidiair ten laste gelegde poging tot doodslag zal worden vrijgesproken. Hij heeft daartoe – kort samengevat – aangevoerd dat de verdachte niet gericht op [slachtoffer 1] en de onbekende man, bijgenaamd [BIJNAAM ONBEKENDE MAN] heeft geschoten. De verdachte heeft weliswaar in hun richting, maar schuin boven hen in de lucht geschoten, om hen af te schrikken. Hij had daarmee geen opzet, ook niet in voorwaardelijke zin, op het doden van [slachtoffer 1] en [BIJNAAM ONBEKENDE MAN], aldus de raadsman.

Het Hof verwerpt het verweer en overweegt ter toelichting het navolgende, waarbij op grond van het dossier wordt uitgegaan van de hierna beschreven feitelijke toedracht.

Het conflict en de bewapening

In de nacht van 24 op 25 januari 2018 gaan [slachtoffer 2] (hierna: het slachtoffer of [slachtoffer 2]) en diens vrienden, de verdachte en de andere verdachte [medeverdachte 1] (hierna: de verdachte of [verdachte] resp. [medeverdachte 1]), uit in Club [plaats delict] (hierna: de club).
Ook de andere verdachte [slachtoffer 1] (hierna: [slachtoffer 1]), zijn vrouw, haar vriendin en een vriend van de verdachte, ook wel [BIJNAAM ONBEKENDE MAN] genoemd (hierna: [BIJNAAM ONBEKENDE MAN]) begeven zich die avond naar de club. Op enig moment ontstaan er binnen de club spanningen tussen [slachtoffer 2], [medeverdachte 1] en de verdachte enerzijds en [slachtoffer 1] en [BIJNAAM ONBEKENDE MAN] anderzijds. De twee groepen gaan vervolgens vrijwel gelijktijdig naar buiten. [slachtoffer 1] en [BIJNAAM ONBEKENDE MAN] lopen naar de auto van [slachtoffer 1], pakken daar ieder een vuurwapen en begeven zich weer in de richting van de kruising waaraan de club gelegen is. [slachtoffer 2] loopt eveneens naar zijn auto. Ook hij bewapent zich daar met een vuurwapen en loopt eveneens richting de kruising. De verdachte moet in de tussentijd hetzelfde hebben besloten en gedaan, aangezien ook hij de club verlaat waar streng gecontroleerd wordt op de aanwezigheid van vuurwapens17, en ook hij kort daarna met een vuurwapen bewapend is. De verklaring van de verdachte ter terechtzitting in dit verband dat hij een vuurwapen van [slachtoffer 2] heeft overgenomen in de club vlak voordat zij naar buiten kwamen, omdat de verdachte juist problemen wilde voorkomen met wapens, schuift het Hof als ongeloofwaardig terzijde. Deze lezing, die door de verdachte eerst in hoger beroep te berde is gebracht, vindt geen steun in het dossier. Te zien is op de camerabeelden dat [slachtoffer 2] zich bewapent bij zijn auto, dat de verdachte ook heen en weer naar zijn auto loopt en bovendien volgt uit het dossier dat bezoekers in de club zoals gewoonlijk werden gecontroleerd op de aanwezigheid van (vuur)wapens.18 Dit alles past bij de lezing dat de verdachte zich bewapent bij zijn auto en daarna voor de club gaat staan.
[medeverdachte 1] verlaat ook de club, maar is de enige die zich op dat moment (nog) niet bewapent. Ieder van hen neemt vervolgens een strategische positie in met zicht op de kruising waaraan de club gelegen is. [slachtoffer 1] en [BIJNAAM ONBEKENDE MAN] gaan staan op de hoek van de kruising die zich recht tegenover de in-/uitgang van de club bevindt. De verdachte gaat vlakbij die in-/uitgang geleund tegen de muur van de club staan met [medeverdachte 1] op de stoep vlak voor hem. Zowel de verdachte als [medeverdachte 1] hebben vanaf dat punt goed zicht op de hoek waar [slachtoffer 1] en [BIJNAAM ONBEKENDE MAN] naartoe lopen. [slachtoffer 2] loopt als laatste eveneens naar diezelfde hoek, maar komt van de andere kant.

Naar het oordeel van het Hof kan het, gelet op het voorgaande, niet anders zijn dan dat ieder van de bewapende betrokkenen er op dat moment op uit was het kennelijk eerder die avond in de club gerezen conflict buiten voort te zetten en de confrontatie aldaar, bewapend, met elkaar aan te gaan. Elk van de groepen stond paraat voor een confrontatie. In geen enkel opzicht valt uit hun handelwijze noch de rest van het dossier af te leiden dat zij erop uit waren zich aan het gerezen conflict te onttrekken, integendeel, er werd buiten juist verder opgeschaald.

Getuige [getuige 1] geeft steun aan deze conclusie met zijn verklaring dat [slachtoffer 1] en [BIJNAAM ONBEKENDE MAN] zichtbaar en hoorbaar boos waren toen zij naar de auto van [slachtoffer 1] liepen om zich, naar later bleek, te gaan bewapenen. Voor alle betrokkenen was naar het oordeel van het Hof voorzienbaar dat bij dit bewapend opzoeken van de confrontatie, daadwerkelijk geschoten zou kunnen worden en dat daarbij slachtoffers zouden kunnen vallen.

De doodslag op [slachtoffer 2]

Vervolgens positioneren [slachtoffer 1] en [BIJNAAM ONBEKENDE MAN] zich samen – wachtend op een confrontatie – op de kruising dicht naast elkaar. Daar gaan enkele minuten overheen. [slachtoffer 2] komt op enig moment aan de andere kant van de hoek aanlopen. Het eerste schot dat valt is een van zeer dichtbij afgevuurd gericht en direct fataal schot door het hoofd van [slachtoffer 2], dat niet anders dan bedoeld kon zijn om hem te doden.
Dat schot wordt hem toegediend enkele seconden nadat hij de hoek heeft bereikt en moet blijkens onder andere het technisch sporenbeeld zijn afgevuurd door [BIJNAAM ONBEKENDE MAN]
[slachtoffer 1] staat op dat moment nog steeds heel dichtbij [BIJNAAM ONBEKENDE MAN] in de buurt. Na het schot rennen [slachtoffer 1] en [BIJNAAM ONBEKENDE MAN] samen weg, waarbij beiden elkaar over en weer dekking verlenen door richting de kruising te schieten, vanwaar de verdachte inmiddels op hen aan het vuren is.

Het vuurgevecht met [slachtoffer 1] en [BIJNAAM ONBEKENDE MAN]

Vrijwel direct na het fatale schot op [slachtoffer 2] ontstaat een intensief vuurgevecht, waarbij 59 kogels worden verschoten. Niet goed vast te stellen is wie als eerste het vuur opent na het schot op [slachtoffer 2], maar wel staat vast dat dit vuurgevecht tussen verdachte enerzijds en [slachtoffer 1] en [BIJNAAM ONBEKENDE MAN] anderzijds vrijwel onmiddellijk na het fatale schot op [slachtoffer 2] losbarst. De lezing van de verdachte dat het tweede schot dat wordt gelost, hem in de rug treft, waarna hij besluit te gaan schieten, wordt door het Hof niet gevolgd. Op de beelden is immers waar te nemen dat de verdachte na het tweede schot rustig richting de kruising loopt. Hij loopt daarbij steeds met zijn gezicht richting [slachtoffer 1] en [BIJNAAM ONBEKENDE MAN] waardoor het uitgesloten is dat hij op dat moment al door een kogel in zijn rug is getroffen.

Zowel [BIJNAAM ONBEKENDE MAN] als [slachtoffer 1] schieten al wegrennend op [verdachte], die gelijktijdig vanaf de kruising op hen vuurt. [verdachte] wordt door een van de afgevuurde kogels geraakt in de rug.

[medeverdachte 1] besluit als het vuurgevecht geëindigd is, hieraan alsnog een bijdrage te leveren door daarna het (automatische) vuurwapen van [slachtoffer 2] te pakken en een salvo af te vuren op [slachtoffer 1] en [BIJNAAM ONBEKENDE MAN] terwijl zij wegrennen. [slachtoffer 1] wordt daarbij geraakt in zijn been.

Opzet op de dood

De verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep voor het eerst verklaard dat hij niet gericht op [slachtoffer 1] en [BIJNAAM ONBEKENDE MAN], maar schuin in de lucht boven hen heeft geschoten om hen af te schrikken. Deze verklaring acht het Hof ongeloofwaardig. Op basis van de camerabeelden kan geconcludeerd worden dat de verdachte meermalen gericht heeft geschoten in de richting van [slachtoffer 1] en [BIJNAAM ONBEKENDE MAN] De door de verdachte afgevuurde kogels slaan immers zichtbaar in de gebouwen achter [slachtoffer 1] en [BIJNAAM ONBEKENDE MAN] in en meerdere auto’s in hun buurt raken door de kogels beschadigd. [slachtoffer 1] en [BIJNAAM ONBEKENDE MAN] blijven de verdachte op hun beurt ook volgen met hun wapens terwijl zij die in de richting van de ver de kruising lopende verdachte leegschieten.

Naar het oordeel van het Hof kan deze handelwijze van verdachte – het blijkens het technisch onderzoek dertien maal gericht schieten op [slachtoffer 1] en [BIJNAAM ONBEKENDE MAN] op een relatief korte afstand – worden aangemerkt als zozeer gericht op de dood van [slachtoffer 1] en [BIJNAAM ONBEKENDE MAN], dat het, behoudens contra-indicaties – waarvan in het onderhavige geval niet is gebleken – niet anders kan zijn dan dat de verdachte vol opzet heeft gehad op hun dood. Poging tot doodslag kan dan ook worden bewezen, het verweer wordt verworpen.

Kwalificatie van het bewezen verklaarde

Het onder 1 impliciet subsidiair bewezen verklaarde is voorzien bij en strafbaar gesteld in artikel 2:259 juncto artikel 1:119 van het Wetboek van Strafrecht.
Het wordt als volgt gekwalificeerd:

Poging tot doodslag, meermalen gepleegd.

Het onder 2 bewezen verklaarde is voorzien bij artikel 3, eerste lid, van de Vuurwapenverordening en strafbaar gesteld in artikel 11 van de Vuurwapenverordening. Het wordt als volgt gekwalificeerd:

Overtreding van een verbod gesteld bij artikel 3, eerste lid, van de Vuurwapenverordening, meermalen gepleegd.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde en de verdachte

De raadsman heeft subsidiair bepleit dat de verdachte, mocht het Hof toch tot een bewezen verklaring komen ten aanzien van het onder 1 ten laste gelegde, zal worden ontslagen van alle rechtsvolging omdat hem een te honoreren beroep toekomt op (putatief) noodweer dan wel noodweerexces. Daartoe heeft hij aangevoerd dat het schieten van de verdachte geboden was door de noodzakelijke verdediging van zijn lijf tegen een ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding van de zijde van [slachtoffer 1] en [BIJNAAM ONBEKENDE MAN] Zij hebben na het doodschieten van [slachtoffer 2] hun

vuurwapens gericht op de verdachte en hebben diverse schoten op hem gelost, aldus nog steeds de raadsman.

Het Hof is van oordeel dat naar de uiterlijke verschijningsvorm van de handelwijze van de verdachte geen sprake is geweest van een verdedigend handelen, maar dat de verdachte zelf gewapend de confrontatie heeft opgezocht, zoals hiervoor overwogen. Het was niet de vraag of er geschoten zou worden, maar wie dat het eerst zou gaan doen. Reeds om die reden komt de verdachte een beroep op (putatief) noodweer(exces) niet toe.

Het verweer wordt derhalve verworpen.

Voor het overige zijn er geen feiten en omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezenverklaarde en van de verdachte uitsluiten.
Het bewezenverklaarde en de verdachte zijn daarom strafbaar.

Oplegging van straf

Bij de bepaling van de op te leggen straf wordt gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezen verklaarde is begaan, op de mate waarin de gedraging aan de verdachte te verwijten is en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen. Daarbij wordt rekening gehouden met de ernst van het bewezen verklaarde in verhouding tot andere strafbare feiten, zoals die onder meer tot uitdrukking komt in het hierop gestelde wettelijke strafmaximum en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd.

het Hof overweegt als volgt.

De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een dubbele poging tot doodslag door gericht een groot aantal kogels op twee personen af te vuren en hij heeft hen daarmee in levensgevaar gebracht. Het Hof acht dit een zeer ernstig feit, dat zeer wel fataal voor beide slachtoffers had kunnen aflopen. Dat dit gevolg niet is ingetreden, is een gelukkig toeval en is een omstandigheid die bepaald niet aan de verdachte is te danken. Voorts heeft de verdachte zich schuldig gemaakt aan verboden vuurwapen- en munitiebezit. Ongeoorloofd vuurwapenbezit is maatschappelijk onaanvaardbaar vanwege de dreiging die daarvan voor de veiligheid van anderen uitgaat, welke dreiging zich in deze zaak in volle omvang heeft verwezenlijkt.

De onderhavige schietpartij is een van de meest geëscaleerde schietpartijen in Curaçao de afgelopen jaren. Een onvoorstelbaar grote hoeveelheid kogels is op de openbare weg afgevuurd te midden van onschuldige omstanders die een avond uit waren. Ook op hen zal het gebeurde een onuitwisbare indruk hebben gemaakt en grote angst hebben veroorzaakt. Deze schietpartij heeft de rechtsorde van Curaçao ernstig geschokt en gevoelens van angst, onveiligheid en verbijstering in de maatschappij teweeg gebracht en versterkt.

Het Hof rekent de verdachte deze gedragingen zwaar aan en met name de kennelijk lichtvaardige wijze waarop hij tot het gebruik van een vuurwapen is overgegaan in de uitgaanssfeer en waarmee hij het volstrekt onaanvaardbare risico heeft genomen dat ook andere aanwezigen door de afgevuurde kogels dodelijk konden worden getroffen.

Gelet op de ernst van het bewezen verklaarde kan niet worden volstaan met een andere of lichtere sanctie dan een straf die een onvoorwaardelijke vrijheidsbeneming van aanzienlijke duur met zich brengt.

Ten aanzien van de duur van die vrijheidsstraf houdt het Hof in het nadeel van de verdachte rekening met de omstandigheid dat de verdachte blijkens zijn strafkaart al eerder onherroepelijk voor verboden vuurwapenbezit is veroordeeld.
Kennelijk heeft dat hem er niet van weerhouden zich opnieuw in te laten met vuurwapens. Ook houdt het Hof in zijn nadeel rekening met het feit dat de verdachte gelet op zijn proceshouding, geen openheid van zaken heeft willen geven en daarmee geen enkele verantwoordelijkheid voor zijn daden heeft genomen, laat staan berouw heeft getoond.

Voorts heeft het Hof acht geslagen op de over de verdachte uitgebrachte rapportages omtrent zijn persoon, waarin zowel psychiater als psycholoog concluderen tot volledige toerekeningsvatbaarheid. Het Hof verenigt zich met deze conclusie en maakt deze tot de zijne.

Het Hof is alles afwegende tot de slotsom gekomen dat de ernst van het bewezen verklaarde onvoldoende tot uitdrukking komt in de door het Gerecht opgelegde straf. Het Hof is - met eenparigheid van stemmen - van oordeel dat de door de procureur-generaal gevorderde gevangenisstraf voor de duur van 10 jaren passend en geboden is. De verdachte zal daartoe dan ook worden veroordeeld.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf is, behalve op de reeds aangehaalde wettelijke voorschriften, gegrond op artikel 1:136 van het Wetboek van Strafrecht, zoals dit luidde ten tijde van het bewezen verklaarde.

BESLISSING

Het Hof:

vernietigt het vonnis van het Gerecht in eerste aanleg en doet opnieuw recht;

verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte onder 1, impliciet primair, ten laste is gelegd en spreekt hem daarvan vrij;

verklaart wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte de onder 1, impliciet subsidiair, en 2 ten laste gelegde feiten heeft begaan;

verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hierboven bewezen is verklaard en spreekt hem daarvan vrij;

kwalificeert het bewezen verklaarde als hiervoor omschreven;

verklaart het bewezen verklaarde strafbaar en de verdachte daarvoor strafbaar;

veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de 10 (tien) jaren;

beveelt dat de tijd die door de verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht.

Dit vonnis is gewezen door mrs. M.C.B. Hubben, D. Radder en H. de Doelder, leden van het Hof, bijgestaan door mrs. T.M.A.D. de Lanoy en R.J. Gras, (zittings)griffiers, en op 24 oktober 2019 uitgesproken in tegenwoordigheid van de griffier ter openbare terechtzitting van het Hof in Curaçao.

Mrs. D. Radder en H. de Doelder zijn buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.

uitspraakgriffier:

1 Hierna wordt, tenzij anders vermeld, telkens verwezen naar ambtsedige - en door de desbetreffende verbalisant(en) in wettelijke vorm opgemaakte - processen-verbaal en overige geschriften, die als bijlagen zijn opgenomen in het eindproces-verbaal van het Korps Politie Curaçao (Recherche Informatiedienst, Divisie Centrale Recherche, unit Lokaal Ernstige Criminaliteit) d.d. 3 september 2018, geregistreerd onder proces-verbaalnummer 201804100830.DOS en de onderzoeksnaam “Sponge”.

2 Proces-verbaal van bevindingen d.d. 25 januari 2018, zaaksdossier, pagina 1-2.

3 Proces-verbaal onderzoek plaats delict d.d. 25 januari 2018, zaaksdossier, pagina 2-5.

4 Proces-verbaal doodsconstatering slachtoffer [slachtoffer] d.d. 25 januari 2018, zaaksdossier, pagina 6.

5 Proces-verbaal van forensisch onderzoek d.d. 10 september 2018, los stuk.

6 Proces-verbaal van munitie vergelijkingsonderzoek van hulzen d.d. 10 september 2018, los stuk.

7 Proces-verbaal van getuigenverhoor d.d. 1 mei 2018, zaaksdossier pagina 134-138.

8 Proces-verbaal van getuigenverhoor d.d. 26 januari 2018, zaaksdossier, pagina 87-88.

9 Proces-verbaal van bevindingen d.d. 26 januari 2018, zaaksdossier, pagina 41-42.

10 Proces-verbaal van aanhouding buiten heterdaad [verdachte] d.d. 25 januari 2018, persoonsdossier [verdachte], pagina 1-3.

11 Proces-verbaal van afname schiethand van de verdachte [verdachte] d.d. 25 januari 2018, zaaksdossier, pagina 44-45.

12 Eigen waarneming van het Hof ter terechtzitting van 20 juni 2019, zoals die eventueel later – indien tegen dit vonnis beroep in cassatie wordt ingesteld – in het proces-verbaal van die terechtzitting zal worden weergegeven.

13 Eigen waarneming van het Hof ter terechtzitting van 20 juni 2019, zoals die eventueel later – indien tegen dit vonnis beroep in cassatie wordt ingesteld – in het proces-verbaal van die terechtzitting zal worden weergegeven.

14 Eigen waarneming van het Hof ter terechtzitting van 20 juni 2019, zoals die eventueel later – indien tegen dit vonnis beroep in cassatie wordt ingesteld – in het proces-verbaal van die terechtzitting zal worden weergegeven.

15 Eigen waarneming van het Hof ter terechtzitting van 20 juni 2019, zoals die eventueel later – indien tegen dit vonnis beroep in cassatie wordt ingesteld – in het proces-verbaal van die terechtzitting zal worden weergegeven.

16 Verklaring van de verdachte ter terechtzitting in hoger beroep van 20 juni 2019, zoals die eventueel later – indien tegen dit vonnis beroep in cassatie wordt ingesteld – in het proces-verbaal van die terechtzitting zal worden weergegeven.

17 Proces-verbaal van getuigenverhoor [getuige 2] d.d. 19 april 2018, in combinatie met proces-verbaal van getuigenverhoor [getuige 3] d.d. 22 april 2018, beiden opgenomen in zaakdossier, pagina 124-133.

18 Proces-verbaal van getuigenverhoor [getuige 2] d.d. 19 april 2018, in combinatie met proces-verbaal van getuigenverhoor [getuige 3] d.d. 22 april 2018, beiden opgenomen in zaakdossier, pagina 124-133.