Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:OGHACMB:2019:227

Instantie
Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba
Datum uitspraak
24-10-2019
Datum publicatie
25-02-2020
Zaaknummer
500.00037/18 H176/2018
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

spoonz

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Zaaknummer: H-176/2018

Parketnummer: 500.00037/18

Uitspraak: 24 oktober 2019 Tegenspraak

Vonnis

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van het Gerecht in eerste aanleg van Curaçao (verder: het Gerecht) van 3 oktober 2018 in de strafzaak tegen de verdachte:

[VERDACHTE],

geboren op [geboortedatum] 1976 in [geboorteplaats],

wonende in [woonplaats],

thans gedetineerd in het huis van bewaring in Curaçao.

Hoger beroep

Het Gerecht heeft de verdachte bij zijn vonnis van het onder 1 ten laste gelegde vrijgesproken, van het onder 2 ten laste gelegde ontslagen van alle rechtsvervolging wegens een geslaagd beroep op noodweer en ter zake van het onder 3 ten laste gelegde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 48 maanden met aftrek van voorarrest. Voorts heeft het Gerecht beslissingen genomen ten aanzien van de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partijen [slachtoffer 1][benadeelde partij 1] en [slachtoffer 1][benadeelde partij 2].

De officier van justitie heeft hoger beroep ingesteld.


Omvang van het hoger beroep

De benadeelde partijen [slachtoffer 1][benadeelde partij 1] en [slachtoffer 1][benadeelde partij 2] zijn in eerste aanleg
niet-ontvankelijk verklaard in hun vordering tot schadevergoeding. De benadeelde partijen hebben zich in hoger beroep niet opnieuw gevoegd, zodat hun vordering in hoger beroep niet meer aan de orde is.

Onderzoek van de zaak

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting.

Het Hof heeft kennisgenomen van de vordering van de procureur-generaal,
mr. M.L.A. Angela, en van hetgeen door de verdachte en zijn raadsvrouw,
mr. M.C. Vaders, naar voren is gebracht.

De procureur-generaal heeft gevorderd dat het Hof het vonnis waarvan beroep zal vernietigen en, opnieuw rechtdoende, het onder 1 en 2, telkens impliciet subsidiair, en 3 ten laste gelegde bewezen zal verklaren en de verdachte daarvoor zal veroordelen tot een gevangenisstraf voor de duur van 18 jaren, met aftrek van voorarrest.

De raadsvrouw heeft primair bepleit dat de verdachte, net als in eerste aanleg, zal worden vrijgesproken van het onder 1 ten laste gelegde en (deels subsidiair voor wat betreft feit 1) dat de verdachte ter zake van het onder 1 en 2 ten laste gelegde zal worden ontslagen van alle rechtsvervolging. Ter zake van het onder 3 ten laste gelegde heeft de raadsvrouw een strafmaatverweer gevoerd.

Vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven, omdat het Hof (deels) tot andere beslissingen komt.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd:

1.

dat hij op of omstreeks 25 januari 2018 te Curaçao, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk (en met voorbedachten rade) [slachtoffer 1] van het leven heeft beroofd, immers heeft/hebben verdachte en/of zijn mededader(s) met dat opzet (en na kalm beraad en rustig overleg), met een of meer vuurwapens (van/op zeer korte afstand) een of meer, kogels afgevuurd op/in/door en/of in de richting van het hoofd en/of het lichaam van die [slachtoffer 1], waardoor die [slachtoffer 1] door een of meer van die kogel(s) in het hoofd en/of het lichaam werd getroffen, tengevolge waarvan voornoemde [slachtoffer 1] is overleden;

(Artikel 2:262/259 j◦ 1:123 Wetboek van Strafrecht)

2.

dat hij op of omstreeks 25 januari 2018 te Curaçao, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk en - al dan niet - met voorbedachten rade [slachtoffer 2] en/of ander(e) (onbekend gebleven) aldaar bevonden, personen van het leven te beroven, met dat opzet en - al dan niet - na kalm beraad en rustig overleg met zijn mededader(s), althans alleen, opzettelijk een of meer schoten met een vuurwapen op en/of in de richting van die [slachtoffer 2] en/of ander(e) (onbekend gebleven) aldaar bevonden, personen, zijnde de verdere uitvoering van dat door hem, verdachte, en/of zijn mededader(s) voorgenomen misdrijf niet voltooid;

(Artikel 2:262/259 j◦ 1:119 Wetboek van Strafrecht)

3.

dat hij op een of meerdere tijdstippen in of omstreeks de periode vanaf 1 juli 2017 tot en met 25 januari 2018 te Curaçao, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, een of meer vuurwapens in de zin van de Vuurwapenverordening 1930, en/of munitie, in de zin van de Vuurwapenverordening 1930, voorhanden heeft gehad;

(Artikel 3 j◦ 11 van de Vuurwapenverordening 1930).

Vrijspraak

Ten aanzien van feit 1 en 2, telkens impliciet primair

Het Hof is met het openbaar ministerie en de verdediging van oordeel dat niet wettig en overtuigend kan worden bewezen dat met voorbedachten rade is gehandeld. De verdachte zal daarom, zonder nadere motivering, van de hem onder 1 en 2, telkens impliciet primair, ten laste gelegde moord en poging tot moord worden vrijgesproken.

Bewezenverklaring

Het Hof acht - op grond van de hierna weergegeven bewijsmiddelen en de nadere bewijsoverwegingen, in onderling verband en samenhang beschouwd - wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 impliciet subsidiair, het onder
2 impliciet subsidiair en het onder 3 ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande:

1.
dat hij op of omstreeks 25 januari 2018 te Curaçao, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk (en met voorbedachten rade) C.
[slachtoffer 1] van het leven heeft beroofd, immers heeft/hebben verdachte en/of zijn mededader(s) met dat opzet (en na kalm beraad en rustig overleg), met een of meer vuurwapens (van/op zeer korte afstand) een of meer, kogels afgevuurd op/in/door en/of in de richting van het hoofd en/of het lichaam van die C. [slachtoffer 1], waardoor die [slachtoffer 1] door een of meer van die kogel(s) in het hoofd en/of het lichaam werd getroffen, tengevolge waarvan voornoemde C.[slachtoffer 1] is overleden;

2.

dat hij op of omstreeks 25 januari 2018 te Curaçao, ter uitvoering van het door hem verdachte voorgenomen misdrijf om tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk en - al dan niet - met voorbedachten rade [slachtoffer 2] en/of ander(e) (onbekend gebleven) aldaar bevonden, personen van het leven te beroven, met dat opzet en - al dan niet - na kalm beraad en rustig overleg met zijn mededader(s), althans alleen, opzettelijk een of meer schoten met een vuurwapens op en/of in de richting van die [slachtoffer 2] en/of ander(e) (onbekend gebleven) aldaar bevonden, personen heeft afgevuurd, zijnde de verdere uitvoering van dat door hem, verdachte, en/of zijn mededader(s) voorgenomen misdrijf niet voltooid;

3.

dat hij op een of meerdere tijdstippen in of omstreeks de periode vanaf 1 juli 2017 tot en met 25 januari 2018 te Curaçao, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, een of meer vuurwapens in de zin van de Vuurwapenverordening 1930, en/of munitie, in de zin van de Vuurwapenverordening 1930, voorhanden heeft gehad.

Het Hof acht niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hierboven bewezen is verklaard, zodat hij daarvan zal worden vrijgesproken.

De in de tenlastelegging voorkomende taal- en/of schrijffouten of omissies zijn verbeterd (cursief). De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Bewijsmiddelen

Het Hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezen verklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de hierna volgende bewijsmiddelen zijn vervat en redengevend zijn voor de bewezenverklaring.1

Daarbij wordt opgemerkt dat ieder bewijsmiddel, ook in zijn onderdelen, slechts wordt gebruikt tot bewijs van dat bewezen verklaarde feit, of die bewezen verklaarde feiten, waarop het blijkens zijn inhoud betrekking heeft en, voor zover het een geschrift als bedoeld in artikel 387, eerste lid, aanhef, onder e Sv betreft, dat dit telkens slechts wordt gebezigd in verband met de inhoud van de andere bewijsmiddelen.

Voorts wordt opgemerkt dat in de bewijsmiddelen geen (expliciete) landsaanduiding is opgenomen, maar dat algemeen bekend is dat de in die bewijsmiddelen wel opgenomen plaatsen zijn gelegen in Curaçao.

Ten aanzien van feit 1 en 2
1. Op 25 januari 2018 omstreeks 03.25 uur, bevonden de verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2] zich op patrouille op de Fokkerweg ter hoogte van de voormalige ‘[naam plaats 1]’. Zij hebben het volgende gerelateerd:

“Wij, verbalisanten, hoorden op een gegeven moment een paar schoten. Na enkele seconden hoorden wij nogmaals enkele schoten die afkomstig waren van een automatisch vuurwapen. Wij besloten richting Club [plaats delict] te rijden, omdat de schoten vanuit die richting kwamen. Ter hoogte van het bedrijf [bedrijfsnaam 1] op de berm tegenover de truck di pan ‘[naam truck di pan]’ zagen wij een voor ons onbekende man liggen, die ons meteen om hulp vroeg. Hij had een verwonding aan zijn linkerbovenbeen ter hoogte van zijn knie.

Deze man gaf later op te zijn genaamd, [VERDACHTE], geboren op [geboortedatum] 1976 in [geboorteplaats] en wonende [adres verdachte].” 2

2. Op 25 januari 2018 omstreeks 04.00 uur, is de verbalisant [verbalisant 3] op de plaats delict aangekomen. Hij heeft het volgende gerelateerd:

Ik, verbalisant, zag dat een persoon op de grond tussen een lantaarnpaal en een witgelakte auto op zijn buik lag. Deze persoon gaf geen teken van leven daar zijn hoofd in een bloedplas lag. Het slachtoffer bleek te zijn genaamd[slachtoffer 1], geboren op [geboortedatum] 1994 in [geboorteplaats].” 3

3. Op 25 januari 2018 heeft de verbalisant [verbalisant 4] het volgende gerelateerd:

Door de politiearts, dr. A.H.E. Maduro, werd op 25 januari 2018 omstreeks 04.15 uur de dood van [slachtoffer 1] geconstateerd.” 4

4. Op 25 januari 2018 heeft de verbalisant [verbalisant 4] een lijkherkenning met [benadeelde partij 2] en [benadeelde partij 1] gedaan. Zij hebben bij die gelegenheid het volgende verklaard:

“Het stoffelijk overschot dat u ons toont, is dat van onze broer, in leven genaamd [slachtoffer 1].” 5

5. Op 26 januari 2018 heeft de patholoog-anatoom, Dr. L. Althaus, sectie op het lichaam van [slachtoffer 1] verricht. Hij heeft het volgende gerelateerd:

“Injuries
Wounds of 1 perforating gunshot on the head (named with letters):

“A”: Left side of the head before and next to the left ear lobe, in a height from ground of 162 cm and 13 cm left from the middle, 1.0 cm. Round-oval, not adaptable. Contusion ring up to ca. 0.3 cm. Entry wound.

“B”: Right side of the head, below the right ear lobe in a height from ground of 159 cm and 15 cm right from the middle, 0.9 cm. Slit shaped, no contusion ring, adaptable. Exit wound.


Conclusion(s)
1 perforating gunshot injury could be found on the head.
Reconstructed and probed bullet wound trajectory:

Perforating gunshot with entry wound “A” on the left side of the head, before and next to the left ear lobe, perforating and fracturing the foramen magnum (base of the skull) and the first cervical vertebral body with a multifragmentary fracture including the spinal canal with hemorrhage and injury of the spinal cord and exit wound “B” on the right side of the head, below the right ear lobe.
This gunshot went from the left to the right, almost horizontal, very slightly descending and very slightly from the back to the front.

Essential anatomic findings
1. Perforating gunshot of the head with resulting fractures of the foramen magnum (base of the skull) and the first cervical vertebral body with a multifragmentary fracture.
2. Destruction of the spinal canal with hemorrhage and injury of the spinal cord.
3. Mild subdural hemorrhage on the base of the brain.
4. Severe subarachnoid hemorrhage on the base and both lower sides of the brain, including the small brain (cerebellum).

Cause of Death
Central paralysis due to a gunshot.” 6

6. Op 25 januari 2018 hebben de verbalisanten [verbalisant 5], [verbalisant6] en
[verbalisant 7] een forensisch sporenonderzoek op de plaats delict ingesteld.
Zij hebben het volgende gerelateerd:

De schietpartij met dodelijke afloop heeft op de kruising [naam straat 1] en [naam straat 2] ter hoogte van Club [plaats delict] plaatsgevonden. Wij, verbalisanten, troffen het stoffelijk overschot op zijn buik gelegen naast een witgelakte personenauto (Hof: zie weergave luchtfoto pag. 58). Vanwege de aangetroffen stand van het slachtoffer kan worden aangenomen dat hij alvorens te zijn beschoten, aanvankelijk met zijn front in noordelijke richting keek.

Ter hoogte van het rechterachterportier van de witgelakte personenauto lag glasgruis op het wegdek. Er bevond zich een kogelinslag aan het horizontale rechterachterportier.

Een afgevuurde kogel ging door het raam en de rugleuning van de achterzitplaats. Aan het linker achterportier, achterdeur en linker bumper werden bloedsporen aangetroffen.
Ten noorden van voornoemde auto, stond een grijsgelakt voertuig waar geronnen bloed werd aangetroffen. Vier voertuigen die in de omgeving geparkeerd stonden werden ook door rondvliegende kogels geraakt.

Positie schutters: aan de hand van het gegeven dat de gebruikte pistolen van het merk Glock zijn en dat de pistolen van dit merk de hulzen rechts uitwerpt wordt de omgeving van de schuttersposities ongeveer aangegeven in een gekleurde omcirkeling. Vuurwapen 1 is rood, vuurwapen 2 is blauw, vuurwapen 3 is geel en vuurwapen 4 is groen (Hof: weergave zie pagina 65). 7

Opmerking Hof: de weergegeven schuttersposities, met kleur aangegeven, zijn aan de hand van het dossier (de eigen waarnemingen van het Hof, het technisch sporenbeeld en de verklaringen van verdachten en getuigen) aan de volgende personen te koppelen: vuurwapen 1, kleur rood, is [slachtoffer 2]; vuurwapen 2, kleur blauw, is [medeverdachte1]; vuurwapen 3, kleur geel, is de verdachte en vuurwapen 4, kleur groen, is de onbekende man, ook wel [BIJNAAM ONBEKENDE MAN] genoemd.

7. Op 26 januari 2018 heeft de verbalisant [verbalisant 8] een papieren zak inhoudende een hoeveelheid hulzen die zijn veiliggesteld op de plaats delict ontvangen. Hij heeft het volgende gerelateerd:

“Aan mij, verbalisant, werd een totaal van 60 hulzen, twee gedeformeerde kogels, één loden kogel en vier kogelfragmenten, overhandigd. Tijdens microscopisch vergelijkend onderzoek tussen de afvuursporen op de hulzen die op de plaats delict veiliggesteld werden, zijn er vier verschillende systeemsporen op de hulzen van het kaliber 9 mm Luger en kaliber .40 geconstateerd.

Door de sporen kan ik, verbalisant, concluderen dat er ten minste vier vuurwapens op de plaats delict zijn gebezigd. Ik, verbalisant, kan ook vaststellen dat al deze hulzen waarschijnlijk verschoten zijn door vuurwapens van het merk Glock.

Door het vuurwapen met systeemspoor 1 (kaliber 9x19 mm) werd dertien keren gevuurd. Door het vuurwapen met systeemspoor 2 (kaliber 9x19 mm) werd zeventien keren gevuurd. Door het vuurwapen met systeemspoor 3 (kaliber 9 mm Luger/ 9x19 mm) werd negentien keren gevuurd.
Door het vuurwapen met systeemspoor 4 (kaliber .40) werd elf keren gevuurd.” 8

8 ]getuige 1 heeft op 1 mei 2018 de volgende verklaring afgelegd:

“Op 25 januari 2018 ben ik na twee uur ’s nachts bij [plaats delict] aangekomen. Ik was naar buiten gegaan om een sigaretje te gaan roken. Op dat moment zag ik twee mannen vanuit de VIP in-/uitgang naar buiten komen (het Hof begrijpt: de verdachte en de onbekende man, ook wel aangeduid als [BIJNAAM ONBEKENDE MAN]) die vervolgens richting de broodjestruck ‘[naam truck di pan]’ toeliepen. Zij waren hard met elkaar aan het praten, het leek alsof ze boos over iets waren.
Ik liep eveneens in de richting van de broodjestruck en ging ter hoogte van de muur gevestigd ten westen van de kerk plassen. Toen ik klaar was keerde ik terug richting [plaats delict]. Ik zag de twee mannen eveneens richting [plaats delict] lopen. Ik liep voor hen en ging terug bij de ijzeren rand ter hoogte van [plaats delict] staan. Vervolgens stak ik de weg over om een sigaretje uit mijn auto te halen, welke bijna bij de kruising geparkeerd stond. De twee mannen stonden iets minder dan drie meter van mijn auto vandaan. Vervolgens zag ik een man met een groen hemd (het Hof begrijpt: het slachtoffer [slachtoffer 1]) mijn auto voorbij lopen. Hij kwam vanaf de richting van het [naam gebouw]-gebouw. Op het moment dat de man met een groen hemd de bocht naar rechts nam, trof hij de twee mannen die daar stonden. Op dat moment hoorde ik verschillende schoten afgaan. Ik zocht dekking en begon te rennen. Hierna hoorde ik meer schoten afgaan. Vervolgens zag ik een man met een muts op zijn hoofd en met een donkere huidskleur (het Hof begrijpt: de andere verdachte [medeverdachte1]) met een automatisch vuurwapen schieten. Hij schoot in de richting van de broodjestruck ‘[naam truck di pan]’.” 9

9 [naam 1] heeft op 25 januari 2018 de volgende verklaring afgelegd:

“Op 25 januari 2018 ben ik omstreeks 03.20 uur in [naam buurt] aangekomen. Ik had mijn witgelakte Toyota Yaris, schuin tegenover [plaats delict] geparkeerd. Ik zat in de auto en was bezig met mijn mobiele telefoon toen ik schoten hoorde afgaan.

Ik liet mijn lichaam in de auto zakken en schoof naar de passagierskant. Ik deed het portier van de passagierskant open en ging op de grond liggen. Ik constateerde dat de schoten afkomstig waren uit de omgeving van waar de jongen gedood werd.

Ik zag een man (het Hof begrijpt: [slachtoffer 2]) in de richting van [bedrijfsnaam 2] rennen. Hij had een lichtblauw hemd, waarvan de achterkant bebloed was en een driekwart broek, aan. Hij is in een roodgelakt voertuig, dat ter hoogte van de kerk geparkeerd stond, gestapt en vervolgens weggereden.” 10

10. Op 25 januari 2018 omstreeks 03.40 uur, werden de verbalisanten [verbalisant 9] en [verbalisant 10] door de Centrale Kamer gedirigeerd naar Poli, waar iemand zich met een schotwond ter hoogte van zijn rug had gemeld. Zij hebben het volgende gerelateerd:

“Wij, verbalisanten, werden bij de Poli naar de eerste hulp afdeling verwezen.
Wij constateerden in cube 1 van de poli dat er een man lag die een lichtblauw hemd aanhad, dat aan de rug bebloed was.


Op de parkeerplaats buiten troffen wij een roodgelakte personenauto van het merk Hyundai met kenteken [kentekennummer] aan, waarvan de stoel van de bestuurder een bloedvlek had.

De wachtcommandant had ons in kennis gesteld dat bedoelde auto aan de man behoort, die zich in de eerste hulp afdeling met een schotwond aan zijn rug had gemeld. 11

11. Op 25 januari 2018 omstreeks 03.45 uur, werden de verbalisanten [verbalisant 11] en [verbalisant 12] gedirigeerd naar Poli, om onderzoek te doen naar de personalia van het slachtoffer dat in zijn rug werd geraakt . Zij hebben het volgende gerelateerd:

“Wij, verbalisanten, begaven ons naar de man die op het bed in cube 1 lag.

Deze man gaf te zijn genaamd: [SLACHTOFFER 2], geboren op [geboortedatum] 1990 in [geboorteplaats ?] (het Hof begrijpt: [geboorteplaats]).” 12


12. De SEH-arts, Dr. J.V. Roosmalen, heeft op 25 januari 2018 [slachtoffer 2] onderzocht en op 13 maart 2018 de volgende medische verklaring opgesteld:

A. Omschrijving van het letsel :
Schotwond onderrug.

B. Uitwendig waargenomen letsel:
Inschot en uitschot onderrug, lengte van tien centimeter, diepte tot en met vetweefsel huid.” 13

13. Het Hof heeft ter terechtzitting op de camerabeelden met bestandsnaam ‘Kruising’ (20180125.014654) het volgende waargenomen:

“Om 01:46:53 uur zijn verschillende personen in beeld te zien, waaronder het latere slachtoffer [slachtoffer 1] (hierna: [slachtoffer 1]), en de andere verdachten [slachtoffer 2] en [medeverdachte1] (hierna: [slachtoffer 2] resp. [medeverdachte1]).


[slachtoffer 1] is gekleed in een donkerblauwe spijkerbroek , een groen poloshirt en donkergekleurde gymschoenen.
[slachtoffer 2] is gekleed in een crèmekleurige driekwart broek , een lichtkleurig hemd met korte mouwen, een donkerkleurige pet en witte gymschoenen.
[medeverdachte1], die tegen de ijzeren reling leunt, heeft een lichtbruin gekleurde dameskous op zijn hoofd en is gekleed in een lichtblauwe spijkerbroek , een donkergekleurd shirt en zwarte gymschoenen met witte zolen.” 14

14. Het Hof heeft ter terechtzitting op de camerabeelden met bestandsnaam ‘Kruising’ (20180125.032000) het volgende waargenomen:

“Om 3:20:20 uur verschijnt [slachtoffer 1] in beeld ter hoogte van Club [plaats delict] en loopt vanuit de algemene ingang van de club naar een donkergekleurde Kia Cerato.

Om 3:20:49 uur begint [medeverdachte1] de straat ter hoogte van de kruising richting het noorden over te steken. Hij komt [slachtoffer 2] halverwege de weg tegen. [slachtoffer 2] gaat met zijn rug tegen de muur van Club [plaats delict] staan en [medeverdachte1] blijft ter hoogte van de kruising op de berm nabij de club staan.

Om 3:21:04 uur loopt [slachtoffer 1] van de bestuurderskant van de auto naar de achterbak. Hij zet een beker op de achterbak en haalt met zijn rechterhand een vuurwapen aan de voorzijde van onder zijn broeksband tevoorschijn.

Om 3:21:22 uur legt [slachtoffer 1] het vuurwapen naast de beker op de achterbak.

Om 3:21:35 uur stapt [slachtoffer 1] uit de auto, loopt naar de achterbak pakt het vuurwapen en de beker van de achterbak van de auto en loopt langs de kerk tussen de geparkeerde auto’s in de richting van de kruising.

Om 3:22:01 uur bereikt [slachtoffer 1] de kruising en stopt hij naast een witgelakte auto.

Om 3:22:04 uur klinkt er een schot en [slachtoffer 1] valt naar de grond.

Om 3:22:07 uur komen zowel [slachtoffer 2] als [medeverdachte1] in beweging. [slachtoffer 2] loopt weg van de muur en steekt de kruising in westelijke richting over al schietend met een vuurwapen in de richting van het noorden (de richting van [verdachte] en de onbekende man).

Om 3:22:13 uur rent [medeverdachte1] in gebukte houding de straat over richting de plek waar [slachtoffer 1] is gevallen. Hij verdwijnt uit beeld tussen twee geparkeerde witgelakte auto’s.

Om 3:22:22 uur komt [medeverdachte1] in beeld tussen voornoemde auto’s en loopt hij in de richting van het noorden (de richting van [verdachte] en de onbekende man). Hij verdwijnt hierna uit beeld.” 15

15. Het Hof heeft ter terechtzitting op de camerabeelden met bestandsnaam ‘Mainparking R’ (20180125.032001) het volgende waargenomen:

“Om 3:20:07 uur verschijnen twee personen in beeld, de verdachte (hierna ook [verdachte] genoemd) met kaal hoofd, gekleed in een donkerkleurig shirt, blauwe spijkerbroek en zwarte schoenen en een onbekende man, gekleed in een donkerrood shirt, zwarte broek en een zwarte pet, lopend vanuit het noorden, terwijl ze naar het zuiden richting de kruising lopen, waaraan club [plaats delict] is gelegen.
Om 3:20:29 uur, zo neemt het Hof waar, bereiken deze twee personen de kruising en blijven daar staan, vlakbij de auto waarnaast [slachtoffer 1] later zal neervallen.

Om 3:22:03 uur klinkt er een schot en wordt er een mondingsvlam gezien vlakbij de plek waar de verdachte en de onbekende man staan en meteen daarna valt een schaduw (het Hof: [slachtoffer 1]) naar de grond. Vervolgens beginnen [verdachte] en de onbekende man terug te rennen richting het noorden, terwijl de onbekende man met een vuurwapen een salvo aan schoten afvuurt richting de kruising alwaar inmiddels [slachtoffer 2] rennend te zien is.

Om 3:22:10 uur heft [verdachte] zijn vuurwapen op en hij begint gericht in dezelfde richting als de onbekende man te schieten, ook hij vuurt meerdere schoten af, terwijl ze ondertussen allebei achter geparkeerde auto’s dekking zoeken. Zij blijven daarbij steeds dicht bij elkaar. De richting waarin [verdachte] en de onbekende man schieten volgt de richting waarin [slachtoffer 2] schietend over de kruising rent.

Om 3:22:18 uur rennen [verdachte] en de onbekende man verder weg in noordelijke richting, waar hun auto geparkeerd stond.” 16

16.Het Hof heeft ter terechtzitting op de camerabeelden met bestandsnaam ‘Mainparking R’ (20180125.031836) het volgende waargenomen:

“Om 3:22:25 uur valt [verdachte] naar de grond.” 17

17. De verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep het volgende verklaard:

“Ik was op 25 januari 2018 in Club [plaats delict]. U toont mij camerabeelden. Ik ben de kaalgeschoren man met een zwart shirt en een blauwe spijkerbroek. De man die naast mij loopt is [BIJNAAM ONBEKENDE MAN] (“[bijnaam onbekende man]”). We liepen op enig moment vanuit de club terug naar de auto en stapten in. Toen we in de auto zaten besloten we om weer terug te lopen. Ik had een vuurwapen, een Glock, in de auto en ik heb dat meegenomen. [BIJNAAM ONBEKENDE MAN] had ook een vuurwapen, dat hij ook bij zich nam toen we weer uitstapten. Het vuurwapen stopte ik in mijn broek.
We zijn vlakbij de kruising gestopt en blijven staan. U toont mij een print van foto 6 (proces-verbaal van forensisch onderzoek d.d. 10 september 2018). (Hof: Foto 6 is genomen vanuit het westen en laat de hoek zien waar [slachtoffer 1] is aangetroffen en waar de verdachte en de onbekende man, kennelijk ook wel [BIJNAAM ONBEKENDE MAN] genaamd, hebben gestaan). Ik stond tegen de grijze Kia Picanto. Ik heb al rennend in de richting van [slachtoffer 2] geschoten die over de kruising rende. [BIJNAAM ONBEKENDE MAN] schoot ook op hem. Ik ben door een kogel in mijn been geraakt terwijl ik wegrende” 18

Ten aanzien van feit 3

1.De verbalisant [verbalisant 13] heeft op 25 januari 2018 een huiszoeking in de woning gelegen te [adres verdachte] verricht. Hij heeft het volgende gerelateerd:

“In het appartement op de tweede verdieping werden onder meer aangetroffen en in beslag genomen:

- een automatisch wapen met één patroonhouder met een hoeveelheid patronen;

- een vuist vuurwapen (Glock) met twee lange patroonhouders en één korte patroonhouder;

- een hoeveelheid munitie van een automatisch wapen omwikkeld in plastic.” 19

2. Geschriften, te weten twee aanbiedingsbrieven vuurwapens en/of munitie, voor zover inhoudende:

“Datum inbeslagname: 26 januari 2018 (het Hof begrijpt: 25 januari 2018)

Verbalisant: [verbalisant 13]

Afdeling: DGC/TFO

Verdachte: [verdachte].

Pistool. Merk.model: Glock/ 17 serieno. [SERIENUMMER 1]. Kaliber 9x19 mm
Munitie: Ja. Aantal: 42.
Pistool. Merk.model: Česká Zbrojovka serieno. [serienummer 2]. Kaliber 7.62x39 mm
Munitie: Ja. Aantal: 37.” 20

3. Door verbalisant [verbalisant 7] ,werkzaam bij het Team Forensische Opsporing (hierna: TFO), werd onderzoek ingesteld naar het hiervoor omschreven pistool van het merk Glock model 17:

“Aangeboden voor onderzoek: een pistool van het merk Glock, model 17, kaliber 9mm luger, voorzien van het serienummer [SERIENUMMER 1] en 3 patroonhouders.

Het voor onderzoek aangeboden pistool is een vuurwapen in de zin van het Vuurwapenverordening 1930 en is voor bedreiging of afdreiging geschikt.

Twee van de verlengde patroonhouders hebben een houdercapaciteit van 31 patronen en zijn bestemd voor patronen van het kaliber 9mm luger. Één patroonhouder heeft een houdercapaciteit van 15 patronen en is bestemd voor patronen van het kaliber .40.” 21

4. Door verbalisant [verbalisant 8], werkzaam bij het Team Forensische Opsporing (hierna: TFO), werd onderzoek ingesteld naar het hiervoor omschreven automatisch wapen van het merk Česká Zbrojovka en munitie:

“Aangeboden voor onderzoek: een machinegeweer van het merk Česká Zbrojovka, model vz. 58, kaliber 7.62x39 mm, voorzien van het serienummer [serienummer 2] en 37 scherpe patronen, waarvan 35 van het kaliber 7.62x39 mm en 2 van het kaliber 9 mm.

Het machinegeweer, of aanvalsgeweer genoemd, is bestemd en geschikt om kogels door een loop af te schieten. Een van de eigenschappen van een aanvalsgeweer is de mogelijkheid tot selectief vuur (vol-automatisch of vuurstoot). De werking van dit machinegeweer berust op het teweegbrengen van een scheikundige ontploffing. De patronen zijn uitsluitend geschikt voor geweren van het kaliber 7.62x39 mm.

Door mij, verbalisant, werd met voornoemd vuurwapen met twee van de in beslag genomen patronen kaliber 7.62x39 mm proef geschoten. Tijdens het proefschieten werden de scherpe patronen normaal tot ontbranding gebracht.

Door mij, verbalisant, werd met de twee in beslag genomen patronen van het kaliber 9mm luger proef geschoten. Deze patronen werden proef geschoten met een vuurwapen dat bewaard is in de opslagruimte van het TFO. Bedoelde scherpe patroon werden normaal tot ontbranding gebracht.

Voornoemd machinegeweer en de scherpe patronen van het kaliber 7.62x39 mm zijn deugdelijk. Ook de patronen van kaliber 9mm luger zijn deugdelijk. 22

5. moeder van verdachte] heeft op 31 augustus 2018 de volgende verklaring afgelegd:

“Ik ben de moeder van [verdachte]. Ik woon op de begane grond in de woning gelegen aan de [adres verdachte]. [verdachte]heeft op de tweede verdieping gewoond, maar sinds de maand juni 2017 woont hij niet meer daar. Hij is de eigenaar van de verdiepingswoning.” 23

6.De verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep het volgende verklaard:

“Het klopt dat ik de eigenaar ben van de woning op de [adres verdachte].” 24

Bewijsoverwegingen

Met betrekking tot feit 1

De raadsvrouw heeft bepleit dat de verdachte van het onder 1 ten laste gelegde zal

worden vrijgesproken. Zij heeft daartoe – kort gezegd – aangevoerd dat niet de

verdachte, maar de onbekende man, bijgenaamd [BIJNAAM ONBEKENDE MAN], degene is geweest die het

slachtoffer heeft doodgeschoten. De verdachte heeft geen enkele uitvoeringshandeling verricht en evenmin nauw en bewust samengewerkt met [BIJNAAM ONBEKENDE MAN] zodat plegen noch medeplegen van doodslag bewezen kan worden, aldus de raadsvrouw.

Het Hof verwerpt dit verweer en overweegt ter toelichting het navolgende, waarbij op grond van het dossier wordt uitgegaan van de hierna beschreven feitelijke toedracht.

Het conflict en de bewapening

In de nacht van 24 op 25 januari 2018 gaan de verdachte, zijn vrouw, haar vriendin en een vriend van de verdachte, ook wel [BIJNAAM ONBEKENDE MAN] genoemd (hierna: [BIJNAAM ONBEKENDE MAN]) uit in Club [plaats delict] (hierna: de club). Ook [slachtoffer 1] (hierna: het slachtoffer of [slachtoffer 1]) en diens vrienden, de andere verdachten [slachtoffer 2] en [medeverdachte1] (hierna: [slachtoffer 2] en [medeverdachte1]), begeven zich die avond naar de club. Op enig moment ontstaan er binnen de club spanningen tussen de verdachte en [BIJNAAM ONBEKENDE MAN] enerzijds en [slachtoffer 1], [slachtoffer 2] en [medeverdachte1] anderzijds. De twee groepen gaan vervolgens vrijwel gelijktijdig naar buiten.
De verdachte en [BIJNAAM ONBEKENDE MAN] lopen naar de auto van de verdachte, pakken daar ieder een vuurwapen en begeven zich weer in de richting van de kruising waaraan de club gelegen is.[slachtoffer 1] loopt eveneens naar zijn auto. Ook hij bewapent zich daar met een vuurwapen en loopt eveneens richting de kruising. [slachtoffer 2] moet in de tussentijd hetzelfde hebben besloten en gedaan, aangezien ook hij de club verlaat waar streng gecontroleerd wordt op de aanwezigheid van vuurwapens25, en ook hij kort daarna met een vuurwapen bewapend is. [medeverdachte1] verlaat ook de club, maar is de enige die zich op dat moment (nog) niet bewapent.
Ieder van hen neemt vervolgens een strategische positie in met zicht op de kruising waaraan de club gelegen is. De verdachte en [BIJNAAM ONBEKENDE MAN] gaan staan op de hoek van de kruising die zich recht tegenover de in-/uitgang van de club bevindt. [slachtoffer 2] gaat vlakbij die in-/uitgang geleund tegen de muur van de club staan met [medeverdachte1] op de stoep vlak voor hem. Zowel [slachtoffer 2] als [medeverdachte1] hebben vanaf dat punt goed zicht op de hoek waar de verdachte en [BIJNAAM ONBEKENDE MAN] naartoe lopen[slachtoffer 1] loopt als laatste eveneens naar diezelfde hoek, maar komt van de andere kant.

Naar het oordeel van het Hof kan het gelet op het voorgaande niet anders zijn dan dat ieder van de bewapende betrokkenen er op dat moment op uit was het kennelijk eerder die avond in de club gerezen conflict buiten voort te zetten en de confrontatie aldaar, bewapend, met elkaar aan te gaan. Elk van de groepen stond paraat voor een confrontatie. In geen enkel opzicht valt uit hun handelwijze noch de rest van het dossier af te leiden dat zij erop uit waren zich aan het gerezen conflict te onttrekken, integendeel, er werd buiten juist verder opgeschaald.

Getuige ]getuige 1] geeft steun aan deze conclusie met zijn verklaring dat de verdachte en [BIJNAAM ONBEKENDE MAN] zichtbaar en hoorbaar boos waren toen zij naar de auto van de verdachte liepen om zich, naar later bleek, te gaan bewapenen. De verdachte heeft zelf ter terechtzitting in hoger beroep ook verklaard dat hij en [BIJNAAM ONBEKENDE MAN] besloten hadden bewapend terug te gaan naar de kruising. Zijn verklaring dat hij slechts bij de kruising is gaan wachten op zijn vriendin en dat hij zich enkel had bewapend om haar te beschermen, stelt het Hof als ongeloofwaardig terzijde. Uit de verklaringen van zijn vrouw blijkt daaromtrent niets. Niet valt in te zien waarom de verdachte en [BIJNAAM ONBEKENDE MAN] dan niet in de auto hadden kunnen zitten wachten of haar daarmee hadden kunnen ophalen. Daarentegen keerden zij bewapend te voet naar de kruising terug. Die handelwijze valt niet te rijmen met vorenstaande verklaring van de verdachte.

Voor alle betrokkenen was naar het oordeel van het Hof voorzienbaar dat bij dit bewapend opzoeken van de confrontatie, daadwerkelijk geschoten zou kunnen worden en dat daarbij slachtoffers zouden kunnen vallen.

De doodslag op [slachtoffer 1]

Vervolgens positioneren de verdachte en [BIJNAAM ONBEKENDE MAN] zich samen – wachtend op een confrontatie – op de kruising dicht naast elkaar. Daar gaan enkele minuten overheen[slachtoffer 1] komt op enig moment aan de andere kant van de hoek aanlopen. Het eerste schot dat valt is een van zeer dichtbij afgevuurd gericht en direct fataal schot door het hoofd van [slachtoffer 1], dat niet anders dan bedoeld kon zijn om hem te doden. Er is derhalve sprake geweest van vol opzet. Dat schot wordt hem toegediend enkele seconden nadat hij de hoek heeft bereikt en moet blijkens onder andere het technisch sporenbeeld zijn afgevuurd door [BIJNAAM ONBEKENDE MAN]
De verdachte staat op dat moment nog steeds heel dichtbij [BIJNAAM ONBEKENDE MAN] in de buurt. Na het schot rennen de verdachte en [BIJNAAM ONBEKENDE MAN] samen weg, waarbij beiden elkaar over en weer dekking verlenen door richting de kruising te schieten, vanwaar [slachtoffer 2] inmiddels op hen aan het vuren is.

De verdachte heeft zich voor, tijdens en na het fatale schot op generlei wijze gedistantieerd van [BIJNAAM ONBEKENDE MAN], maar feitelijk steeds met hem als twee-eenheid opgetreden, zich steeds verenigd met zijn handelen, dit versterkt en daaraan bijgedragen.
Dit heeft hij gedaan door samen met [BIJNAAM ONBEKENDE MAN] naar de auto te lopen, zich samen te bewapenen, samen het slachtoffer op te wachten, daarbij dicht op [BIJNAAM ONBEKENDE MAN] te gaan staan, daarmee [BIJNAAM ONBEKENDE MAN] de mogelijkheid gegeven te schieten en het slachtoffer de mogelijkheid tot vluchten ontnomen.

Het Hof is gelet daarop van oordeel dat zowel de verdachte als [BIJNAAM ONBEKENDE MAN] – wat betreft het gewicht van hun bijdrage aan dat misdrijf – vergelijkbare en in die zin onderling inwisselbare rollen hebben vervuld. Het doet er niet toe doet wie uiteindelijk als eerste de trekker overhaalde en het dodelijke schot afvuurde op [slachtoffer 1].

Op grond van het voorgaande acht het Hof bewezen dat de verdachte zodanig bewust en nauw heeft samengewerkt met [BIJNAAM ONBEKENDE MAN] dat medeplegen van doodslag bewezen kan worden verklaard.

Met betrekking tot feit 2

Het vuurgevecht met [slachtoffer 2] en [medeverdachte1]

Vrijwel direct na het fatale schot op [slachtoffer 1] ontstaat een intensief vuurgevecht, waarbij 59 kogels worden verschoten. Niet goed vast te stellen is wie als eerste het vuur opent na het schot op [slachtoffer 1], maar wel staat vast dat dit vuurgevecht tussen [slachtoffer 2] enerzijds en de verdachte en [BIJNAAM ONBEKENDE MAN] anderzijds vrijwel onmiddellijk na het fatale schot op [slachtoffer 1] losbarst. Zowel [BIJNAAM ONBEKENDE MAN] als de verdachte schieten al wegrennend op [slachtoffer 2], die gelijktijdig vanaf de kruising op hen vuurt. [slachtoffer 2] wordt door een van de afgevuurde kogels geraakt in de rug.

[medeverdachte1] besluit als het vuurgevecht geëindigd is, hieraan alsnog een bijdrage te leveren door daarna het (automatische) vuurwapen van [slachtoffer 1] te pakken en een salvo af te vuren op [verdachte] en [BIJNAAM ONBEKENDE MAN] terwijl zij wegrennen. De verdachte wordt daarbij geraakt in zijn been.

Hetgeen hierboven met betrekking tot het medeplegen is overwogen, geldt mutatis mutandis voor het schieten op [slachtoffer 2]. Ook hier werken de verdachte en [BIJNAAM ONBEKENDE MAN] nauw en bewust samen. Zij treden als twee-eenheid op, geven elkaar over en weer dekking en vuren gelijktijdig een grote hoeveelheid kogels op [slachtoffer 2] af.

Deze wijze van schieten en de grote hoeveelheid kogels die hierbij wordt afgevuurd geeft bovendien blijk van vol opzet op de dood van [slachtoffer 2].

Medeplegen van poging tot doodslag kan dan ook bewezen worden.

Met betrekking tot feit 3

Voor een veroordeling ter zake van het voorhanden hebben van een vuurwapen in de zin van de Vuurwapenverordening 1930 is naast de aanwezigheid van het wapen (al dan niet in de onmiddellijke nabijheid van de verdachte) een meer of mindere mate van bewustheid bij de verdachte omtrent de aanwezigheid van dat wapen en een zekere macht van de verdachte over het wapen vereist.

De verdachte is eigenaar van de woning waarin zich de wapens bevonden.
De wapens bevonden zich op de tweede etage in twee verschillende kasten.
De verdachte had een sleutel van de woning en dus toegang tot deze etage.
De benedenverdieping verhuurde hij aan zijn moeder.

Op grond van het vorenstaande is de verdachte verantwoordelijk voor de aanwezigheid van de vuurwapens, nu deze zich in zijn machtssfeer bevonden, behoudens aanwijzingen voor het tegendeel.

Het Hof overweegt dat de eerst ter terechtzitting in hoger beroep naar voren gebrachte verklaring van de verdachte dat de wapens van [BIJNAAM ONBEKENDE MAN] moeten zijn, nu die in november en december 2017 in zijn woning op de betreffende etage heeft verbleven, geen steun vindt in de verklaring van zijn moeder, die met geen woord rept over een andere bewoner van de tweede etage, terwijl zij de eerste verdieping van de woning bewoont. De verdachte heeft ook geen aannemelijke verklaring gegeven waarom hij een relatief onbekende Venezolaan die hij slechts een kennis noemt en waarvan hij geen personalia wil noemen, toegang tot zijn woning zou hebben verleend, zonder dat daar enige huurbetaling tegenover stond.

Het Hof is gelet hierop van oordeel dat de verdachte geen enkele aannemelijke, hem ontlastende, verklaring heeft gegeven voor de aanwezigheid van de wapens en munitie in zijn woning. De door verdachte (impliciet) gestelde alternatieve toedracht is niet aannemelijk geworden. Naar het oordeel van het Hof is de verdachte zich in meer of mindere mate bewust geweest van de aanwezigheid van de wapens en munitie en had hij daarover de beschikkingsmacht.

Het verweer wordt verworpen.

Kwalificatie van het bewezen verklaarde

Het onder 1 impliciet subsidiair bewezen verklaarde is voorzien bij en strafbaar gesteld in artikel 2:259 juncto artikel 1:123 van het Wetboek van Strafrecht.
Het wordt als volgt gekwalificeerd:

Medeplegen van doodslag.

Het onder 2 impliciet subsidiair bewezen verklaarde is voorzien bij en strafbaar gesteld in artikel 2:259 juncto artikel 1:119 en 1:123 van het Wetboek van Strafrecht.
Het wordt als volgt gekwalificeerd:

Medeplegen van poging tot doodslag.

Het onder 3 bewezen verklaarde is voorzien bij artikel 3, eerste lid, van de Vuurwapenverordening en strafbaar gesteld in artikel 11 van de Vuurwapenverordening. Het wordt als volgt gekwalificeerd:

Overtreding van een verbod gesteld bij artikel 3, eerste lid, van de Vuurwapenverordening, meermalen gepleegd.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde en de verdachte

De raadsvrouw heeft bepleit dat de verdachte, mocht het Hof toch tot een bewezen verklaring komen ten aanzien van het onder 1 en 2 ten laste gelegde, zal worden ontslagen van alle rechtsvolging omdat hem een te honoreren beroep op noodweer c.q. noodweer exces toekomt. Daartoe heeft zij aangevoerd dat het schieten van de verdachte geboden was door de noodzakelijke verdediging van zijn lijf tegen een ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding van de zijde van allereerst [slachtoffer 1], en vervolgens [slachtoffer 2]. Verdachte had [slachtoffer 1] niet zien aankomen omdat hij met zijn rug naar hem toestond.[slachtoffer 1] was vervolgens degene die het vuurwapen richtte, in reactie waarop [BIJNAAM ONBEKENDE MAN], de vriend van de verdachte, op [slachtoffer 1] heeft geschoten. Ten aanzien van [slachtoffer 2] geldt dat deze zijn vuurwapen in de richting van de verdachte heeft gericht en diverse schoten heeft gelost. Daartegen kon en mocht de verdachte zich verdedigen, aldus de raadsvrouw.

Het Hof is van oordeel dat naar de uiterlijke verschijningsvorm van de handelwijze van de verdachte en [BIJNAAM ONBEKENDE MAN] geen sprake is geweest van een verdedigend handelen, maar dat de verdachte en [BIJNAAM ONBEKENDE MAN] zelf gewapend de confrontatie hebben opgezocht, zoals hiervoor overwogen. Het was niet de vraag of er geschoten zou worden, maar wie dat het eerst zou gaan doen. Reeds om die reden komt de verdachte een beroep op noodweer(exces) niet toe.

Gelet op het bovenstaande wordt het beroep op noodweer(exces) verworpen.

Er zijn ook overigens geen feiten en omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezenverklaarde en van de verdachte uitsluiten.
Het bewezenverklaarde en de verdachte zijn daarom strafbaar.

Oplegging van straf


Bij de bepaling van de op te leggen straf wordt gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezen verklaarde is begaan, op de mate waarin de gedraging aan de verdachte te verwijten is en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen. Daarbij wordt rekening gehouden met de ernst van het bewezen verklaarde in verhouding tot andere strafbare feiten, zoals die onder meer tot uitdrukking komt in het hierop gestelde wettelijke strafmaximum en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd.

het Hof overweegt als volgt.

De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het medeplegen van doodslag.
Het slachtoffer, dat slechts 23 jaar oud was en nog een heel leven voor zich had, werd opzettelijk met een gericht schot door zijn hoofd van het leven beroofd.
Niet alleen is het slachtoffer zijn meest fundamentele recht, te weten het recht om te leven, ontnomen, maar ook aan zijn familie en nabestaanden is een groot en onherstelbaar leed toegebracht. De enorme impact die deze daad op het leven van de nabestaanden heeft gehad, zal naar alle waarschijnlijkheid blijvend zijn. Daarnaast heeft verdachte zich schuldig gemaakt aan een poging tot doodslag, door een groot aantal kogels op een tweede slachtoffer af te vuren. Door aldus te handelen heeft de verdachte het risico genomen dat ook deze persoon dodelijk zou kunnen worden geraakt. Dat dit gevolg niet is ingetreden, is een gelukkig toeval en is zeker niet aan verdachte te danken.

De onderhavige schietpartij is een van de meest geëscaleerde schietpartijen in Curaçao de afgelopen jaren. Een onvoorstelbaar grote hoeveelheid kogels is op de openbare weg afgevuurd te midden van onschuldige omstanders die een avond uit waren. Ook op hen zal het gebeurde een onuitwisbare indruk hebben gemaakt en grote angst hebben veroorzaakt. Deze schietpartij heeft de rechtsorde van Curaçao ernstig geschokt en gevoelens van angst, onveiligheid en verbijstering in de maatschappij teweeg gebracht en versterkt.

Het Hof rekent de verdachte deze gedragingen zwaar aan en met name de kennelijk lichtvaardige wijze waarop hij ter beslechting van een conflict tot het gebruik van een vuurwapen is overgegaan in de uitgaanssfeer en waarmee hij het volstrekt onaanvaardbare risico heeft genomen dat ook andere aanwezigen door de afgevuurde kogels dodelijk konden worden getroffen.

Voorts heeft de verdachte zich schuldig gemaakt aan verboden vuurwapen- en munitiebezit. Een van de wapens betrof een volautomatisch vuurwapen.
Het onbevoegd voorhanden hebben van de vuurwapens en de aanzienlijke hoeveelheid munitie, zoals bewezen verklaard, acht het Hof even kwalijk als zorgelijk, met name bezien tegen de achtergrond van de overige bewezenverklaarde feiten. Maar los daarvan is dit bezit ook maatschappelijk onaanvaardbaar vanwege de dreiging die daarvan voor de veiligheid van anderen uitgaat, welke dreiging zich in deze zaak in volle omvang heeft verwezenlijkt met fatale gevolgen.

Gelet op de ernst van het bewezen verklaarde kan niet worden volstaan met een andere of lichtere sanctie dan een straf die een onvoorwaardelijke vrijheidsbeneming van aanzienlijke duur met zich brengt.

Ten aanzien van de duur van die vrijheidsstraf houdt het Hof in het nadeel van de verdachte rekening met de omstandigheid dat de verdachte blijkens zijn strafkaart al eerder onherroepelijk voor soortgelijke strafbare feiten is veroordeeld.
Kennelijk heeft dat hem er niet van weerhouden zich opnieuw in te laten met vuurwapens, met alle gevolgen van dien. Ook houdt het Hof in zijn nadeel rekening met het feit dat de verdachte gelet op zijn proceshouding, geen openheid van zaken heeft willen geven en daarmee geen enkele verantwoordelijkheid voor zijn daden heeft genomen, laat staan berouw heeft getoond.

Voorts heeft het Hof acht geslagen op de over de verdachte uitgebrachte rapportages omtrent zijn persoon, waarin zowel psychiater als psycholoog concluderen tot volledige toerekeningsvatbaarheid. Het Hof verenigt zich met deze conclusie en maakt deze tot de zijne.

Het Hof heeft tenslotte acht geslagen op de persoonlijke omstandigheden van de verdachte en het feit dat hij ook zelf ernstig en blijvend letsel heeft overgehouden.
De verdachte is tijdens de schietpartij door een kogel in zijn been geraakt, waardoor dit moest worden geamputeerd. Als gevolg van deze amputatie ondervindt de verdachte nog steeds zowel fysiek als psychisch veel leed. Hoewel het Hof onderkent dat de detentieomstandigheden voor de verdachte onder deze omstandigheden te wensen overlaten, ziet het– gezien de ernst van de bewezenverklaarde feiten - slechts in geringe mate aanleiding om in de strafoplegging in matigende zin daarmee rekening te houden.

Het Hof is alles afwegende tot de slotsom gekomen dat de door de procureur-generaal gevorderde gevangenisstraf voor de duur van 18 jaren in beginsel gerechtvaardigd is, maar dat gelet op de persoonlijke omstandigheden van de verdachte een gevangenisstraf voor de duur van 16 jaren passend en geboden is.
De verdachte zal daartoe dan ook worden veroordeeld.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf is, behalve op de reeds aangehaalde wettelijke voorschriften, gegrond op artikel 1:136 van het Wetboek van Strafrecht, zoals dit luidde ten tijde van het bewezen verklaarde.

BESLISSING

Het Hof:

vernietigt het vonnis van het Gerecht in eerste aanleg en doet opnieuw recht;

verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte onder 1 en 2, telkens impliciet primair, ten laste is gelegd en spreekt hem daarvan vrij;


verklaart wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte de onder 1 impliciet subsidiair, 2 impliciet subsidiair en 3 ten laste gelegde feiten heeft begaan;

verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hierboven bewezen is verklaard en spreekt hem daarvan vrij;

kwalificeert het bewezen verklaarde als hiervoor omschreven;

verklaart het bewezen verklaarde strafbaar en de verdachte daarvoor strafbaar;

veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de 16 (zestien) jaren;

beveelt dat de tijd die door de verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht.

Dit vonnis is gewezen door mrs. M.C.B. Hubben, D. Radder en H. de Doelder, leden van het Hof, bijgestaan door mrs. T.M.A.D. de Lanoy en R.J. Gras, (zittings)griffiers, en op 24 oktober 2019 uitgesproken in tegenwoordigheid van de griffier ter openbare terechtzitting van het Hof in Curaçao.

Mrs. D. Radder en H. de Doelder zijn buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.

uitspraakgriffier:

1 Hierna wordt, tenzij anders vermeld, telkens verwezen naar ambtsedige - en door de desbetreffende verbalisant(en) in wettelijke vorm opgemaakte - processen-verbaal en overige geschriften, die als bijlagen zijn opgenomen in het eindproces-verbaal van het Korps Politie Curaçao (Recherche Informatiedienst, Divisie Centrale Recherche, unit Lokaal Ernstige Criminaliteit) d.d. 3 september 2018, geregistreerd onder proces-verbaalnummer 201804100830.DOS en de onderzoeksnaam “Sponge”.

2 Proces-verbaal van bevindingen d.d. 25 januari 2018, zaaksdossier, pagina 1-2.

3 Proces-verbaal onderzoek plaats delict d.d. 25 januari 2018, zaaksdossier, pagina 2-5.

4 Proces-verbaal doodsconstatering slachtoffer [slachtoffer 1] d.d. 25 januari 2018, zaaksdossier, pagina 6.

5 Proces-verbaal lijkherkenning [slachtoffer 1] d.d. 25 januari 2018, zaaksdossier,
pagina 7-8.

6 Schriftelijk bescheid, te weten een Forensic Autopsy Report d.d. 27 januari 2018, los stuk.

7 Proces-verbaal van forensisch onderzoek d.d. 10 september 2018, los stuk.

8 Proces-verbaal van munitie vergelijkingsonderzoek van hulzen d.d. 10 september 2018, los stuk.

9 Proces-verbaal van getuigenverhoor d.d. 1 mei 2018, zaaksdossier pagina 134-138.

10 Proces-verbaal van getuigenverhoor d.d. 26 januari 2018, zaaksdossier, pagina 87-88.

11 Proces-verbaal van bevindingen d.d. 26 januari 2018, zaaksdossier, pagina 41-42.

12 Proces-verbaal van aanhouding buiten heterdaad [slachtoffer 2] d.d. 25 januari 2018, persoonsdossier [slachtoffer 2], pagina 1-3.

13 Schriftelijk bescheid, te weten een geneeskundige verklaring [slachtoffer 2] d.d. 13 maart 2018, zaaksdossier pagina 13-16.

14 Eigen waarneming van het Hof ter terechtzitting van 20 juni 2019, zoals die eventueel later – indien tegen dit vonnis beroep in cassatie wordt ingesteld – in het proces-verbaal van die terechtzitting zal worden weergegeven.

15 Eigen waarneming van het Hof ter terechtzitting van 20 juni 2019, zoals die eventueel later – indien tegen dit vonnis beroep in cassatie wordt ingesteld – in het proces-verbaal van die terechtzitting zal worden weergegeven.

16 Eigen waarneming van het Hof ter terechtzitting van 20 juni 2019, zoals die eventueel later – indien tegen dit vonnis beroep in cassatie wordt ingesteld – in het proces-verbaal van die terechtzitting zal worden weergegeven.

17 Eigen waarneming van het Hof ter terechtzitting van 20 juni 2019, zoals die eventueel later – indien tegen dit vonnis beroep in cassatie wordt ingesteld – in het proces-verbaal van die terechtzitting zal worden weergegeven.

18 Verklaring van de verdachte ter terechtzitting in hoger beroep van 20 juni 2019, zoals die eventueel later – indien tegen dit vonnis beroep in cassatie wordt ingesteld – in het proces-verbaal van die terechtzitting zal worden weergegeven.

19 Proces-verbaal van huiszoeking [verdachte] met bijlagen d.d. 27 januari 2018, persoonsdossier [verdachte], pagina 12-18.

20 Schriftelijk bescheiden, te weten twee aanbiedingsbrieven d.d. 26 januari 2018, persoonsdossier [verdachte], pagina 19-20.

21 Proces-verbaal van forensisch onderzoek aan een op vuurwapen en onderdelen gelijkende voorwerpen d.d. 11 september 2018, los stuk.

22 Proces-verbaal van in beslag genomen vuurwapen en munitie d.d. 12 september 2018, los stuk.

23 Proces-verbaal van verhoor getuige [moeder van verdachte] met bijlagen d.d. 31 augustus 2018, zaaksdossier, pagina 140-143.

24 Verklaring van de verdachte ter terechtzitting in hoger beroep van 20 juni 2019, zoals die eventueel later – indien tegen dit vonnis beroep in cassatie wordt ingesteld – in het proces-verbaal van die terechtzitting zal worden weergegeven.

25 Proces-verbaal van getuigenverhoor [getuige 2] d.d. 19 april 2018, in combinatie met proces-verbaal van getuigenverhoor [gwtuige 3] d.d. 22 april 2018, beiden opgenomen in zaakdossier, pagina 124-133.