Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:OGHACMB:2019:221

Instantie
Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba
Datum uitspraak
14-02-2019
Datum publicatie
02-01-2020
Zaaknummer
AUA2018H00024
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Verzoek op grond van de Landsverordening vrijwillige uitdiensttreding (Lvu) om betrokkene eervol ontslag te verlenen afgewezen. De Beoordelingscommissie heeft redelijkerwijs tot het oordeel kunnen komen dat vrijwillige uitdiensttreding van appellant (grote) nadelige kwantitatieve en kwalitatieve gevolgen heeft voor de Belastingdienst.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

AUA2018H00024

Datum uitspraak: 14 februari 2019

gemeenschappelijk hof van jusTitie

van aruba, CURAÇAO, SINT MAARTEN

EN VAN BONAIRE, SINT EUSTATIUS EN SABA

Uitspraak op het hoger beroep van:

de Beoordelingscommissie vrijwillige uitdiensttreding (de commissie),

appellante,

tegen de uitspraak van het Gerecht in eerste aanleg van Aruba van 8 januari 2018 in zaak nr. AUA201701124, in het geding tussen:

[Verzoekster], wonend in Aruba,

en

de commissie.

Procesverloop

Bij beschikking van 15 juli 2015 heeft de commissie een verzoek van [Verzoekster] van 29 juni 2015 om haar met toepassing van artikel 2, eerste lid, van de Landsverordening vrijwillige uitdiensttreding (Lvu) eervol ontslag te verlenen, afgewezen.

Bij beschikking van 8 december 2016 heeft de commissie het daartegen door [Verzoekster] gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 6 maart 2017 heeft het Gerecht het daartegen door [Verzoekster] ingestelde beroep gegrond verklaard en die beschikking vernietigd.

Bij beschikking van 5 mei 2017 (de bestreden beschikking) heeft de commissie het door [Verzoekster] gemaakte bezwaar opnieuw ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 8 januari 2018 (ECLI:NL:OGEAA:2018:11) heeft het Gerecht het door [Verzoekster] tegen de bestreden beschikking ingestelde beroep gegrond verklaard en die beschikking vernietigd.

Tegen deze uitspraak heeft de commissie hoger beroep ingesteld.

[Verzoekster] heeft een verweerschrift ingediend.

Het Hof heeft de zaak ter zitting behandeld op 4 oktober 2018, waar de commissie, vertegenwoordigd door mr. Y.F.M. Kaarsbaan, werkzaam bij het Departamento di Recurso Humano, vergezeld door L. Gomez-Pieters, directeur van de Belastingdienst en [Verzoekster] zijn verschenen.

Overwegingen

Ingevolge artikel 2, eerste lid, van de Lvu, kunnen ambtenaren en overheidswerknemers gedurende een bij landsbesluit vast te leggen periode van twee maanden een verzoek doen om in aanmerking te komen voor eervol ontslag, respectievelijk tussentijdse beëindiging van de arbeidsovereenkomst, onder gelijktijdige toekenning van in deze landsverordening nader omschreven bijzondere aanspraken.
Ingevolge artikel 7, tweede lid, beoordeelt de commissie ieder verzoek tot vrijwillige uitdiensttreding op de kwalitatieve en kwantitatieve gevolgen voor de bezetting van de overheidsdienst.
Ingevolge artikel 10, tweede lid, weigert de commissie een verzoek alleen, indien het ontslag naar haar oordeel de continuïteit van een behoorlijke dienstverlening door de organisatorische eenheid waar de verzoeker werkzaam is, onevenredig zou schaden, en dit nadelige kwalitatieve of kwantitatieve gevolgen voor de bezetting van de overheidsdienst zou hebben (de weigeringsgrond).

[Verzoekster] werkt bij de Belastingdienst en ontvangt een schaarste‑toelage bestemd voor gekwalificeerde krachten die voor het land moeilijk aan te trekken zijn. Het diensthoofd heeft verklaard dat er een tekort is aan fiscaal-juristen en dat [Verzoekster] een goede ambtenaar is. Haar werkzaamheden kunnen niet worden overgenomen door iemand binnen de Belastingdienst.

In de bestreden beschikking heeft de commissie een zestal niet‑cumulatieve criteria geformuleerd die worden gebruikt bij de beoordeling van een verzoek: de na uittreding ontstane vacature kan intern vervuld worden; verzoeker is ouder dan 55 jaar; verzoeker heeft meer dan 30 dienstjaren; verzoeker behoort niet tot het kaderpersoneel; verzoeker heeft een hoge frequentie aan arbeidsongeschiktheid wegens zwaarwegende medische redenen; de functie houdt op te bestaan.

Het Gerecht heeft overwogen dat uit de bestreden beschikking niet blijkt in hoeverre verzoeken binnen de Belastingdienst op grond van de Lvu zijn toegewezen van personen die niet aan één van de criteria voor toewijzing van het verzoek voldeden. De bestreden beschikking ontbeert op dit punt een deugdelijke motivering. Daardoor kan - nog steeds - niet worden vastgesteld of sprake is van een consistente toepassing van de weigeringsgrond en geen sprake is van strijd met het gelijkheidsbeginsel.

De commissie betoogt dat het Gerecht ten onrechte heeft overwogen dat de bestreden beschikking niet op een deugdelijke motivering berust. Zij heeft niet gehandeld in strijd met het gelijkheidsbeginsel. Alle verzoeken om met toepassing van de Lvu eervol te worden ontslagen worden gelijk behandeld. Een verzoek wordt op de voet van artikel 10, tweede lid, van de Lvu, alleen afgewezen indien het ontslag de continuïteit van een behoorlijke dienstverlening door de organisatorische eenheid waar de verzoeker werkzaam is, onevenredig zou schaden, en dit nadelige kwalitatieve of kwantitatieve gevolgen voor de bezetting van de overheidsdienst zou hebben. Dat is bij [Verzoekster] het geval. Er zijn binnen de overheid geen personen die dezelfde opleiding en kwaliteiten hebben als [Verzoekster] en die door interne overplaatsing of doorstroming binnen de overheidsdienst haar functie kunnen vervullen. Er zijn bij de Belastingdienst vijf verzoeken ingewilligd. In al die gevallen betrof het geen kaderpersoneel (dat wil zeggen: personeel in functies met opleidingseis HBO/WO-opleiding, alsmede functionarissen met een afgeronde HBO/WO-opleiding). De inwilliging van die verzoeken had daarom geen kwalitatieve gevolgen voor de bezetting van de overheidsdienst als bedoeld in artikel 10, tweede lid, van de Lvu.

Het Hof stelt voorop dat het wettelijke beoordelingskader voor de commissie wordt gevormd door artikel 10, tweede lid, van de Lvu. De zes door de commissie geformuleerde niet-cumulatieve criteria kunnen richting geven aan de door haar binnen dat wettelijke kader in elk individueel geval te verrichten beoordeling, maar kunnen niet in de plaats treden daarvan en mogen daaraan in elk geval niet een zodanige uitleg geven dat de door de wetgever beoogde reikwijdte ervan wordt beperkt. De criteria hebben betrekking op zes - verschillende - gevallen die naar het oordeel van de commissie niet door de weigeringsgrond worden bestreken. Dat wil niet zeggen dat daarmee een uitputtende opsomming is gegeven. Het is immers mogelijk dat ook andere gevallen niet door de weigeringsgrond worden bestreken. Anderzijds is het ook mogelijk dat in een geval dat in het algemeen wel door de weigeringsgrond wordt bestreken, de specifieke omstandigheden meebrengen dat op dit geval de weigeringsgrond toch niet van toepassing wordt geacht. Gelet op het strikt individuele karakter van de door de commissie te verrichten beoordeling, komt bij de toepassing van artikel 10, tweede lid, van de Lvu, aan het gelijkheidsbeginsel feitelijk slechts een beperkte betekenis toe. Daarbij moet, gelet op de bewoordingen van artikel 10, tweede lid, van de Lvu, elke organisatorische eenheid binnen de overheidsdienst afzonderlijk worden bezien. Voor de bestuursrechter betekent het voorgaande dat in elk individueel geval moet worden getoetst of de commissie, zonder daarbij te handelen in strijd met onder andere het gelijkheidsbeginsel, redelijkerwijs tot het oordeel heeft kunnen komen dat de weigeringsgrond wel (en in voorkomend geval: niet) van toepassing is.

6.1. In het geval van appellante acht het Hof het duidelijk dat de in artikel 10, tweede lid Lvu genoemde weigeringsgrond van toepassing is. Appellante ontvangt een schaarste-toelage. Uit de informatie van het diensthoofd zoals onder 2 weergegeven en die door appellante niet is weersproken, komt naar voren dat er een tekort aan fiscaal‑juristen is en dat appellante een goede ambtenaar is. Met inachtneming van wat het Hof in 5.1 in algemene zin heeft overwogen, leidt dit tot de conclusie dat de commissie redelijkerwijs tot het oordeel heeft kunnen komen dat vrijwillige uitdiensttreding van appellante nadelige kwantitatieve en kwalitatieve gevolgen heeft voor de Belastingdienst. Het in 5 weergegeven betoog van de commissie slaagt.

7. Het hoger beroep is gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. Doende hetgeen het Gerecht had behoren te doen, zal het Hof het tegen de bestreden beschikking ingestelde beroep alsnog ongegrond verklaren.

8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen grond.

9. Beslissing

Het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba:

I. verklaart het hoger beroep gegrond;

II. vernietigt de uitspraak van het Gerecht in eerste aanleg van Aruba van 8 januari 2018 in zaak nr. AUA201701124;

III. verklaart het in die zaak ingestelde beroep ongegrond;

IV. gelast de teruggave van het voor het hoger beroep gestorte griffierecht.

Aldus vastgesteld door mr. mr. E.A. Saleh, voorzitter, en mr. J.Th. Drop en mr. T.G.M. Simons, leden, in tegenwoordigheid van mr. M.J.C. Beerse, griffier.

w.g. Saleh

voorzitter

w.g. Beerse

griffier

Uitgesproken in het openbaar op 14 februari 2019