Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:OGHACMB:2019:218

Instantie
Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba
Datum uitspraak
19-02-2019
Datum publicatie
02-01-2020
Zaaknummer
AUA2017H00209
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Uitzetting. Het Hof is met het Gerecht van oordeel dat de door de PG verrichte belangenafweging in het kader van artikel 8 van het EVRM heeft geresulteerd in een ‘fair balance’.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

AUA2017H00209

Datum uitspraak: 19 februari 2019

gemeenschappelijk hof van jusTitie

van aruba, CURAÇAO, SINT MAARTEN

EN VAN BONAIRE, SINT EUSTATIUS EN SABA

Uitspraak op het hoger beroep van:

1. Appellant 1],

2. [ Appellante 2] en

3. [ Appellant 3],

allen wonend in Aruba,

appellanten,

tegen de uitspraak van het Gerecht in eerste aanleg van Aruba van 9 oktober 2017 in zaak AUA201700037, in het geding tussen:

appellanten

en

de Procureur-Generaal (PG).

Procesverloop

Bij beschikking van 29 augustus 2016 heeft de PG op grond van artikel 15, eerste lid, aanhef onder b, van de Landsverordening toelating, uitzetting en verwijdering een bevel tot uitzetting van appellant sub 1 gegeven, inhoudende dat appellant sub 1 binnen 24 uur nadat dit bevel van kracht is geworden Aruba moet verlaten met het verbod daarin terug te keren voor een periode van acht jaar.

Op 3 oktober 2016 hebben appellanten daartegen een bezwaarschrift ingediend.

Op 30 januari 2017 hebben appellanten beroep ingesteld tegen het met een afwijzende beslissing gelijkgestelde uitblijven van een beslissing op het bezwaarschrift.

Bij uitspraak van 9 oktober 2017 heeft het Gerecht het door appellant sub 1 ingestelde beroep ongegrond verklaard. Het Gerecht heeft het door appellanten sub 2 en 3 ingestelde beroep gegrond verklaard, het met een afwijzende beslissing gelijkgestelde uitblijven van een beslissing op het door hen gemaakte bezwaar vernietigd, hun bezwaar niet-ontvankelijk verklaard en bepaald dat deze uitspraak in zoverre in de plaats treedt van de vernietigde fictieve afwijzende beslissing.

Tegen deze uitspraak hebben appellanten hoger beroep ingesteld.

De PG heeft een verweerschrift ingediend.

Het Hof heeft de zaak ter zitting behandeld op 4 oktober 2018, waar appellanten, vertegenwoordigd door mrs. V.A.V. Carlo en D.G. Illes, beiden advocaat, en de PG, vertegenwoordigd door mr. F.A.P.M. van Deutekom, werkzaam bij het Openbaar Ministerie, zijn verschenen.


Overwegingen

  1. De toepasselijke wettelijke bepalingen zijn opgenomen in de bijlage bij deze uitspraak, die daarvan deel uitmaakt.

  2. Appellant sub 1 heeft de Colombiaanse nationaliteit. Op 4 juli 2012 is hij in Colombia getrouwd met appellante sub 2 (de echtgenote), een in Aruba geboren Nederlander. Appellant sub 1 staat vanaf 27 december 2012 op hetzelfde adres in Aruba ingeschreven als de echtgenote. Zij hebben samen een zoon (appellant sub 3). De zoon is op 30 oktober 2014 in Aruba geboren en bezit de Nederlandse nationaliteit.
    Blijkens een “Verklaring Artikel 3, lid 1 sub G” (de verklaring) van 6 juni 2013 heeft hij van rechtswege toelating tot verblijf in Aruba. In de verklaring is als vereiste gesteld dat deze geldig is voor de tijd dat appellant sub 1 is gehuwd met en inwonend bij zijn echtgenote. Voorts is in de verklaring vermeld dat de toelating van rechtswege eindigt door het vervallen van de reden waarom zij is toegekend.
    Bij strafvonnis van 2 juni 2016 is appellant sub 1 veroordeeld tot een gevangenisstraf van dertig (30) maanden, waarvan zes (6) maanden voorwaardelijk, met aftrek van voorarrest vanaf 5 juni 2015 en een proeftijd van twee (2) jaren, wegens het op 16 november 2013 medeplegen van opzettelijk handdelen in strijd met artikel 3, eerste lid, onder A, en het op 28 april 2015 opzettelijk handelen in strijd met artikel 3, eerste lid, onder B, van de Landsverordening verdovende middelen. Op 5 juni 2015 is hij in verzekering gesteld en op 27 september 2016 is hij uit detentie ontslagen.

  3. Het Gerecht heeft overwogen dat ten tijde van het sluiten van het onderzoek nog geen reële beslissing op het bezwaar van appellanten is genomen. Wel heeft de PG inhoudelijk verweer gevoerd met de strekking dat het beroep ongegrond moet worden verklaard nu het bevel tot uitzetting terecht is gegeven. Het Gerecht heeft het beroep beoordeeld en daarbij het inhoudelijke verweer aangemerkt als motivering van de bestreden (fictieve) beslissing op het bezwaarschrift van appellant sub 1.

3.1. Het Gerecht heeft ten aanzien van de aldus gegeven motivering overwogen dat tussen appellant sub 1, de echtgenote en de zoon familie- en gezinsleven bestaat, bedoeld in artikel 8, eerste lid, van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) en de inmenging in dat familie- en gezinsleven op grond van het tweede lid van dat artikel gerechtvaardigd is. Volgens het Gerecht heeft de PG zich niet ten onrechte op het standpunt gesteld dat het belang van Aruba bij uitzetting van appellant sub 1 ter bescherming van de openbare orde zwaarder weegt dan het belang van appellant sub 1 om zijn familie- en gezinsleven in Aruba te hebben. Hierbij heeft het Gerecht in aanmerking genomen dat appellant sub 1 kort na zijn toelating en verblijf tot Aruba in 2013 en in 2015 een ernstig misdrijf heeft gepleegd, te weten het opzettelijk handelen dan wel het medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met artikel 3, eerste lid, van de Landsverordening verdovende middelen gegeven verbod, waarvoor hij bij vonnis van 2 juni 2016 is veroordeeld tot een gevangenisstraf van 30 maanden, waarvan 6 maanden voorwaardelijk met aftrek van voorarrest en een proeftijd van twee jaar. Appellant sub 1 heeft niet aannemelijk gemaakt dat er objectieve belemmeringen zijn om het familie- en gezinsleven uit te oefenen in zijn land van herkomst Colombia, aldus het Gerecht.

4. Appellanten betogen dat het Gerecht in strijd met de rechtspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (de arresten Mehemi tegen Frankrijk van 26 september 1997 (85/1996/704/896), Boujlifa tegen Frankrijk van 21 oktober 1997 (nr. 25404/94), Boultif tegen Zwitserland van 2 augustus 2001 (nr. 54273/00), Mehemi tegen Frankrijk van 10 april 2003 (nr. 53470/99), Rodrigues da Silva en Hoogkamer tegen Nederland van 31 januari 2006 (nr. 50435/99), Osman tegen Denemarken van 14 juni 2011 (nr. 38058/09), Nunez tegen Noorwegen van 28 juni 2011 (nr. 55597/09), Butt tegen Noorwegen van 4 december 2012 (nr. 47017/09) en Jeunesse tegen Nederland van 3 oktober 2014 (nr. 12738/10), www.echr.coe.int) ten onrechte heeft overwogen dat de PG zich niet ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat de verrichte belangenafweging heeft geresulteerd in een “fair balance” tussen het belang van appellanten bij de uitoefening van hun familie- en gezinsleven in Aruba enerzijds en het belang van Aruba dat is gediend bij de uitzetting van appellant sub 1 anderzijds. Niet alle van belang zijnde feiten en omstandigheden zijn kenbaar bij de belangenafweging betrokken, aldus appellanten.
Volgens appellanten is het Gerecht eraan voorbijgegaan dat de echtgenote en de zoon in Aruba zijn geboren en de Nederlandse nationaliteit hebben en zij niet zonder meer toegang tot en recht op verblijf in Colombia hebben. De echtgenote en de zoon worden voorts in strijd met de wet voor de keuze geplaatst het familie- en gezinsleven met appellant sub 1 te beëindigen of hun land Aruba te verlaten en het familie- en gezinsleven in Colombia voort te zetten. Bij voortzetting van de uitoefening van het familie- en gezinsleven in Colombia wordt de zoon voorts het recht ontnomen om zijn bestaan voort te zetten op het welvaartsniveau dat hij in Aruba gewend is. Ook wordt de zoon de kans ontnomen op kwalitatief goede scholing in Aruba, om daarna met studiefinanciering in Nederland te kunnen gaan studeren en daaropvolgend een carrière in Aruba te kunnen opbouwen. Appellant sub 1 vormt geen gevaar voor de openbare orde, hetgeen onder meer blijkt uit het feit dat hem een deels voorwaardelijke straf is opgelegd. Voorts is hij wegens goed gedrag op 27 september 2016 vroegtijdig in vrijheid gesteld. Sinds zijn aanhouding en in zijn proeftijd, die loopt tot begin 2020, heeft appellant sub 1 zich gedragen. Hij heeft een baan waarmee hij in het onderhoud van zijn gezin voorziet.

4.1. Uit de jurisprudentie van het EHRM volgt dat de PG bij de belangenafweging in het kader van het door artikel 8 EVRM beschermde recht op eerbiediging van het familie- en gezinsleven een 'fair balance' moet betrachten tussen het belang van appellant sub 1 en zijn Nederlandse echtgenote en zoon enerzijds en het Arubaanse algemeen belang anderzijds. Daarbij moet de PG alle voor die belangenafweging van betekenis zijnde belangen betrekken. De rechter moet beoordelen of de PG alle relevante feiten en omstandigheden in zijn belangenafweging heeft betrokken en, indien dit het geval is, of hij zich niet ten onrechte op het standpunt heeft gesteld, dat die afweging heeft geresulteerd in een ‘fair balance’. Deze maatstaf impliceert dat de toetsing door de rechter enigszins terughoudend moet zijn.

4.2. Het Hof is met het Gerecht van oordeel dat de door de PG verrichte belangenafweging heeft geresulteerd in een ‘fair balance’. Appellant sub 1 heeft voor het plegen van het misdrijf op 16 november 2013 slechts korte tijd rechtmatig in Aruba verbleven. Na de geboorte van de zoon op 30 oktober 2014 heeft appellant sub 1 op 18 oktober 2015 opnieuw een misdrijf gepleegd. Het Gerecht heeft terecht overwogen dat appellant sub 1 ernstige misdrijven heeft gepleegd. Gelet hierop heeft de PG aan het belang van de Arubaanse samenleving bij uitzetting van appellant sub 1 niet ten onrechte meer gewicht toegekend dan aan zijn belang om zijn familie- en gezinsleven met de echtgenote en zoon in Aruba te kunnen voortzetten. Dat appellant sub 1 vervroegd in vrijheid is gesteld en naar gesteld nadien geen strafbare feiten meer heeft gepleegd, komt bij de belangenafweging geen betekenis toe. Appellant sub 1 behoorde gewoon zich tijdens zijn detentie behoorlijk te gedragen en nadien geen strafbare feiten meer te plegen. Het is voorts aan de echtgenote en de zoon om appellant sub 1 al dan niet naar Colombia te volgen. Dat zij voor die keuze worden geplaatst is het gevolg van de door appellant sub 1 gepleegde misdrijven en hem toe te rekenen. Voorts moet appellant sub 1 aannemelijk maken dat objectieve belemmeringen bestaan om het gezinsleven buiten Aruba te hebben. Appellant sub 1 heeft niet met stukken of anderszins aannemelijk gemaakt dat de echtgenote en zoon geen toegang en toelating tot Colombia zullen krijgen. Evenmin heeft appellant sub 1 aannemelijk gemaakt dat in Colombia het onderwijs- en welvaartsniveau in vergelijking met Aruba dusdanig laag is, dat van de echtgenote en zoon niet kan worden verlangd dat zij appellant sub 1 naar Colombia volgen. Ook is niet aannemelijk gemaakt dat na het volgen van onderwijs in Colombia voor de zoon geen mogelijkheid bestaat om, desgewenst, in Nederland te gaan studeren en daarna een loopbaan in Aruba op te bouwen. Het betoog faalt.

5. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.

6. Voor een proceskostenveroordeling geen grond. Beslissing

Het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. E.A. Saleh, voorzitter, en mr. A.W.M. Bijloos en mr. J.Th. Drop, leden, in tegenwoordigheid van mr. M.J.C. Beerse, griffier.

w.g. Saleh

voorzitter

w.g. Beerse

griffier

Uitgesproken in het openbaar op 19 februari 2019BIJLAGE

Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens

en de fundamentele Vrijheden

Artikel 8

1. Een ieder heeft recht op respect voor zijn privé leven, zijn familie- en gezinsleven, zijn woning en zijn correspondentie.

2. Geen inmenging van enig openbaar gezag is toegestaan in de uitoefening van dit recht, dan voor zover bij de wet is voorzien en in een democratische samenleving noodzakelijk is in het belang van de nationale veiligheid, de openbare veiligheid of het economisch welzijn van het land, het voorkomen van wanordelijkheden en strafbare feiten, de bescherming van de gezondheid of de goede zeden of voor de bescherming van de rechten en vrijheden van anderen.

Landsverordening toelating, uitzetting en verwijdering

Artikel 15

1. Uitgezet kunnen worden:
a. personen die na het verlies van hun toelating van rechtswege of na intrekking van hun vergunning tot verblijf, niet binnen een te stellen termijn Aruba hebben verlaten;
b. personen, voor wie ingevolge deze landsverordening toelating is vereist en wier verblijf met het oog op de zedelijkheid, de openbare orde of de publieke rust of veiligheid niet wenselijk wordt geacht.

2. De uitzetting geschiedt krachtens een met redenen omkleed bevelschrift van de procureur-generaal, houdende het bevel Aruba binnen een daarbij te bepalen termijn te verlaten. Het bevelschrift vermeldt de periode waarin aan de betrokkene de toelating tot Aruba zal worden geweigerd; deze periode bedraagt ten hoogste acht jaar.