Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:OGHACMB:2019:216

Instantie
Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba
Datum uitspraak
08-07-2019
Datum publicatie
31-12-2019
Zaaknummer
AUA2018H00181
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Terugkomen van eerdere beschikking

Het Gerecht heeft terecht overwogen dat het hoofd DBSB in de door appellanten overgelegde documenten geen aanleiding heeft hoeven vinden om terug te komen van de beschikking van 29 november 2013.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

AUA2018H00181

Datum uitspraak: 8 juli 2019

gemeenschappelijk hof van jusTitie

van aruba, CURAÇAO, SINT MAARTEN

EN VAN BONAIRE, SINT EUSTATIUS EN SABA

Uitspraak op het hoger beroep van:

1. Appellante],

2. [ Appellant]

beiden wonend in Aruba,

appellanten,

tegen de uitspraak van het Gerecht in eerste aanleg van Aruba van 27 november 2017 in zaak nr. AUA201700602, in het geding tussen:

appellanten

en

het hoofd van de Dienst Burgerlijke Stand en Bevolkingsregister (hierna: het hoofd DBSB).

Procesverloop

Bij beschikking van 29 november 2013 heeft het hoofd DBSB een aanvraag van appellanten om hun in Haïti gesloten huwelijk in te schrijven in het bevolkingsregister afgewezen.

Bij beschikking van 6 augustus 2014 heeft het hoofd DBSB het daartegen door appellanten gemaakte bezwaar niet-ontvankelijk verklaard.

Op 1 augustus 2014 hebben appellanten het hoofd DBSB verzocht om terug te komen van de beschikking van 29 november 2013.

Bij beschikking van 19 mei 2016 heeft het hoofd DBSB dat verzoek afgewezen.

Bij beschikking van 22 maart 2017 heeft het hoofd DBSB, onder verwijzing naar een advies van de bezwaaradviescommissie van 6 maart 2017, het daartegen door appellanten gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 27 november 2017 heeft het Gerecht het door appellante daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard.

Tegen deze uitspraak hebben appellanten op 20 september 2018 hoger beroep ingesteld.

De minister heeft een verweerschrift ingediend.

Het Hof heeft de zaak ter zitting behandeld op 5 april 2019, waar appellanten, bijgestaan door M.L. Hasell, en het hoofd DBSB, vertegenwoordigd door mr. J.M.A.M. Ponsioen, werkzaam bij de DBSB, zijn verschenen.

Overwegingen

  1. Op grond van artikel 53b van de Landsverordening administratieve rechtspraak (hierna: de Lar) wordt het hoger beroep ingesteld binnen zes weken na de dag waarop de beslissing op het beroep is gedagtekend. De instelling van het hoger beroep geschiedt door indiening bij de griffie van het Gerecht van een aan het Hof gericht beroepschrift.

  2. Bij brief van 16 december 2017, gericht aan het Gerecht en ingekomen bij de bezwaaradviescommissie op 28 december 2017, hebben appellanten gesteld dat zij het niet eens zijn met de uitspraak van 27 november 2017.

  3. Appellanten betogen onder verwijzing naar de uitspraak van het Gerecht van 3 juli 2017 (ECLI:NL:OGEAA:2017:584) terecht dat de bezwaaradviescommissie de brief van 16 december 2017 had moeten doorzenden aan de griffie van het Gerecht om als hogerberoepschrift te worden behandeld. De Lar voorziet niet in een wettelijke verplichting daartoe, maar van de bezwaaradviescommissie mag worden verwacht dat zij een brief die onmiskenbaar is gericht tegen een uitspraak van het Gerecht, doorzendt naar de griffie van het Gerecht om als hogerberoepschrift te worden behandeld. Het niet doorzenden van een dergelijke brief levert naar het oordeel van het Hof strijd op met het zorgvuldigheidsbeginsel. De datum van indiening bij de onbevoegde instantie is beslissend voor beantwoording van de vraag of het hogerberoepschrift tijdig is ingediend. Op de voet van artikel 53b van de Lar is de hogerberoepstermijn geëindigd op 8 januari 2018. Met de brief van 16 december 2017, die bij de bezwaaradviescommissie in ingekomen op 28 december 2017, is tijdig hoger beroep ingesteld. Het Hof zal de brief van 16 december 2017 behandelen als een hogerberoepschrift tegen de uitspraak van het Gerecht van 27 november 2017. De in het hogerberoepschrift van 20 september 2018 aangevoerde gronden zullen met het oog op de definitieve geschilbeslechting bij de beoordeling van het hoger beroep worden betrokken.

  4. De vraag die in deze procedure voorligt is, of het Gerecht het beroep tegen de beschikking van 22 maart 2017, waarbij de afwijzing van het verzoek om terug te komen van de beschikking van 29 november 2013 is gehandhaafd, terecht ongegrond heeft verklaard.

  5. Aan het verzoek om terug te komen van de beschikking van 29 november 2013 is ten grondslag gelegd dat appellanten bij onderscheiden brieven van 9 maart 2016 en 7 april 2016 een kopie van een huwelijksakte, een aantal foto's en een medische verklaring met betrekking tot appellante sub 1 hebben overgelegd. In de beschikking van 19 mei 2016 heeft het hoofd DBSB zich onder verwijzing naar de motivering van de beschikking van 29 november 2013 op het standpunt gesteld dat deze documenten geen aanleiding geven om daarvan terug te komen.

  6. Het Gerecht heeft overwogen dat het hoofd DBSB aan de afwijzing ten grondslag heeft gelegd dat het huwelijk waarvan inschrijving is verzocht naar zijn oordeel strijdig is met de openbare orde, als niet gericht op de vervulling van de door de wet aan de huwelijkse staat verbonden plichten, maar op het verkrijgen van toelating van appellant sub 2 tot Aruba. Daarbij heeft het hoofd DBSB onder meer in aanmerking genomen dat de door appellanten op 13 september 2013 afgelegde verklaringen over onder meer elkaars familieleden, de omstandigheden waaronder ze elkaar hebben leren kennen en de namen van de getuigen bij hun huwelijk uiteenlopen. Voor die uiteenlopende verklaringen hebben appellanten geen overtuigende uitleg kunnen geven. Aldus lijken appellanten elkaar nauwelijks te kennen. Voorts hebben appellanten het niet met zoveel woorden over een affectieve relatie tussen hen gehad.
    Volgens het Gerecht heeft het hoofd DBSB niet aannemelijk gemaakt hoeven achten dat de uiteenlopende verklaringen van appellanten veroorzaakt zijn door communicatieproblemen. Appellanten hebben niet aangevoerd op welke punten de door appellant sub 2 gegeven antwoorden in het verslag onjuist zijn weergegeven, dan wel welke vragen voor hem onduidelijk waren. Voorts is de stelling van het hoofd DBSB dat appellant sub 2 tijdens het afleggen van de verklaringen niet te kennen heeft gegeven de tolk niet of onvoldoende te begrijpen onbetwist gebleven. Verder kan in de gestelde communicatieproblemen geen verklaring worden gevonden voor het geven van afwijkende verklaringen door appellante sub 1 over de getuigen bij het huwelijk, nu niet in geschil is dat zij het Papiamento machtig is.

  7. Appellanten betogen dat niet deugdelijk is gemotiveerd waarom de ingediende huwelijksakte, foto’s en een medische verklaring geen aanleiding vormen om terug te komen van de beschikking van 29 november 2013. Ook in het advies van de bezwaaradviescommissie van 6 maart 2017 is niet gemotiveerd waarom de overgelegde documenten niet met zich brengen dat van die beschikking moet worden teruggekomen. Ook heeft het hoofd DBSB volgens appellanten niet meer kunnen verwijzen naar de op 13 september 2013 door hen afgelegde verklaringen over elkaars familieleden, de omstandigheden waaronder ze elkaar hebben leren kennen en de namen van de getuigen van hun huwelijk. Een dergelijke blote verwijzing geeft immers geen blijk van integrale heroverweging van de beschikking van 29 november 2013. Het Gerecht heeft dit niet onderkend, aldus appellanten.

  8. De beschikking van 29 november 2013 is in rechte onaantastbaar geworden en heeft daarmee formele rechtskracht gekregen. De beoordeling van een verzoek om terug te komen van een dergelijke beschikking vindt plaats op grondslag van de aan dat verzoek ten grondslag gelegde feiten en omstandigheden. De door appellanten overgelegde huwelijksakte, foto’s en medische verklaring doen niet af aan de onder 6 weergegeven verschillen tussen de door appellanten afgelegde verklaringen en de daaruit getrokken conclusie dat appellanten elkaar nauwelijks leken te kennen. Voorts is met deze documenten niet aannemelijk gemaakt dat deze verschillen zijn ontstaan door de door appellanten gestelde communicatieproblemen. Het hoofd DBSB mocht derhalve als onderbouwing van de beschikking van 22 maart 2017 verwijzen naar de op 13 september 2013 door appellanten afgelegde verklaringen en het Gerecht heeft dan ook terecht overwogen dat deze in de door appellanten overgelegde documenten geen aanleiding heeft hoeven vinden om terug te komen van de beschikking van 29 november 2013.

  9. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

  10. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen grond. Beslissing

Het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba:

bevestigt de aangevallen uitspraak

Aldus vastgesteld door mr. E.A. Saleh, voorzitter, en mr. J.E.M. Polak en mr. H.G. Lubberdink, leden, in tegenwoordigheid van mr. M.J.C. Beerse griffier.

w.g. Saleh

voorzitter

w.g. Beerse

griffier

Uitgesproken in het openbaar op 8 juli 2019