Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:OGHACMB:2019:172

Instantie
Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba
Datum uitspraak
11-09-2019
Datum publicatie
28-10-2019
Zaaknummer
100.00043-18 (zaak A) en 100.00151/18 H-26/2019
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bevestiging muv en mdv.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Zaaknummer: H-26/2019

Parketnummers: 100.00043-18 (zaak A) en 100.00151/18 (zaak B, ttz in ea gevoegd)

Uitspraak: 11 september 2019 Tegenspraak

Vonnis

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van het Gerecht in eerste aanleg van Sint Maarten (hierna: het Gerecht) van 20 december 2018 in de strafzaak tegen de verdachte:

[VERDACHTE],

geboren op [geboortedatum] 1994 te [geboorteplaats],

wonende te [woonplaats], [adres],

thans gedetineerd in het huis van bewaring te Sint Maarten.

Hoger beroep

Het Gerecht heeft de verdachte bij zijn vonnis van het onder 2, 3 en 4 in zaak A en het onder 1 primair in zaak B ten laste gelegde vrijgesproken en ter zake van het onder 1, 5, 6, 7 en 8 in zaak A en het onder 1 subsidiair en 2 in zaak B ten laste gelegde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 10 jaren met aftrek van voorarrest.

Zowel de verdachte als de officier van justitie heeft hoger beroep ingesteld.

Onderzoek van de zaak

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting.

Het Hof heeft kennisgenomen van de vordering van de procureur-generaal,

mr. M.A.W. Mol, en van hetgeen door de verdachte en zijn raadsvrouw, mr. S.H.M. Ibrahim, naar voren is gebracht.

De procureur-generaal heeft gevorderd dat het Hof het vonnis waarvan beroep zal vernietigen en, opnieuw rechtdoende, het in zaak A onder 1, 4 subsidiair, 5, 6, 7 en 8 en in zaak B onder 1 primair en 2 ten laste gelegde bewezen zal verklaren en de verdachte daarvoor zal veroordelen tot een gevangenisstraf voor de duur van 18 jaren met aftrek van voorarrest.

Namens de verdachte is ten aanzien van een aantal feiten vrijspraak bepleit en is een strafmaatverweer gevoerd.

Vonnis waarvan beroep

Het Hof verenigt zich met het vonnis waarvan beroep en zal dit derhalve bevestigen, met uitzondering van de beslissingen ten aanzien van de feiten 7 (Home Invasion) en 8 in zaak A en de beslissing ten aanzien van feit 1 in de zaak B en met uitzondering van de straf en de motivering daarvan– in zoverre zal het vonnis worden vernietigd –en met dien verstande dat het Hof:

- ten aanzien van feit 1 (Toermalijn) een andere bewijsoverweging en

bewijsconstructie hanteert;

- ten aanzien van de feiten 2 en 3 (Zinkiet) een andere motivering ten aanzien

van de vrijspraken hanteert;

- ten aanzien van feit 4 subsidiair (Celestiet) de overweging ten aanzien van

de vrijspraak verbetert;

- ten aanzien van feit 5 (Droomkwartz) een andere bewijsconstructie hanteert.

Bewijsoverweging feit 1 zaak A (Toermalijn)

De raadsvrouw heeft ter terechtzitting in hoger beroep betoogd dat de verdachte weliswaar betrokken was bij dit feit, maar dat geen sprake is geweest van medeplegen, zodat partiële vrijspraak dient te volgen.

Het Hof overweegt als volgt.

Uit de bewijsmiddelen volgt dat de verdachte en de medeverdachte samen hebben gesproken over het beroven van een casino en dat zij samen een balletjespistool hebben opgehaald. De verdachte en de medeverdachte zijn samen naar het casino gereden. De medeverdachte bestuurde op dat moment de auto. Zij zijn samen het casino binnen gegaan. De verdachte is degene geweest die een vuurwapen aan [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] heeft getoond, de bedreigingen heeft geuit en [slachtoffer 1] een geldbedrag van USD 22.537 afhandig heeft gemaakt. De verdachte en de medeverdachte hebben vervolgens het casino verlaten en zijn samen weggerend, zijn de auto ingestapt en zijn samen weggereden. Zij hebben vervolgens de buit gedeeld.

Op grond van het voorgaande is het Hof van oordeel dat de voor medeplegen vereiste nauwe en bewuste samenwerking tussen de verdachte en de medeverdachte is komen vast te staan. Hoewel de medeverdachte niet degene is geweest die het vuurwapen op de aangevers heeft gericht en de bedreigingen heeft geuit, is de bijdrage van de medeverdachte aan het ten laste gelegde naar het oordeel van het Hof van voldoende gewicht en kan deze worden aangemerkt als medeplegen. Daarmee acht het Hof het ten laste gelegde medeplegen bewezen.

Bewijsmiddelen feit 1 zaak A (Toermalijn)

Het Hof verenigt zich met de selectie en waardering van de bewijsmiddelen die het Gerecht onder 2), 3) en 4) op pagina’s 3 en 4 van het vonnis heeft opgenomen. Het Hof neemt deze bewijsmiddelen over, verwijst daarnaar en legt deze ten grondslag aan zijn bewezenverklaring. Het Hof voegt daaraan het navolgende bewijsmiddel toe.

Een proces-verbaal van (derde) verhoor van de verdachte met nummer 201802081156.V01 van 8 februari 2018 in de wettelijke vorm opgemaakt door de bevoegde opsporingsambtenaren [opsporingsambtenaar 1] en [opsporingsambtenaar 2] (bijlage 24).

Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als de op 8 februari 2018 tegenover verbalisanten afgelegde verklaring van verdachte:

I committed the robbery on [naam casino] Casino. I robbed the casino with another person. In Sandy Ground we got the bb-gun. My friend was driving and we were talking about robbing a casino. My friend and I both went into the casino. I went to the cashier and asked her for money. I pulled out the bb-gun and pointed it out at the cashier. When I robbed the casino, my friend and I went out of the casino to go. We got into the car and went to the French site. He dropped me in Marigot. I did put the money in a black plastic sack. We divided the money.

Vrijspraakmotivering feiten 2 en 3 van zaak A (Zinkiet)

Aangever [naam aangever] heeft verklaard dat hij de drie mannen die hem hebben overvallen en hem van zijn vrijheid hebben beroofd alle drie kent, maar dat hij hun namen niet kent. Hij heeft voorts verklaard dat hij ze altijd ziet op straat in [naam buurt] en dat hij hen direct zou herkennen als hij hen zou zien. Tijdens de fotoconfrontatie heeft hij de verdachte niet herkend. Getuige [getuige 1] heeft de verdachte tijdens de fotoconfrontatie wel herkend. Het Hof is met de procureur-generaal van oordeel dat deze herkenning niet opweegt tegen de contra-indicatie van het niet herkennen van de verdachte door aangever ondanks diens stellige verklaring dat hij de overvallers direct zou herkennen. Dit geldt temeer omdat aangever gedurende langere tijd met de drie mannen geconfronteerd is geweest en hij de medeverdachte wel direct herkende, terwijl getuige [getuige 1] de overvallers maar kort heeft gezien.

Gelet op het voorgaande heeft het Hof niet door de inhoud van de wettige bewijsmiddelen de overtuiging bekomen dat de verdachte het in zaak A onder 2 en 3 ten laste gelegde heeft begaan.

Verbetering overweging vrijspraak feit 4 zaak A (Celestiet)

Het Hof verenigt zich met de vrijspraakmotivering op pagina 2 bovenaan van het vonnis van het Gerecht. Het Hof neemt deze motivering over en verwijst daarnaar met dien verstande dat het Hof deze op een klein punt verbetert zoals hieronder is weergegeven.

Het Gerecht heeft in regel 6 en 7 overwogen:

Daar heeft een ruzieachtig gesprek plaatsgevonden en heeft [naam 1] en [naam 2] met een vuurwapen bedreigd.

Het Hof verbetert die zin als volgt:

Daar heeft een ruzieachtig gesprek plaatsgevonden en heeft [naam 1] en [naam 3]met een vuurwapen bedreigd.

Bewijsmiddelen feit 5 zaak A (Droomkwartz)

Het Hof verenigt zich met de selectie en waardering van de bewijsmiddelen die het Gerecht onder 1), 2) en 3) op pagina’s 4 en 5 van het vonnis heeft opgenomen. Het Hof neemt deze bewijsmiddelen over, verwijst daarnaar en legt deze ten grondslag aan zijn bewezenverklaring. Het Hof voegt daaraan het navolgende bewijsmiddel toe.

De verklaring van de verdachte, afgelegd ter terechtzitting in hoger beroep van 22 augustus 2019.Deze verklaring houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven:

Ik heb op 8 januari 2018 in Sint Maarten met een ander een overval op [bedrijfsnaam 1] gepleegd. Ik was daarbij in het bezit van een vuurwapen. Ik heb om geld gevraagd en zij hebben mij een tas gegeven. Ik heb gedeeld in de buit.

Vrijspraak feit 7 zaak A (Home Invasion)

De procureur-generaal heeft betoogd dat wettig en overtuigend kan worden bewezen dat de verdachte betrokken was bij de onder 7 ten laste gelegde overval. Volgens haar heeft de medeverdachte de naam genoemd van de verdachte als medepleger van de overval en wordt het bewijs van de betrokkenheid van de verdachte bij dit feit ondersteund door een schoen die tijdens de huiszoeking in de woning van de verdachte en de medeverdachte is aangetroffen en waarop het bloed van de aangever en het DNA van de verdachte is aangetroffen.

De raadsvrouw heeft vrijspraak ten aanzien van dit feit bepleit.

Het Hof is van oordeel dat uit de verklaring die de medeverdachte [medeverdachte 1] op 18 oktober 2018 bij de politie heeft afgelegd, niet zonder meer volgt dat hij de verdachte als zijn mededader aanwijst. [medeverdachte 1] heeft alleen verklaard dat hij de verdachte samen met een andere man heeft gevraagd om de aangever te controleren (“to go check this man”), waarmee [medeverdachte 1] niets heeft verklaard over de betrokkenheid van de verdachte bij de overval. Ook de resultaten van het DNA-onderzoek van de schoen bieden onvoldoende bewijs voor de betrokkenheid van de verdachte bij dit feit. Dat het DNA van de verdachte is aangetroffen op een schoen tezamen met het DNA van de aangever is niet onvoorstelbaar nu de schoen van medeverdachte [medeverdachte 1] is, die zijn betrokkenheid bij dit feit heeft bekend, en is aangetroffen in de woning waar de verdachte en medeverdachte [medeverdachte 1] samen verbleven. Het Hof is daarom van oordeel dat voor het in zaak A onder 7 ten laste gelegde onvoldoende wettig bewijs voorhanden is en zal de verdachte daarom ten aanzien van dat feit vrijspreken.

Bewezenverklaring feit 8 in zaak A

Het Hof acht wettig en overtuigend bewezen hetgeen aan de verdachte in zaak A onder 8 ten laste is gelegd, met dien verstande dat:

hij op

  • -

    13 februari 2017 in of in de buurt van [naam plaats 1] (Toermalijn),

  • -

    1 december 2017 in of in de buurt van [bedrijfsnaam 2] (Zinkiet),

  • -

    14 december 2017 in of in de buurt van [naam straat 1] (Celestiet),

  • -

    8 januari 2018 in of in de buurt van [naam plaats 2] (Droomkwartz),

  • -

    20 januari 2018 in of in de buurt van [naam straat 2] Road (Eldoriet) en/of

  • -

    21 januari 2018 in of in de buurt van [naam buurt] (Home Invasion),

in elk geval in of omstreeks de periode van 16 november 2017 tot en met 21 januari 2018 in Sint Maarten, tezamen en in vereniging met (een) ander(en), althans alleen, een of meer vuurwapens, in de zin van de Vuurwapenverordening, te weten een of meer zwarte handvuurwapen, althans op een vuurwapen gelijkende voorwerpen, voorhanden heeft gehad.

Het Hof acht niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard, zodat hij daarvan zal worden vrijgesproken.

Bewijsmiddelen feit 8 in zaak A

Het Hof verwijst voor de bewijsmiddelen ten aanzien van feit 8 in zaak A naar de bewijsmiddelen die zijn opgenomen ten aanzien van de feiten 1 (Toermalijn), 5 (Droomkwartz), 6 (Eldoriet) en 7 (Home Invasion).

Strafbaarheid en kwalificatie van het onder 8 in zaak A bewezen verklaarde

Het onder 8 in zaak A bewezen verklaarde wordt als volgt gekwalificeerd:

Medeplegen van handelen in strijd met een in artikel 3 van de Vuurwapenverordening gegeven verbod, meermalen gepleegd.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het onder 8 in zaak A bewezen verklaarde uitsluiten.

Bewezenverklaring feit 1 primair in zaak B

Het Hof acht - op grond van de hierna weergegeven bewijsmiddelen en de nadere bewijsoverwegingen, in onderling verband en samenhang beschouwd - wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 primair in zaak B ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

hij op of omstreeks 5 december 2017 in Sint Maarten ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk [slachtoffer 3] van het leven te beroven, met dat opzet een vuurwapen heeft gericht op die [slachtoffer 3] en/of vervolgens (eenmaal) een kogel heeft afgevuurd in de richting van die [slachtoffer 3], terwijl de uitvoering van dat misdrijf niet is voltooid.

Bewijsmiddelen feit 1 primair in zaak B

Het Hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezen verklaarde heeft begaan, op de feiten en omstandigheden die in de hierna volgende bewijsmiddelen zijn vervat en redengevend zijn voor de bewezenverklaring.

Daarbij wordt opgemerkt dat ieder bewijsmiddel, ook in zijn onderdelen, slechts wordt gebruikt tot bewijs van dat bewezen verklaarde feit, of die bewezen verklaarde feiten, waarop het blijkens zijn inhoud betrekking heeft.

Bewijsmiddelen:

1. De verklaring van de verdachte, afgelegd ter terechtzitting in eerste aanleg van 29 november 2018.

Deze verklaring houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven:

On December 5th 2017 in Sint Maarten I fired a shot at [slachtoffer 3] with a black handgun. I aimed at him and wanted to hurt him. He was about 60 feet away from me when I took the shot.

2. Een proces-verbaal van eerste verhoor verdachte [verdachte] met documentcode 1802091045.VER van 9 februari 2018, in de wettelijke vorm opgemaakt door de bevoegde opsporingsambtenaren [opsporingsambtenaar 3] en [opsporingsambtenaar 4] (dossierpagina’s 23-28, m.n. p. 27).

Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als verklaring van de verdachte:

On December 5th 2017 I ran after the guy we had the argument with the previous night. I remember busting one shot at him. I aimed at the guy. I just wanted to hit him. I just wanted to hurt him. The distance between me and the guy I shot was about 60 feet. I used a black small gun, a Glock.

3. Een proces-verbaal van aangifte van [slachtoffer 3] met documentcode 1712251145.AANG van 25 december 2017, in de wettelijke vorm opgemaakt door de bevoegde opsporingsambtenaar [opsporingsambtenaar 5] (dossierpagina’s 187-188).

Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als verklaring van [slachtoffer 3]:

On December 5th I saw a guy coming out. I saw a gun in his left hand. It was a black gun. The guy with the gun shot after me.

Bewijsoverweging feit 1 primair zaak B

De raadsvrouw heeft betoogd dat slechts kan worden bewezen dat de verdachte één schot heeft gelost. Uit de verklaring van de verdachte waarin hij zegt ’ I wanted to hit him, I wanted to hurt him’ volgt volgens de raadsvrouw dat de verdachte geen opzet had op de dood van [slachtoffer 3], zodat de verdachte van het onder 1 primair ten laste gelegde dient te worden vrijgesproken. Ter ondersteuning van haar standpunt heeft de raadsvrouw verwezen naar de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 24 augustus 2017 (ECLI:NL:RBROT:2017:6601).

De procureur-generaal heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van feit 1 primair.

Het Hof overweegt als volgt.

De verdachte heeft verklaard dat hij op [slachtoffer 3] richtte en dat hij hem wilde raken en verwonden: ’ I wanted to hit him, I wanted to hurt him’. Hieruit leidt het Hof af dat de verdachte opzettelijk in de richting van [slachtoffer 3] heeft geschoten.

Bij beantwoording van de vraag of de verdachte zich daarmee schuldig heeft gemaakt aan poging tot doodslag, dient het Hof de vraag te beantwoorden of de verdachte het (voorwaardelijk) opzet heeft gehad om [slachtoffer 3] van het leven te beroven.

Voorwaardelijk opzet op een bepaald gevolg – in dit geval het overlijden van [slachtoffer 3] – is aanwezig indien de verdachte bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat dit gevolg zou intreden. De beantwoording van de vraag of een gedraging de aanmerkelijke kans op een bepaald gevolg in het leven roept, is afhankelijk van de omstandigheden van het geval, waarbij betekenis toekomt aan de aard van de gedraging en de omstandigheden waaronder deze is verricht. Bepaalde gedragingen kunnen naar hun uiterlijke verschijningsvorm worden aangemerkt als zozeer gericht op een bepaald gevolg dat het – behoudens contra-indicaties – niet anders kan zijn dan dat de verdachte de aanmerkelijke kans op het desbetreffende gevolg heeft aanvaard.

Uit de verklaring van de verdachte volgt dat hij met een zwart pistool heeft geschoten op [slachtoffer 3] die op een afstand van 60 feet (ongeveer 18 meter) van hem was toen hij schoot. Het is een feit van algemene bekendheid dat gericht schieten met een pistool vanaf deze afstand tot dodelijk letsel kan leiden. De verwijzing door de raadsvrouw naar de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 24 augustus 2017 (ECLI:NL:RBROT:2017:6601) kan de verdachte niet baten, nu in die uitspraak alleen al sprake was van een andere situatie dan de onderhavige omdat een hagelpatroon in een jachtgeweer werd verschoten.

Uit deze handelwijze van de verdachte kan worden afgeleid dat hij welbewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat [slachtoffer 3] zou komen te overlijden. Naar het oordeel van het Hof kan uitgesloten worden dat de verdachte zodanig precies heeft gericht dat hij met recht kon veronderstellen dat hij [slachtoffer 3] niet dodelijk zou treffen. Het Hof acht, gelet op het voorgaande, bewezen dat de verdachte het voorwaardelijk opzet heeft gehad om [slachtoffer 3] van het leven te beroven.

Strafbaarheid en kwalificatie van het onder 1 primair in zaak B bewezen verklaarde

Het in zaak B onder 1 primair bewezen verklaarde wordt als volgt gekwalificeerd:

poging tot doodslag.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het onder 1 primair in zaak B bewezen verklaarde uitsluiten.

Strafbaarheid van de verdachte

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluiten.

De verdachte is daarom strafbaar voor het hiervoor bewezen verklaarde.

Oplegging van straf

Bij de bepaling van de op te leggen straf wordt gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezen verklaarde is begaan, op de mate waarin de gedraging aan de verdachte te verwijten is en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen. Daarbij wordt rekening gehouden met de ernst van het bewezen verklaarde in verhouding tot andere strafbare feiten, zoals die onder meer tot uitdrukking komt in de hierop gestelde wettelijke strafmaxima en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd.

De verdachte heeft getracht [slachtoffer 3] van het leven te beroven door gericht met een vuurwapen op hem te schieten. De verdachte heeft met zijn handelen het leven van [slachtoffer 3] in gevaar gebracht en een onaanvaardbare inbreuk gemaakt op zijn lichamelijke integriteit. Het Hof rekent dit de verdachte zwaar aan.

De verdachte heeft samen met een ander twee gewapende overvallen gepleegd en één poging daartoe gedaan. Het ogenschijnlijke gemak waarmee de verdachte en zijn mededader op pad zijn gegaan en de overvallen hebben gepleegd geeft reden tot zorg en vrees voor herhaling. Deze schokkende feiten hebben niet alleen de slachtoffers angst aangejaagd en gedupeerd maar ook de relatief kleine samenleving van Sint Maarten behoorlijk in beroering gebracht.

Ten tijde van de poging doodslag, het plegen van de overvallen en de poging daartoe hebben de verdachte en zijn mededader vuurwapens voorhanden gehad. Het ongecontroleerde bezit van dit soort wapens brengt een onaanvaardbaar risico voor de veiligheid van personen met zich en veroorzaakt gevoelens van onveiligheid in de maatschappij.

Naar het oordeel van het Hof kan gelet op de ernst van de bewezen verklaarde feiten niet worden volstaan met een andere of lichtere sanctie dan een straf die een langdurige onvoorwaardelijke vrijheidsbeneming met zich brengt.

Dat de verdachte niet eerder in Sint Maarten is veroordeeld voor soortgelijke strafbare feiten, is geen omstandigheid waarvan een strafverminderende werking uitgaat: recidive zou veeleer als een strafverhogende omstandigheid hebben gegolden.

Het Hof heeft gelet op straffen die doorgaans worden opgelegd in soortgelijke zaken. Het Hof hanteert als uitgangspunt voor een poging doodslag waarbij in de richting van een persoon is geschoten en het slachtoffer geen of licht letsel heeft opgelopen een gevangenisstraf van vijf tot zes jaren. Als uitgangspunt voor diefstal met geweld waarbij wordt gedreigd met een vuurwapen hanteert het Hof een gevangenisstraf van vier jaren. In zaak A geldt als strafverhogend dat de feiten in vereniging zijn gepleegd.

Het Hof is na een en ander te hebben afgewogen, tot de slotsom gekomen dat de ernst van het bewezen verklaarde, in het bijzonder de aanzienlijke hoeveelheid gewapende overvallen in korte tijd gepleegd, onvoldoende tot uitdrukking komt in de door het Gerecht opgelegde straf. Het Hof komt tot een hogere straf.

Het Hof is – met eenparigheid van stemmen – van oordeel dat een gevangenisstraf voor de duur van 14 jaren passend en geboden is. De verdachte zal daartoe dan ook worden veroordeeld.

De persoonlijke belangen die de verdachte bij een lagere gevangenisstraf heeft, wegen naar het oordeel van het Hof niet op tegen de ernst van de gepleegde misdrijven. Het Hof is met het Gerecht van oordeel dat de zware detentieomstandigheden geen reden zijn om tot strafvermindering te komen. Het is een feit van algemene bekendheid dat die omstandigheden zwaar zijn. Een verdachte die welbewust zulke ernstige feiten pleegt als verdachte heeft gedaan, neemt op de koop toe dat hij daaraan blootgesteld zal worden.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straffen zijn gegrond op de artikelen 1:119, 1:123, 1:136, 1:224, 2:259, 2:289 en 2:291 van het Wetboek van Strafrecht van Sint Maarten en de artikelen 3 en 11 van de Vuurwapenverordening, zoals deze luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

BESLISSING

Het Hof:

vernietigt het vonnis waarvan beroep ten aanzien van de beslissingen ten aanzien van de feiten 7 en 8 in zaak A, de beslissing van feit 1 in de zaak B en de opgelegde straf en doet in zoverre opnieuw recht;

verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte onder 7 in zaak A ten laste is gelegd en spreekt hem daarvan vrij;

verklaart wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte de onder 8 in zaak A en onder 1 primair in zaak B ten laste gelegde feiten heeft begaan;

verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders onder 8 in zaak A en onder 1 primair in zaak B ten laste is gelegd dan hierboven bewezen is verklaard en spreekt hem daarvan vrij;

verklaart het onder 8 in zaak A en onder 1 primair in zaak B bewezen verklaarde strafbaar en de verdachte daarvoor strafbaar;

veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de 14 (veertien) jaren;

beveelt dat de tijd die door de verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht;

bevestigt het vonnis waarvan beroep voor het overige en met inachtneming van het hiervoor overwogene.

Dit vonnis is gewezen door mrs. S.A. Carmelia, M.C.B. Hubben en W.J. Geurts-de Veld, leden van het Hof, bijgestaan door mr. A.F. van der Heide, (zittings)griffier, en op 11 september 2019 uitgesproken in tegenwoordigheid van de griffier ter openbare terechtzitting van het Hof in Sint Maarten.

De uitspraakgriffier is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.