Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:OGHACMB:2019:162

Instantie
Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba
Datum uitspraak
04-07-2019
Datum publicatie
29-08-2019
Zaaknummer
500.00072/17 H 178/2018
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Roofovervall en, poging doodslag

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Zaaknummer: H 178/2018

Parketnummer: 500.00072/17

Uitspraak: 4 juli 2019 Tegenspraak

Vonnis

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van het Gerecht in eerste aanleg van Curaçao (hierna: het Gerecht) van 17 oktober 2018 in de strafzaak tegen de verdachte:

[VERDACHTE],

geboren op [geboortedatum] 1991 in [geboorteplaats],

wonende in [woonplaats],

thans in Curaçao gedetineerd.

Hoger beroep

Het Gerecht heeft in zijn vonnis:

  • -

    het openbaar ministerie niet-ontvankelijk verklaard in de strafvervolging van de verdachte ten aanzien van feit 7 in de zaak met parketnummer 500.00072/17 (onderzoek Castorweg) voor zover dat ziet op de datum van 15 juni 2016;

  • -

    de verdachte van de feiten die ten laste zijn gelegd in de zaak met parketnummer 500.00016/18 (onderzoek Paseata), alsmede van het als feit 4 in de zaak met parketnummer 500.00072/17 (onderzoek Castorweg) ten laste gelegde, vrijgesproken en

  • -

    ter zake van de als feiten 1, 2 primair, 3, 5, 6 en 7 in de zaak met parketnummer 500.00072/17 (onderzoek Castorweg) ten laste gelegd en de als feiten 1 en 2 in de zaak met parketnummer 500.00166/18 (onderzoek Escape) ten laste gelegd veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 12 jaren met aftrek van voorarrest.

Voorts heeft het Gerecht beslissingen genomen ten aanzien van de vorderingen tot schadevergoeding van de benadeelde partijen [benadeeldepartij 1], [benadeeldepartij 2] en [benadeeldepartij 3].

De verdachte heeft hoger beroep ingesteld.

Omvang van het hoger beroep

Aangezien alleen de verdachte hoger beroep heeft ingesteld en hij is vrijgesproken van alle feiten die ten laste zijn gelegd in de zaak met parketnummer 500.00016/18 (onderzoek Paseata), alsmede van het als feit 4 in de zaak met parketnummer 500.00072/17 (onderzoek Castorweg) ten laste gelegde, is gelet op het bepaalde in artikel 434 van het Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv) het vonnis waarvan beroep niet aan beoordeling in hoger beroep onderworpen voor zover het betrekking heeft op genoemde feiten.

Ter terechtzitting in hoger beroep heeft voorts de verdediging desgevraagd te kennen gegeven dat het hoger beroep zich niet richt tegen de feiten in de in eerste aanleg gevoegde zaak met parketnummer 500.00166/18 (onderzoek Escape). Het Hof verstaat die mededeling van de verdediging aldus dat namens de verdachte het hoger beroep tegen de veroordeling in die kwestie is ingetrokken.

Gelet op het bepaalde in artikel 436, tweede lid Sv is het vonnis waarvan beroep slechts aan beoordeling in hoger beroep onderworpen, voor zover het betrekking heeft op de beslissingen ten aanzien van het als feiten 1, 2, 3, 5, 6 en 7 in de zaak met parketnummer 500.00072/17 (onderzoek Castorweg) ten laste gelegde.

Voor de feiten in de in eerste aanleg gevoegde zaak met parketnummer 500.00166/18 (onderzoek Escape), die gelet op het vorenstaande niet aan het oordeel van het Hof zijn onderworpen en waarvoor de verdachte door het Gerecht in eerste aanleg is veroordeeld, dient het Hof gelet op het bepaalde in artikel 406, zesde lid, Sv de straf bepalen.

Al hetgeen hierna wordt overwogen en beslist heeft uitsluitend betrekking op dat gedeelte van het vonnis waarvan beroep dat aan het oordeel van het Hof is onderworpen.1

Onderzoek van de zaak

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting.

Het Hof heeft kennisgenomen van de vordering van de procureur-generaal, mr. M.L.A. Angela, en van hetgeen door de verdachte en zijn raadsvrouw, mr. M.O. Gomez, naar voren is gebracht.

De procureur-generaal heeft gevorderd dat het Hof het vonnis waarvan beroep zal bevestigen.

De raadsvrouw heeft primair bepleit dat de verdachte zal worden vrijgesproken van het ten laste gelegde. Subsidiair is een strafmaatverweer gevoerd.

Ontvankelijkheid openbaar ministerie

Het Gerecht overwoog met betrekking tot de ontvankelijkheid van het openbaar ministerie in de strafvervolging van de verdachte:

Het Gerecht verklaart het openbaar ministerie in de zaak met parketnummer 500.00072/17 (Onderzoek Castorweg) ten aanzien van het onder 7 tenlastegelegde feit, voor zover dat ziet op de datum van 15 juni 2016, niet-ontvankelijk, omdat de verdachte reeds is vervolgd en veroordeeld is voor vuurwapenbezit op de desbetreffende dag. Voor het overige stelt het Gerecht vast dat het openbaar ministerie ontvankelijk is in zijn vervolging.

Het Hof verenigt zich met deze overweging en beslissing en maakt die tot de zijne.

Vonnis waarvan beroep
Het vonnis waarvan beroep – voor zover thans nog aan de orde – zal worden vernietigd, reeds omdat het Hof – anders dan het Gerecht – de verdachte van het onder 6 ten laste gelegde zal vrijspreken.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is – na wijziging van de tenlastelegging ter terechtzitting in eerste aanleg en voor zover thans nog aan de orde – ten laste gelegd :

ZAAK DIEFSTAL MET GEWELD C.Q. AFPERSING IN EEN WONING TE [NAAM WIJK1]

FEIT 1:

DIEFSTAL MET GEWELD C.Q. AFPERSING

dat hij op of omstreeks 28 april 2016, althans in of omstreeks de maand april 2016 te Curaçao, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen,

  • -

    USD 100,- althans een of meerdere geldbedragen en/of,

  • -

    NAF 700,- althans een of meerdere geldbedragen en/of,

  • -

    een DVD-speler en/of,

  • -

    een (mobiele) telefoon (van het merk Samsung) en/of,

  • -

    een paar sportschoenen (van het merk Nike) en/of,

  • -

    een (zilverkleurige) ketting en/of,

  • -

    een (zilverkleurig) (vinger)ring,

in elk geval (enig) goed(eren), geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s),

welke diefstal werd voorafgegaan en/of vergezeld en/of gevolgd van geweld en/of bedreiging met geweld tegen [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 3], gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken en/of om bij betrapping op heterdaad aan zichzelf en/of aan zijn mededader(s) hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren,

welk geweld en/of welke bedreiging met geweld bestond(en) uit,

  • -

    het van achteren benaderen van die [slachtoffer 1], en/of

  • -

    het voorhouden van een vuurwapen aan die [slachtoffer 1], en/of,

  • -

    het (vervolgens) vastpakken/beetpakken van die [slachtoffer 1] en haar binnenshuis slepen, en/of,

  • -

    het binnendringen van de woning van die [slachtoffer 1], en/of,

  • -

    het (vervolgens) vastbinden van de handen van die [slachtoffer 1] achter haar rug, en/of,

  • -

    het richten en/of gericht houden van een vuurwapen op die [slachtoffer 1], en/of,

  • -

    het (vervolgens) op een dreigende toon naar geld vragen,

(art. 2:291 lid 1, 2, 3 Wetboek van Strafrecht)

en/of

dat hij op of omstreeks 28 april 2016, althans in of omstreeks de maand april 2016 te Curaçao, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk om zich en/of (een) ander(en) wederrechtelijk te bevoordelen door geweld en/of bedreiging met geweld [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 3] heeft gedwongen tot de afgifte van,

  • -

    USD 100,- althans een of meerdere geldbedragen en/of,

  • -

    NAF 700,- althans een of meerdere geldbedragen en/of,

  • -

    een DVD-speler en/of,

  • -

    een (mobiele) telefoon (van het merk Samsung) en/of,

  • -

    een paar sportschoenen (van het merk Nike) en/of,

  • -

    een (zilverkleurige) ketting en/of,

  • -

    een (zilverkleurig) (vinger)ring en/of,

in elk geval van (enig) goed(eren), geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 3], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, en/of zijn mededader(s),

welk geweld en/of welke bedreiging met geweld hierin bestond(en),

  • -

    het van achteren benaderen van die [slachtoffer 1], en/of

  • -

    het voorhouden van een vuurwapen aan die [slachtoffer 1], en/of,

  • -

    het (vervolgens) vastpakken/beetpakken van die [slachtoffer 1] en haar binnenshuis slepen, en/of,

  • -

    het binnendringen van de woning van die [slachtoffer 1], en/of,

  • -

    het (vervolgens) vastbinden van de handen van die [slachtoffer 1] achter haar rug, en/of,

  • -

    het richten en/of gericht houden van een vuurwapen op die [slachtoffer 1], en/of,

  • -

    het (vervolgens) op een dreigende toon naar geld vragen,

(artikel 2:294 jo 2:291 lid 2/3 Wetboek van Strafrecht)

FEIT 2:

PRIMAIR: POGING MOORD CQ DOODSLAG [BENADEELDE PARTIJ1] BETREFFENDE

dat hij op of omstreeks 30 maart 2016, althans in of omstreeks de maand maart 2016 te Curaçao, ter uitvoering van het door hem, verdachte voorgenomen misdrijf om tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk en -al dan niet- met voorbedachten rade [benadeelde partij1] van het leven te beroven, met dat opzet en - al dan niet - na kalm beraad en rustig overleg met zijn mededader(s), althans alleen, één of meerdere ma(a)l(en) (met een vuurwapen) op, althans in de richting van (het lichaam) van die [benadeelde partij1] heeft geschoten, waardoor die [benadeelde partij1] aan zijn (linker)arm, althans zijn lichaam werd geraakt, zijnde de verdere uitvoering van dat door hem, verdachte, en/of zijn mededader(s) voorgenomen misdrijf niet voltooid;

(artikel 2:262, 2:259 jo 1:119 Wetboek van Strafrecht van Curaçao)

althans, indien het voorgaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden,

SUBSIDIAIR: ZWARE MISHANDELING MET EEN VUURWAPEN [BENADEELDE PARTIJ1] BETREFFENDE

dat hij op of omstreeks 30 maart 2016, althans in of omstreeks de maand maart 2016 te Curaçao, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, aan een persoon, te weten [benadeelde partij1], opzettelijk en al dan niet met voorbedachten rade zwaar lichamelijk letsel, te weten een schotverwonding in zijn (linker)arm althans zijn lichaam heeft toegebracht, door opzettelijk en/of na kalm beraad en rustig overleg, en/of met gebruikmaking van een vuurwapen, zoals bedoeld in de Vuurwapenverordening 1930, één of meerdere ma(a)l(en) op, althans in de richting van het lichaam van die [benadeelde partij1] te schieten, waardoor voornoemde [slachtoffer 4] pijn heeft ondervonden en/of lichamelijk(e) letsel(s) heeft bekomen;

(artikel 2:275, 2:276 Wetboek van Strafrecht van Curaçao)

MEER SUBSIDIAIR: POGING ZWARE MISHANDELING [BENADEELDE PARTIJ1] BETREFFENDE

dat hij op of omstreeks 30 maart 2016, althans in of omstreeks de maand maart 2016 te Curaçao, ter uitvoering van het door hem, verdachte voorgenomen misdrijf om tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, aan [benadeelde partij1] opzettelijk en al dan niet met voorbedachten rade zwaar lichamelijk letsel, te weten een of meerdere schotwonden, in elk geval verwondingen aan het (linker)arm, toe te brengen, hebbende hij, verdachte, toen en daar met een vuurwapen op, althans in de richting van die [benadeelde partij1] geschoten, zijnde de verdere uitvoering van dat door hem, verdachte, en/of zijn mededader(s) voorgenomen misdrijf niet voltooid;

(artikel 2:275/276 jo 1:119 Wetboek van Strafrecht)

MEEST SUBSIDIAIR: MISHANDELING MET GEBRUIKMAKING VAN EEN WAPEN [BENADEELDE PARTIJ1] BETREFFENDE

dat hij op of omstreeks 30 maart 2016, althans in of omstreeks de maand maart 2016 te Curaçao, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk mishandelend en/of met gebruikmaking van een wapen, als bedoeld in artikel 1, tweede lid, van de Wapenverordening 1931, te weten een vuurwapen, en al dan niet met voorbedachten rade, met het (vuist)vuurwapen op, althans in de richting van die [benadeelde partij1] heeft geschoten, tengevolge waarvan die [benadeelde partij1] lichamelijk letsel, te weten een schotwond aan het (linker)arm heeft opgelopen althans in ieder geval letsel heeft bekomen en/of pijn heeft ondervonden;

(artikel 2:273/274 Wetboek van Strafrecht)

FEIT 3:

POGING DIEFSTAL MET GEWELD IN VERENIGING

dat hij op of omstreeks 30 maart 2016, althans in of omstreeks de maand maart 2016 te Curaçao, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening weg te nemen goederen van verdachte ’s en/of zijn mededaders gading, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer 4], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s),

en daarbij die voorgenomen diefstal te doen voorafgaan en/of te doen vergezellen en/of te doen volgen van geweld en/of bedreiging met geweld tegen [slachtoffer 4], te plegen met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken en/of, om bij betrapping op heterdaad aan zichzelf en/of aan zijn mededader(s) hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, met een of meer van zijn mededader(s), althans alleen,

  • -

    het (vervolgens) binnendringen van het erf en/of winkel van die [slachtoffer 4] en/of,

  • -

    het tevoorschijn halen van een vuurwapen en/of,

  • -

    het schieten met een vuurwapen op, [benadeelde partij1] die zich binnen op het erf en/of winkel bevond,

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.

(artikel 2:291 lid 1/2/3 jo 1:119 Wetboek van Strafrecht)

DIEFSTAL MET GEWELD IN VERENIGING IN EEN WONING TE [ADRES 1]

FEIT 5:

DIEFSTAL MET GEWELD C.Q. AFPERSING

dat hij op of omstreeks 18 mei 2016, althans in of omstreeks de maand mei 2016 te Curaçao, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen,

  • -

    een geldbedrag van NAF 10.000,- en/of,

  • -

    een en/of meerdere beltegoedkaartjes (van Chippie en/of Digicel en/of Latina) en/of,

  • -

    een hoeveelheid kleingeld en/of,

  • -

    een (witkleurig) mobiele telefoon (van het merk Samsung) (type S5) (met het aansluitnummer [aansluitnummer 1]) en/of,

  • -

    een (zwartkleurig) mobiele telefoon (van het merk Sony) en/of,

  • -

    een (donkergroene) etui (inhoudende een identiteitskaart ten name van [naam kaart houder 1] en/of een SVB-kaart ten name van [naam kaart houder 1] en/of een geldbedrag van NAF 25,- en/of een geldbedrag van NAF 50,- en/of een SVB-kaart ten name van [naam kaart houder 2]),

in elk geval (enig) goed(eren), geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer 5] en/of [naam kaart houder 1] en/of [naam kaart houder 2] in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s),

welke diefstal werd voorafgegaan en/of vergezeld en/of gevolgd van geweld en/of bedreiging met geweld tegen [slachtoffer 5], gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken en/of om bij betrapping op heterdaad aan zichzelf en/of aan zijn mededader(s) hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren,

welk geweld en/of welke bedreiging met geweld bestond(en) uit,

  • -

    het drukken van een vuurwapen tegen het behaarde gedeelte van het hoofd van die Wu en/of,

  • -

    het duwen van die [slachtoffer 5] met geschoeide voeten tegen zijn rug en/of,

  • -

    het lossen van een schot in de woonkamer en/of,

  • -

    het houden van de haren van de moeder van die [slachtoffer 5] vast.

(art. 2:291 lid 1, 2, 3 Wetboek van Strafrecht)

en/of

dat hij op of omstreeks 18 mei 2016, althans in of omstreeks de maand mei 2016 te Curaçao, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk om zich en/of (een) ander(en) wederrechtelijk te bevoordelen door geweld en/of bedreiging met geweld [slachtoffer 5] heeft gedwongen tot de afgifte van,

  • -

    een geldbedrag van NAF 10.000,- en/of,

  • -

    een en/of meerdere beltegoedkaartjes (van Chippie en/of Digicel en/of Latina) en/of,

  • -

    een hoeveelheid kleingeld en/of,

  • -

    een (witkleurig) mobiele telefoon (van het merk Samsung) (type S5) (met het aansluitnummer [aansluitnummer 1]) en/of,

  • -

    een (zwartkleurig) mobiele telefoon (van het merk Sony) en/of,

  • -

    een (donkergroene) etui (inhoudende een identiteitskaart ten name van [naam kaart houder 1] en/of een SVB-kaart ten name van [naam kaart houder 1] en/of een geldbedrag van NAF 25,- en/of een geldbedrag van NAF 50,- en/of een SVB-kaart ten name van [naam kaart houder 2]),

in elk geval van (enig) goed(eren), geheel of ten dele toebehorende aan Feng, in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, en/of zijn mededader(s),

welk geweld en/of welke bedreiging met geweld hierin bestond(en) dat,

  • -

    het drukken van een vuurwapen tegen het behaarde gedeelte van het hoofd van die [slachtoffer 5] en/of,

  • -

    het duwen van die [slachtoffer 5] met geschoeide voeten tegen zijn rug en/of,

  • -

    het lossen van een schot in de woonkamer en/of,

  • -

    het houden van de haren van de moeder van die [slachtoffer 5] vast.

(artikel 2:294 jo 2:291 lid 2/3 Wetboek van Strafrecht)

DIEFSTAL MET GEWELD IN VERENIGING IN EEN WONING TE [ADRES 2]

FEIT 6:

DIEFSTAL MET GEWELD C.Q. AFPERSING

dat hij op of omstreeks 28 mei 2016, althans in of omstreeks de maand mei 2016 te Curaçao, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen,

  • -

    een geldbedrag van NAF 300,- en/of,

  • -

    een en/of meerdere beltegoedkaartjes (van Chippie en/of Digicel en/of Latina) en/of,

  • -

    een en/of meerdere pakken sigaretten en/of,

  • -

    een (vinger)ring,

in elk geval (enig) goed(eren), geheel of ten dele toebehorende aan [benadeelde partij 2] en/of [benadeelde partij 3] in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s),

welke diefstal werd voorafgegaan en/of vergezeld en/of gevolgd van geweld en/of bedreiging met geweld tegen [benadeelde partij 2], gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken en/of om bij betrapping op heterdaad aan zichzelf en/of aan zijn mededader(s) hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren,

welk geweld en/of welke bedreiging met geweld bestond(en) uit,

  • -

    het tonen van een vuurwapen aan die [benadeelde partij 2] en/of,

  • -

    het wegrukken van de (vinger)ring van die [benadeelde partij 1].

(art. 2:291 lid 1, 2, 3 Wetboek van Strafrecht)

en/of

dat hij op of omstreeks 28 mei 2016, althans in of omstreeks de maand mei 2016 te Curaçao, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk om zich en/of (een) ander(en) wederrechtelijk te bevoordelen door geweld en/of bedreiging met geweld [benadeelde partij 2] en/of [benadeelde partij 3] heeft gedwongen tot de afgifte van,

  • -

    een geldbedrag van NAF 300,- en/of,

  • -

    een en/of meerdere beltegoedkaartjes (van Chippie en/of Digicel en/of Latina) en/of,

  • -

    een en/of meerdere pakken sigaretten en/of,

  • -

    een (vinger)ring,

in elk geval van (enig) goed(eren), geheel of ten dele toebehorende aan [benadeelde partij 2] en/of [benadeelde partij 1] in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, en/of zijn mededader(s),

welk geweld en/of welke bedreiging met geweld hierin bestond(en) dat,

  • -

    het tonen van een vuurwapen aan die [benadeelde partij 2] en/of,

  • -

    het wegrukken van de (vinger)ring van die [benadeelde partij 1].

(artikel 2:294 jo 2:291 lid 2/3 Wetboek van Strafrecht)

FEIT 7:

BEZIT VUURWAPEN

dat hij op een of meerdere tijdstippen gedurende de periode van 30 maart 2016 tot 15 juni 2016, te Curaçao, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, een of meerdere vuurwapen(s), in de zin van de Vuurwapenverordening 1930, voorhanden heeft gehad.

(artikel 3 jo 11 van de Vuurwapenverordening 1930)

Vrijspraak van feit 6

Het Hof is van oordeel dat het bewijs tekortschiet om te kunnen vaststellen dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het als feit 6 ten laste gelegde. Het Hof overweegt daartoe als volgt.

De aanwijzingen voor betrokkenheid van de verdachte bij de diefstal met geweld in vereniging in het restaurant aan de [adres restaurant] op 28 mei 2016 zijn voornamelijk gebaseerd op de camerabeelden van de overval, waarop een persoon is te zien met afgedekt gezicht, die een bepaald soort grijze broek met zwarte vlakken draagt (zie het proces-verbaal verdachtmaking [verdachte] d.d. 1 september 2016, map 1, pagina 212-218). In het proces-verbaal van bevindingen camerabeelden d.d. 9 augustus 2016, map 4, pagina 1-4, relateert verbalisant [verbalisant 1] voorts dat hij de verdachte op die camerabeelden heeft herkend aan zijn manier van lopen en zijn atletisch postuur en voorts aan zijn gezichtsvorm onder het masker.

Het Hof overweegt dat de op de beelden zichtbare zwarte broek weliswaar gelijkenis vertoont met de broek die bij de verdachte is aangetroffen, maar een dergelijke broek is niet uniek, terwijl voorts niet valt uit te sluiten dat een ander dan de verdachte een dergelijke broek heeft gedragen bij de overval. Voorts heeft het Hof tijdens het onderzoek ter terechtzitting niet waargenomen dat het postuur of de manier van lopen van de verdachte dermate onderscheidend is dat een herkenning van de verdachte daaraan op camerabeelden direct voor de hand ligt. Voor wat betreft de gezichtsherkenning is het Hof van oordeel dat de gezichtsbedekking op de bij het proces-verbaal gevoegde foto zodanig is, dat een herkenning aan de hand van de gezichtsvorm niet goed voorstelbaar lijkt.

Al met al heeft het Hof teveel twijfel bij de herkenning van de verdachte door verbalisant [verbalisant 1] aan de hand van de camerabeelden.

Gelet op het vorenstaande zal de verdachte daarom van dit feit worden vrijgesproken.

Bewezenverklaring

Het Hof acht wettig en overtuigend bewezen hetgeen aan de verdachte onder 1, 2, 3, 5 en 7 ten laste is gelegd, met dien verstande:

FEIT 1:

dat hij op of omstreeks 28 april 2016, althans in of omstreeks de maand april 2016 te Curaçao, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen,

 USD 100,- althans een of meerdere geldbedragen en/of,

 NAF 700,- althans een of meerdere geldbedragen en/of,

 een DVD-speler en/of,

 een (mobiele) telefoon (van het merk Samsung) en/of,

 een paar sportschoenen (van het merk Nike) en/of,

 een (zilverkleurige) ketting en/of,

 een (zilverkleurig) (vinger)ring,

in elk geval (enig) goed(eren), geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s),

welke diefstal werd voorafgegaan en/of vergezeld en/of gevolgd van geweld en/of bedreiging met geweld tegen [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 3], gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en/of gemakkelijker te maken en/of om bij betrapping op heterdaad aan zichzelf en/of aan zijn mededader(s) hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren,

welk geweld en/of welke bedreiging met geweld bestond(en) uit,

 het van achteren benaderen van die [slachtoffer 1], en/of

het voorhouden van een vuurwapen aan die [slachtoffer 1], en/of,

 het (vervolgens) vastpakken/beetpakken van die [slachtoffer 1] en haar binnenshuis slepen, en/of,

het binnendringen van de woning van die [slachtoffer 1], en/of,

 het (vervolgens) vastbinden van de handen van die [slachtoffer 1] achter haar rug, en/of,

 het richten en/of gericht houden van een vuurwapen op die [slachtoffer 1], en/of,.

 het (vervolgens) op een dreigende toon naar geld vragen,

FEIT 2:

PRIMAIR:

dat hij op of omstreeks 30 maart 2016, althans in of omstreeks de maand maart 2016 te Curaçao, ter uitvoering van het door hem, verdachte, voorgenomen misdrijf om tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk en -al dan niet- met voorbedachten rade [benadeelde partij 1] van het leven te beroven, met dat opzet en - al dan niet - na kalm beraad en rustig overleg met zijn mededader(s), althans alleen, één of meerdere ma(a)l(en) (met een vuurwapen) op, althans in de richting van (het lichaam) van die [benadeelde partij 1] heeft geschoten, waardoor die [benadeelde partij 1] aan zijn (linker)arm, althans zijn lichaam werd geraakt, zijnde de verdere uitvoering van dat door hem, verdachte, en/of zijn mededader(s) voorgenomen misdrijf niet voltooid,

FEIT 3:

dat hij op of omstreeks 30 maart 2016, althans in of omstreeks de maand maart 2016 te Curaçao, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening weg te nemen goederen van verdachtes en/of zijn mededaders gading, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer 4], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s),

en daarbij die voorgenomen diefstal te doen voorafgaan en/of te doen vergezellen en/of te doen volgen van geweld en/of bedreiging met geweld tegen [slachtoffer 4], te plegen met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en/of gemakkelijker te maken en/of, om bij betrapping op heterdaad aan zichzelf en/of aan zijn mededader(s) hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, met een of meer van zijn mededader(s), althans alleen,

het (vervolgens) binnendringen van het erf en/of winkel van die [slachtoffer 4] is binnengedrongen en/of,

het tevoorschijn halen van een vuurwapen tevoorschijn heeft gehaald en/of,

het schieten met een vuurwapen op, [benadeelde partij 1] die zich binnen op het erf en/of winkel bevond heeft geschoten,

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.

FEIT 5:

dat hij op of omstreeks 18 mei 2016, althans in of omstreeks de maand mei 2016 te Curaçao, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen,

 een geldbedrag van NAF 10.000,- en/of,

een en/of meerdere beltegoedkaartjes (van Chippie en/of Digicel en/of

Latina) en/of,

 een hoeveelheid kleingeld en/of,

 een (witkleurig) mobiele telefoon (van het merk Samsung) (type S5) (met

het aansluitnummer [aansluitnummer 1]) en/of,

 een (zwartkleurig) mobiele telefoon (van het merk Sony) en/of,

 een (donkergroene) etui (inhoudende een identiteitskaart ten name van [naam kaart houder 1] en/of een SVB-kaart ten name van [naam kaart houder 1] en/of een geldbedrag van NAF 25,- en/of een geldbedrag van NAF 50,- en/of een SVB-kaart ten name van [naam kaart houder 2]),

in elk geval (enig) goed(eren), geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer 5] en/of [naam kaart houder 1] en/of [naam kaart houder 2] in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s),

welke diefstal werd voorafgegaan en/of vergezeld en/of gevolgd van geweld en/of bedreiging met geweld tegen [benadeelde partij 2], gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en/of gemakkelijker te maken en/of om bij betrapping op heterdaad aan zichzelf en/of aan zijn mededader(s) hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren,

welk geweld en/of welke bedreiging met geweld bestond(en) uit,

 het drukken van een vuurwapen tegen het behaarde gedeelte van het hoofd van die [benadeelde partij 2] en/of,

 het duwen van die [benadeelde partij 2] met geschoeide voeten tegen zijn rug en/of,

 het lossen van een schot in de woonkamer en/of,

het houden van de haren van de moeder van die [benadeelde partij 2] vast.

FEIT 7:

BEZIT VUURWAPEN

dat hij op een of meerdere tijdstippen gedurende de periode van 30 maart 2016 tot 15 juni 2016, te Curaçao, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, een of meerdere vuurwapen(s), in de zin van de Vuurwapenverordening 1930, voorhanden heeft gehad.

Het Hof acht niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hierboven bewezen is verklaard, zodat hij daarvan zal worden vrijgesproken.

De in de tenlastelegging voorkomende taal- en/of schrijffouten of omissies zijn verbeterd; omwille van de leesbaarheid zijn ook wijzigingen aangebracht in de bewezenverklaring (cursief). De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Bewijsmiddelen

Indien tegen dit vonnis beroep in cassatie wordt ingesteld, worden de door het Hof gebruikte bewijsmiddelen die redengevend zijn voor de bewezenverklaring opgenomen in een aanvulling op het vonnis. Deze aanvulling zal vervolgens aan het vonnis worden gehecht.

Daarbij wordt opgemerkt dat ieder bewijsmiddel, ook in zijn onderdelen, slechts wordt gebruikt tot bewijs van dat bewezen verklaarde feit, of die bewezen verklaarde feiten, waarop het blijkens zijn inhoud betrekking heeft en, voor zover het een geschrift als bedoeld in artikel 387, eerste lid, aanhef, onder e Sv betreft, telkens slechts wordt gebezigd in verband met de inhoud van de andere bewijsmiddelen.

Voorts wordt opgemerkt dat in de bewijsmiddelen geen (expliciete) landsaanduiding is opgenomen, maar dat algemeen bekend is dat de in die bewijsmiddelen wel opgenomen plaatsen zijn gelegen in Curaçao.

Bewijsoverwegingen

Door de raadsvrouw is bepleit dat de verdachte van de tenlastelegging dient te worden vrijgesproken, omdat:

( a) de verdachte niet bij deze feiten betrokken is geweest;

( b) de verklaringen van getuige [getuige 1] als onbetrouwbaar terzijde dienen te worden gesteld, omdat deze een financieel belang zou hebben om in het nadeel van de verdachte te verklaren;

( c) met betrekking tot feit 2 van (voorwaardelijk) opzet op de dood van [benadeeldepartij 1] geen sprake is geweest.

Ad a.
Dat de verdachte niet bij de feiten 1, 2, 3, 5 en 7 betrokken zou zijn geweest, vindt weerlegging in de bewijsmiddelen. Met betrekking tot feit 5 wijst het Hof in het bijzonder nog op het proces-verbaal van bevinding/stemherkenning van de verdachte d.d. 10 oktober 20172, opgemaakt door verbalisant [verbalisant 2], waarin deze relateert dat hij de stem van de verdachte herkent in het telefoongesprek van 19 mei 2016 dat de verdachte voerde met de telefoon met IMEI-nummer [IMEI-nummer], hetgeen de weggenomen telefoon bij feit 5 bleek te zijn. De verbalisant heeft dit gesprek vergeleken met gesprekken van 1 en 13 mei 2016 en in elk van deze gesprekken heeft hij de stem van de verdachte herkend.

Voor wat betreft de stelling van de verdachte dat de politie het bewijs (daaronder begrepen het DNA-bewijs en het dactyloscopisch bewijs) zou hebben gemanipuleerd omdat hij een relatie zou hebben onderhouden met de echtgenote van een politieambtenaar, is het Hof van oordeel dat enige onderbouwing van dit verweer achterwege is gebleven en dat het verweer ook overigens op geen enkele wijze aannemelijk is geworden.

Het Hof verwerpt mitsdien het verweer.

Ad b.
Het Hof acht de tot het bewijs gebezigde verklaringen van getuige [getuige 1] betrouwbaar. Door hem zijn in de kern consistente en gedetailleerde verklaringen afgelegd, te weten dat de verdachte betrokken is geweest bij de feiten 1, 2 en 3. Daarenboven vinden zijn verklaringen steun in de overige bewijsmiddelen. Dat de getuige een financieel belang zou hebben gehad om in het nadeel van de verdachte te verklaren, is op geen enkele wijze onderbouwd en ook overigens niet aannemelijk geworden. Het andersluidende verweer van de raadsvrouw wordt dan ook verworpen.

Ad c.

Voorwaardelijk opzet

Het Hof stelt voorop dat het met een vuurwapen kogels afvuren op het lichaam van een persoon naar algemene ervaringsregels de aanmerkelijke kans in zich bergt van de dood van die persoon. In het lichaam bevinden zich immers kwetsbare en vitale organen. Een verwonding aan dergelijke kwetsbare en vitale delen van het lichaam kan levensbedreigend zijn en gemakkelijk tot de dood leiden. Dat in casu sprake was van een aanmerkelijke kans dat het latere slachtoffer zou worden geraakt in voornoemde delen van het lichaam, blijkt temeer uit de omstandigheid dat één van de kogels het slachtoffer daadwerkelijk heeft geraakt. Dat de verdachte zich van die aanmerkelijke kans niet bewust zou zijn geweest, is niet aannemelijk geworden.

Gelet op de uiterlijke verschijningsvorm van de gedragingen van de verdachte, zoals die naar voren komen uit de gebezigde bewijsmiddelen, te weten het doelbewust met een vuurwapen kogels afvuren op het lichaam van het slachtoffer [benadeelde partij 1], waarbij genoemde [benadeelde partij 1] bovendien aan de arm is geraakt, heeft de verdachte bewust de aanmerkelijke kans aanvaard dat hij een of meer kwetsbare en vitale delen van het lichaam van [benadeelde partij 1] zou raken en aldus het slachtoffer van het leven zou beroven.

Mitsdien acht het Hof opzet in voorwaardelijke zin aan de zijde van de verdachte op het van het leven beroven van het slachtoffer aanwezig, zoals hiervoor bewezen verklaard.

Het Hof verwerpt dan ook het andersluidende verweer van de verdediging dat de verdachte dient te worden vrijgesproken van de onder 2 ten laste gelegde poging tot doodslag.

Hetgeen de raadsvrouw overigens nog heeft aangevoerd doet aan al hetgeen hiervoor is overwogen niet af en leidt niet tot een ander oordeel.

Ambtshalve overweging

Tot slot merkt het Hof nog het navolgende op.

Het Hof heeft tot het bewijs gebezigd de verklaring van E6, de persoon die in onderhavige kwestie – kort gezegd – als anonieme getuige is gehoord overeenkomstig het bepaalde in artikel 261 van het Wetboek van Strafvordering (Sv), en zal deze hierna aanduiden als E6.

Op grond van artikel 385 lid 4 Sv kan de verklaring van E6, alleen dan als bewijsmateriaal worden gebezigd, indien belangrijke steun aan ander gebezigd bewijsmateriaal kan worden ontleend. Op grond van artikel 403 lid 1 Sv moet, indien het bewijs mede wordt aangenomen op grond van deze verklaring, in het vonnis daarvan in het bijzonder de reden blijken. Deze bijzondere motivering dient betrekking te hebben op zowel de toelaatbaarheid als de betrouwbaarheid van de anonieme getuige.

E6 is in juli 2016 door de rechter-commissaris onder ede gehoord. De rechter-commissaris was van oordeel dat de getuige met het oog op de af te leggen verklaring zich zodanig bedreigd moest achten dat, naar redelijkerwijze moest worden aangenomen, ernstig gevaar voor het leven bestond. De rechter-commissaris heeft daarop bepaald dat de getuige op zodanige wijze zou worden verhoord, dat de identiteit van de getuige geheel verborgen zou blijven. Daarmee heeft de rechter-commissaris naar het oordeel van het Hof afdoende gemotiveerd om welke reden de getuige is aangemerkt als een bedreigde getuige in de zin van artikel 261 Sv. Voorts is gesteld noch gebleken dat overigens aan de wijze van totstandkoming of aan de inhoud van de door de rechter-commissaris ingevolge dat artikel ten aanzien van de getuige gegeven bevelen zodanige fundamentele gebreken kleven, dat gebruikmaking van de resultaten van die verhoren op gespannen voet komt te staan met het recht op een eerlijk proces als bedoeld in artikel 6 van het Europees Verdrag tot Bescherming van de Rechten van de Mens en de Fundamentele Vrijheden (EVRM).

Het Hof acht de verklaring van E6 gelet op het vorenstaande dan ook toelaatbaar tot het bewijs.

Het Hof is zich er van bewust dat het bijzondere behoedzaamheid in acht behoort te nemen bij het gebruik van de verklaring van E6. Het Hof acht die verklaring evenwel betrouwbaar en bruikbaar voor het bewijs, omdat voor de inhoud daarvan belangrijke steun aan het ander gebezigd bewijsmateriaal kan worden ontleend.

Strafbaarheid en kwalificatie van het bewezen verklaarde

Het onder 1 bewezen verklaarde is voorzien bij en strafbaar gesteld in artikel 2:291, eerste lid, juncto artikel 2:289 onder a van het Wetboek van Strafrecht. Het wordt als volgt gekwalificeerd:

Diefstal, voorafgegaan en vergezeld van geweld en bedreiging met geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en gemakkelijker te maken, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen.

Het onder 2 primair bewezen verklaarde is voorzien bij en strafbaar gesteld in artikel 2:259 juncto artikel 1:119 van het Wetboek van Strafrecht. Het wordt als volgt gekwalificeerd:

Poging tot doodslag.

Het onder 3 bewezen verklaarde is voorzien bij en strafbaar gesteld in artikel 2:291, eerste lid juncto artikel 2:289 onder a en artikel 1:119 van het Wetboek van Strafrecht. Het wordt als volgt gekwalificeerd:

Poging tot diefstal, voorafgegaan en vergezeld van geweld en bedreiging met geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en gemakkelijker te maken, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen.

Het onder 5 bewezen verklaarde is voorzien bij en strafbaar gesteld in artikel 2:291, eerste lid, juncto artikel 2:289 onder a van het Wetboek van Strafrecht. Het wordt als volgt gekwalificeerd:

Diefstal, voorafgegaan en vergezeld van geweld en bedreiging met geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en gemakkelijker te maken, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen.

Het onder 7 bewezen verklaarde is voorzien bij en strafbaar gesteld in artikel 3, eerste lid, juncto artikel 11 van de Vuurwapenverordening 1930. Het wordt als volgt gekwalificeerd:

Overtreding van een verbod gesteld bij artikel 3, eerste lid, van de Vuurwapenverordening, meermalen gepleegd.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezen verklaarde uitsluiten.

Strafbaarheid van de verdachte

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluiten.

De verdachte is daarom strafbaar voor het hiervoor bewezen verklaarde.

Oplegging van straf

Bij de bepaling van de op te leggen straf wordt gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezen verklaarde is begaan, op de mate waarin de gedraging aan de verdachte te verwijten is en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen. Daarbij wordt rekening gehouden met de ernst van het bewezen verklaarde in verhouding tot andere strafbare feiten, zoals die onder meer tot uitdrukking komt in de hierop gestelde wettelijke strafmaxima en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd.

De verdachte heeft zich in 2016 in een periode van ruim drie maanden, in vereniging met een ander of anderen schuldig gemaakt aan twee gewapende overvallen en een poging daartoe. Bij laatstgenoemd feit heeft hij zich bovendien schuldig gemaakt aan een poging tot doodslag door op politieagent [benadeelde partij 1] te schieten. Ook waren bij één van die feiten kinderen aanwezig in de woning die werd overvallen. In al deze gevallen werden één of meer vuurwapen(s) meegenomen, waarmee geschoten of gedreigd is.

Gewapende overvallen veroorzaken niet alleen de nodige materiële schade, maar maken ook een forse inbreuk op de lichamelijke integriteit van de slachtoffers en vormen voor hen een heftige en traumatische ervaring. De verdachte heeft hier geen oog voor gehad en zich kennelijk louter laten leiden door zijn zucht naar financieel gewin. Feiten als de onderhavige plegen voorts de rechtsorde ernstig te schokken en gevoelens van angst en onveiligheid in de samenleving te versterken. Het Hof rekent dit de verdachte ernstig aan.

Naar het oordeel van het Hof kan gelet op de ernst van het bewezen verklaarde niet worden volstaan met een andere of lichtere sanctie dan een straf die een langdurige onvoorwaardelijke vrijheidsbeneming met zich brengt.

Voor een gewapende overval waarbij vuurwapens worden gehanteerd, wordt in de regel een gevangenisstraf van minimaal vier jaren opgelegd. Wanneer een dergelijk feit in vereniging wordt gepleegd, of in woningen plaatsvindt of er sprake is van minder weerbare slachtoffers, zoals kinderen, leidt dat in de regel tot strafverhoging. Voor een poging tot doodslag met een vuurwapen wordt voorts in de regel een gevangenisstraf van minimaal vijf tot zes jaren opgelegd.

Gelet op het vorenstaande is het Hof van oordeel dat de bewezen verklaarde feiten in beginsel minimaal dezelfde straf rechtvaardigen als de door het Gerecht opgelegde gevangenisstraf van twaalf jaren. Dat de verdachte van feit 6 is vrijgesproken, terwijl het Gerecht hem mede daarvoor heeft veroordeeld, leidt gelet op het vorenstaande desondanks niet tot een lagere straf. Gelet op het bepaalde in artikel 395 lid 3 Sv neemt het Hof deze beslissing met eenparigheid van stemmen.

Bij het vorenstaande is op de voet van artikel 1:138, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht rekening gehouden met de veroordeling die na de onderhavige bewezen verklaarde feiten heeft plaatsgevonden.

Het Hof is, na dit een en ander te hebben afgewogen, tot de slotsom gekomen dat een gevangenisstraf van 12 jaren passend en geboden is.

Het Hof is met het Gerecht van oordeel dat de overschrijding van de termijn van twee jaren voor de behandeling in eerste aanleg onder de door het Gerecht geschetste omstandigheden geen schending van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 EVRM oplevert. Het Hof verenigt zich met de motivering van het Gerecht en maakt die tot de zijne. Ten overvloede overweegt het Hof dat, ware dit anders geweest, de voortvarende behandeling in hoger beroep ertoe zou hebben geleid dat voor enige strafvermindering geen plaats is.

Zoals hiervoor weergegeven onder “omvang van het hoger beroep”, dient het Hof de straf voor de feiten in de in eerste aanleg gevoegde zaak met parketnummer 500.00166/18 (onderzoek Escape) te bepalen. Het Gerecht heeft het navolgende overwogen:

“Daarnaast heeft de verdachte die zich uit andere hoofde in detentie bevindt, (Hof: zich) in maart 2018 schuldig gemaakt aan vernieling van voorwerpen in zijn cel, teneinde zich aan zijn detentie te kunnen onttrekken en te kunnen vluchten. Het Gerecht houdt ten aanzien van deze twee feiten echter rekening met de gevolgen voor de detentieomstandigheden die dit voor de verdachte heeft gehad (…) Het Gerecht zal ten aanzien van deze twee feiten geen straf opleggen.”

Het Hof verenigt zich met deze overweging en beslissing en maakt die tot de zijne.

Voorlopige hechtenis

De verdachte is uit anderen hoofde gedetineerd in het SDKK.

Gelet op de bewezenverklaarde feiten is het Hof ambtshalve van oordeel dat ernstige bezwaren aanwezig zijn. Voorts is het Hof gelet op de ernst van de feiten van oordeel dat de 6-jaarsgrond en de ernstig geschokte rechtsorde ook op dit moment nog aan de orde zijn. Het Hof zal daarom de gevangenneming van de verdachte bevelen.

Schadevergoeding

De benadeelde partij [benadeeldepartij 1] heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedroeg NAf 477,-- ter zake van materiële schade en NAf 4.711,25 ter zake van immateriële schade. De vordering van de benadeelde partij is bij vonnis waarvan beroep toegewezen tot een bedrag van NAf 4.711,25 ter zake van immateriële schade. De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep niet opnieuw gevoegd ter zake van het niet toegewezen gedeelte van de vordering, zodat dat deel van zijn vordering in hoger beroep niet meer aan de orde is. De voeging duurt van rechtswege voort in hoger beroep voor zover de vordering is toegewezen.

De verdediging heeft de vordering niet inhoudelijk betwist, maar slechts aangevoerd dat in geval van vrijspraak de benadeelde partij in de vordering niet-ontvankelijk dient te worden verklaard.

Uit het onderzoek ter terechtzitting is het Hof genoegzaam gebleken dat de benadeelde partij [benadeeldepartij 1] als gevolg van verdachtes onder 2 en 3 bewezen verklaarde handelen rechtstreeks immateriële schade heeft geleden. Het Hof zal, evenals het Gerecht, de omvang van die schade naar billijkheid vaststellen op het gevorderde bedrag van NAf 4.711,25. De verdachte is tot vergoeding van die schade gehouden, zodat de vordering tot dat bedrag toewijsbaar is.

Het Hof ziet aanleiding daarbij een schadevergoedingsmaatregel als bedoeld in artikel 1:78 van het Wetboek van Strafrecht aan de verdachte op te leggen.

Voor het geval volledige betaling of volledig verhaal van het verschuldigde bedrag niet volgt, zal vervangende hechtenis van na te melden duur worden opgelegd.

De benadeelde partij [benadeeldepartij 2] heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedroeg NAf 835,-- ter zake van materiële schade . De vordering van de benadeelde partij is bij vonnis waarvan beroep toegewezen. De voeging duurt van rechtswege voort in hoger beroep.

De verdediging heeft de vordering niet inhoudelijk betwist, maar slechts aangevoerd dat in geval van vrijspraak de benadeelde partij in de vordering niet-ontvankelijk dient te worden verklaard.

Uit het onderzoek ter terechtzitting is het Hof genoegzaam gebleken dat de benadeelde partij [benadeeldepartij 2] als gevolg van verdachtes onder 5 bewezen verklaarde handelen rechtstreeks materiële schade heeft geleden tot het gevorderde bedrag van NAf 835,--. De verdachte is tot vergoeding van die schade gehouden, zodat de vordering tot dat bedrag toewijsbaar is.

Het Hof ziet aanleiding daarbij een schadevergoedingsmaatregel als bedoeld in artikel 1:78 van het Wetboek van Strafrecht aan de verdachte op te leggen.

Voor het geval volledige betaling of volledig verhaal van het verschuldigde bedrag niet volgt, zal vervangende hechtenis van na te melden duur worden opgelegd.

De benadeelde partij [benadeeldepartij 3] heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt NAf 1.450,--. De vordering van de benadeelde partij is bij vonnis waarvan beroep toegewezen. De voeging duurt van rechtswege voort in hoger beroep.

Nu de verdachte wordt vrijgesproken ter zake van het als feit 6 ten laste gelegde handelen waardoor de gestelde schade veroorzaakt zou zijn, kan de benadeelde partij niet in de vordering worden ontvangen.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf is, behalve op de reeds aangehaalde wettelijke voorschriften, gegrond op de artikelen 1:136, 1:138 en 1:224 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

BESLISSING

Het Hof:

verklaart het openbaar ministerie niet-ontvankelijk in de strafvervolging van de verdachte ten aanzien van feit 7 in de zaak met parketnummer 500.00072/17 (onderzoek Castorweg) voor zover dat ziet op de datum van 15 juni 2016;

vernietigt het vonnis van het Gerecht in eerste aanleg voor zover aan het oordeel van het Hof onderworpen en doet in zoverre opnieuw recht;

verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte als feit 6 in de zaak met parketnummer 500.00072/17 ten laste is gelegd en spreekt hem daarvan vrij;

verklaart wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte de als feit 1, feit 2 primair, feit 3, feit 5 en feit 7 in de zaak met parketnummer 500.00072/17 ten laste gelegde feiten heeft begaan;

verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hierboven bewezen is verklaard en spreekt hem daarvan vrij;

kwalificeert het bewezen verklaarde als hiervoor omschreven;

verklaart het bewezen verklaarde strafbaar en de verdachte daarvoor strafbaar;

veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de 12 (twaalf) jaren;

beveelt dat de tijd die door de verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht;

bepaalt dat ter zake van de niet aan het oordeel van het Hof onderworpen door het Gerecht in eerste aanleg bewezen verklaarde en gekwalificeerde feiten onder parketnummer 500.00166/18 geen straf of maatregel wordt opgelegd;

wijst de vordering tot vergoeding van de door de benadeelde partij [benadeeldepartij 1] geleden schade toe tot een bedrag van NAf 4.711,25 (vierduizend zevenhonderdelf gulden en vijfentwintig cent) en veroordeelt de verdachte om dit bedrag tegen een behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan de benadeelde partij;

veroordeelt de verdachte in de kosten door de benadeelde partij [benadeeldepartij 1] gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging alsnog te maken;

legt aan de verdachte als schadevergoedingsmaatregel ten behoeve van de benadeelde partij [benadeeldepartij 1] de verplichting op tot betaling aan het Land van een bedrag van NAf 4.711,25 (vierduizend zevenhonderdelf gulden en vijfentwintig cent), bij gebreke van betaling of verhaal te vervangen door 57 dagen hechtenis, met dien verstande dat toepassing van de vervangende hechtenis de betalingsverplichting niet opheft;

bepaalt dat, indien de verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan het Land daarmee zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij in zoverre komt te vervallen en andersom dat, indien de verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij daarmee zijn verplichting tot betaling aan het Land in zoverre komt te vervallen;

wijst de vordering tot vergoeding van de door de benadeelde partij [benadeeldepartij 2] geleden schade toe tot een bedrag van NAf 835,-- (achthonderdvijfendertig gulden) en veroordeelt de verdachte om dit bedrag tegen een behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan de benadeelde partij;

veroordeelt de verdachte in de kosten door de benadeelde partij [benadeeldepartij 2] gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging alsnog te maken;

legt aan de verdachte als schadevergoedingsmaatregel ten behoeve van de benadeelde partij [benadeeldepartij 2] de verplichting op tot betaling aan het Land van een bedrag van NAf 835,-- (achthonderdvijfendertig gulden), bij gebreke van betaling of verhaal te vervangen door 16 dagen hechtenis, met dien verstande dat toepassing van de vervangende hechtenis de betalingsverplichting niet opheft;

bepaalt dat, indien de verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan het Land daarmee zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij in zoverre komt te vervallen en andersom dat, indien de verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij daarmee zijn verplichting tot betaling aan het Land in zoverre komt te vervallen;

verklaart de benadeelde partij [benadeeldepartij 3] niet-ontvankelijk in de vordering en bepaalt dat deze de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen;

veroordeelt de benadeelde partij [benadeeldepartij 3] in de door de verdachte gemaakte kosten voor zover die betrekking hebben op de vordering van de benadeelde partij, begroot op nihil;

beveelt de gevangenneming van de verdachte.

Dit vonnis is gewezen door mr. A.J.M. van Gink, mr. S.A. Carmelia en mr. H. de Doelder, leden van het Hof, bijgestaan door mr. R.J. Gras, zittingsgriffier, en op 4 juli 2019 uitgesproken in tegenwoordigheid van de griffier ter openbare terechtzitting van het Hof in Curaçao.

Mr. H. de Doelder is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.

uitspraakgriffier:

1 Hierna zal nog slechts worden gesproken over: de feiten 1, 2, 3, 5, 6 en 7. Het parketnummer 500.00072/17 zal (behalve in het dictum) worden weggelaten.

2 Los proces-verbaal met nummer 201710111100/01 d.d. 10 oktober 2017.