Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:OGHACMB:2019:155

Instantie
Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba
Datum uitspraak
30-07-2019
Datum publicatie
15-08-2019
Zaaknummer
AR2014/171 –SXM2017H00038
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

verkrijgende verjaring

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Burgerlijke zaken over 2019

Registratienummers: AR2014/171 –SXM2017H00038

Uitspraak: 30 juli 2019

GEMEENSCHAPPELIJK HOF VAN JUSTITIE

van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en

van Bonaire, Sint Eustatius en Saba

V O N N I S

in de zaak van:

[APPELLANT],

wonend in Sint Maarten,

oorspronkelijk eiser,

thans appellant,

gemachtigde: E.I. Maduro,

tegen

1. de gezamenlijke erfgenamen van [GEÏNTIMEERDE sub 1],

2. de gezamenlijke erfgenamen van [GEÏNTIMEERDE sub 2],

3. de gezamenlijke erfgenamen van [GEÏNTIMEERDE sub 3],

wonend in Sint Maarten,

oorspronkelijk gedaagden,

thans geïntimeerden,

gemachtigde: mr. R.A. Groeneveldt.

Partijen worden hierna [appellant] en de erven [geïntimeerden] genoemd.

1 Het verloop van de procedure

1.1

Voor hetgeen in eerste aanleg is gesteld en gevorderd, voor de procesgang aldaar en voor de overwegingen en beslissingen van het Gerecht in eerste aanleg van Sint Maarten (hierna: het Gerecht) wordt verwezen naar de tussen partijen in deze zaak gewezen vonnissen van 3 november 2015 en 4 april 2017. De inhoud daarvan geldt als hier ingevoegd.

1.2

Bij akte van appel van 12 mei 2017 is [appellant] van het vonnis van 4 april 2017 in hoger beroep gekomen. Bij op 22 juni 2017 ingekomen memorie van grieven heeft hij grieven tegen het vonnis aangevoerd. Deze strekken ertoe dat het Hof het bestreden vonnis zal vernietigen, zijn vordering alsnog zal toewijzen en de erven [geïntimeerden] zal veroordelen in de proceskosten in beide instanties.

1.3

De erven [geïntimeerden] hebben een memorie van antwoord ingediend. Zij hebben geconcludeerd tot bevestiging van het bestreden vonnis en veroordeling van [appellant] in hun proceskosten in hoger beroep.

1.4 [

appellant] heeft schriftelijk gepleit.

1.5

Vonnis is gevraagd en nader bepaald op vandaag.

2 De beoordeling

2.1 [

appellant] heeft in deze zaak gevorderd dat – kort gezegd – voor recht wordt verklaard dat hij door extinctieve verjaring (in 2009) de eigendom heeft verkregen van het perceel grond bekend als [perceel A], groot 200 m2, en het perceel grond bekend als [perceel B], meetbrief SXM LPQ [nummer], groot 419 m2 (hierna: de percelen). Hij heeft daaraan – kort samengevat - het volgende ten grondslag gelegd. In de jaren tachtig van de vorige eeuw heeft [appellant] de percelen in bezit genomen doordat hij daarop twee appartementen heeft gebouwd, die hij sindsdien zelf bewoont en verhuurt. Dit bezit bestond nog in het jaar 2009 en was tot die tijd gedurende twintig jaar ononderbroken gebleven.. Nu hij als bezitter niet te goeder trouw de percelen in bezit had toen in 2009 de verjaringstermijn van de rechtsvordering tot beëindiging van het bezit verstreek, zijn de percelen in dat jaar overgegaan in zijn vermogen, aldus [appellant].

2.2

Op grond van de artikelen 3:105 lid 1 juncto artikel 3:314 BW kan een bezitter niet te goeder trouw een (register)goed verkrijgen op het tijdstip waarop de verjaring van de rechtsvordering strekkende tot beëindiging van het bezit van dat goed wordt voltooid. Op grond van het toepasselijke overgangsrecht betreft deze verjaringstermijn (van artikel 3:306 BW) in de onderhavige zaak twintig jaar.

2.3

Het Gerecht heeft geoordeeld dat [appellant] dient te bewijzen dat hij de percelen 20 jaar of meer in bezit heeft gehad en hem toegelaten tot het bewijs van zijn stelling dat hij door verkrijgende (het Hof begrijpt: extinctieve) verjaring de eigendom van de percelen heeft verworven.

2.4 [

appellant] heeft vervolgens drie getuigen doen horen, namelijk [naam 1], [naam 2] en [naam 3].

2.5

Het Gerecht heeft geoordeeld dat [appellant] niet is geslaagd in zijn bewijsopdracht. Daaraan heeft het ten grondslag gelegd dat de drie getuigen verschillend hebben verklaard over het jaar waarin [appellant] de percelen voor zichzelf is gaan gebruiken door deze bouwrijp te maken en te bebouwen, te weten 1983, 1996 en 2006. Verder heeft het Gerecht gewicht toegekend aan het feit dat geen enkel schriftelijk bewijs van de inbezitname door [appellant] is overgelegd, zoals een bouwvergunning, stukken waaruit blijkt van water- of energieleverantie door GEBE, facturen voor bouwmaterialen en bewijzen van ontvangen huur.

2.6

De grieven richten zich – kort gezegd – tegen de door het Gerecht gegeven bewijsopdracht alsmede tegen de bewijswaardering met betrekking tot de duur van de inbezitneming van de percelen.. Deze grieven falen op grond van het volgende.

2.7

Hoewel aan [appellant] kan worden toegegeven dat het verweer van [geïntimeerden] niet erg krachtig is – het lijkt te getuigen van enkele juridische misvattingen en het laat bovendien ook veel onduidelijkheid bestaan over de feitelijke situatie (het gebruik, de bebouwing en het beheer van de percelen - geeft het, gelet ook op de ingrijpende gevolgen die de verjaring heeft, voldoende aanleiding om [appellant], wiens stellingen evenmin heel concreet zijn te noemen, te laten bewijzen dat en wanneer hij bezitter van de percelen is geworden. Met het Gerecht constateert het Hof dat, bij het ontbreken van schriftelijke bewijsstukken de tegenstrijdige (en wegens de strijd met de schriftelijke verklaringen ook weinig geloofwaardige) verklaringen van de door [appellant] zelf voorgebrachte getuigen fataal zijn voor de vordering. Twee van de drie getuigen leggen het moment waarop [appellant] zou zijn begonnen met het voorbereiden van de bebouwing immers op een tijdstip dat minder dan twintig jaar voor de aanvang van deze procedure is gelegen. De door de getuige [naam 3]genoemde datum 2006 sluit bovendien uit dat de verjaringstermijn tijdens dit geding zou zijn voltooid, indien zou moeten worden aangenomen dat [appellant] thans inderdaad (nog) de bezitter is. Van herneming van het bezit door de erven [geïntimeerden] of een stuitingshandeling is namelijk niet gebleken.

2.7 [

appellant] heeft terecht naar voren gebracht dat voor zover er ook al sprake was van een onrechtmatige situatie toen hij bezitter werd (hij heeft het onder meer over een zekere Pick wiens bezit hij zou hebben voortgezet), de duur van deze situatie meetelt voor de verjaringstermijn (artikel 3:314 lid 2 BW). Zijn stellingen (en de verklaring van [naam 2]) op dit punt zijn echter te weinig concreet en ze worden door de erven [geïntimeerden] ook (net) voldoende betwist.

2.8 [

appellant] heeft overigens in hoger beroep geen voldoende gespecificeerd (nader) bewijsaanbod gedaan, zodat ook hierom voor bewijslevering geen plaats is.

2.9 [

appellant] zal als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de proceskosten van de erven [geïntimeerden]. Deze worden begroot op NAf 4.000,- aan salaris van de gemachtigde en NAf 249,50 aan betekeningskosten.

3 De beslissing

Het Hof:

- bevestigt het bestreden vonnis;

- veroordeelt [appellant] tot betaling aan de erven [geïntimeerden] van NAf 4.249,50 aan proceskosten in hoger beroep.

Dit vonnis is gewezen door mrs. H.J. Fehmers, F.W.J. Meijer en M.B. van den Enden, leden van het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba en ter openbare terechtzitting van het Hof in Curaçao uitgesproken op 30 juli 2019 in tegenwoordigheid van de griffier.