Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:OGHACMB:2019:149

Instantie
Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba
Datum uitspraak
30-07-2019
Datum publicatie
14-08-2019
Zaaknummer
CUR201501225 – CUR2016H00095
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Tussenuitspraak
Inhoudsindicatie

rechtsverwerking, creëren en laten voortbestaan onduidelijke situatie, bewijswaardering, vervolg op ECLI:NL:OGHACMB:2019:16

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Burgerlijke zaken over 2019

Registratienummers: CUR201501225 – CUR2016H00095

Uitspraak: 30 juli 2019

GEMEENSCHAPPELIJK HOF VAN JUSTITIE

van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en

van Bonaire, Sint Eustatius en Saba

V O N N I S

in de zaak van:

de naamloze vennootschap

DRICOMA TRADING COMPANY N.V.,

gevestigd in Curaçao,

oorspronkelijk eiseres, thans appellante, tevens geïntimeerde,

gemachtigden: mr. D.A. Matroos-Piar en T.E. Matroos,

tegen

de naamloze vennootschap

EUROPE WEST INDIAN TRADING COMPANY N.V.,

gevestigd in Curaçao,

oorspronkelijk gedaagde, thans appellante, tevens geïntimeerde,

gemachtigden: mr. A.C. Small.

Partijen zullen hierna Dricoma en EWT genoemd worden.

1 Het verloop van de procedure

1.1

Voor het procesverloop tot en met 15 januari 2019 wordt verwezen naar het tussenvonnis van die datum.

1.2

Op 2 april 2019, 3 mei 2019 en 23 mei 2019 zijn getuigen gehoord. Daarvan is proces-verbaal opgemaakt. Voorafgaand aan het getuigenverhoor op 23 mei 2019 zijn door Dricoma nog producties ingediend.

1.3

Op 14 juni 2019 hebben partijen ieder een conclusie na enquête ingediend. Daaraan hebben zij allebei producties gehecht die op voorhand aan de wederpartij waren toegezonden.

1.4

Vonnis is gevraagd en bepaald op vandaag.

2 De verdere beoordeling

2.1

Aan EWT is opgedragen om het bewijs te leveren van haar stellingen dat [naam 1] in de besprekingen die hij met [naam 2] heeft gehad uitlatingen heeft gedaan met de strekking dat Dricoma afzag van huurverhogingen.

2.2

Als getuigen zijn gehoord [naam 2], aandeelhouder van EWT, [naam 3], bestuurder van EWT, [naam 4], bestuurder van EWT, [naam 1], de uiteindelijke eigenaar van Dricoma, en M.C.J.J.M. Tijssen, de advocaat van Dricoma.

2.3

Al deze getuigen zijn direct betrokken bij een van de partijen. Dit betekent dat hun verklaringen met meer voorzichtigheid moeten worden benaderd dan wanneer het om derden zou gaan. Andersoortig bewijs dan getuigenbewijs voor wat tijdens de besprekingen tussen [naam 2] en [naam 1] en die tussen [naam 3], [naam 4] en [naam 1] is gezegd en afgesproken, is schaars. Het komt dus in hoofdzaak aan op de beoordeling van de betrouwbaarheid van de getuigenverklaringen.

2.4

Het Hof is van oordeel dat EWT er in is geslaagd het bewijs te leveren van de stelling dat [naam 1] tijdens de besprekingen met [naam 2] in 2007 en 2008 en tijdens de besprekingen met [naam 3] en [naam 4] vanaf 2009 uitlatingen heeft gedaan waaruit EWT mocht opmaken dat [naam 1] niet van plan was om de huur te verhogen.

2.5 [

naam 2] heeft verklaard dat hij in 2007 voor het eerst een bespreking heeft gehad met [naam 1]. Dit was in een restaurant in Den Bosch. [naam 2] had daarvoor het initiatief genomen omdat de bestaande huurovereenkomst afliep en omdat hij goede afspraken wilde maken over het vervolg. [naam 1] heeft volgens [naam 2] tijdens die bespreking aangegeven dat hij ook verder wilde met het huurcontract, dat hij tevreden was met EWT als huurder en dat de huursom ongewijzigd zou blijven. Dit gold ook voor 2007. Een en ander zou worden vastgelegd in een nieuw contract, waarin de indexeringsclausule niet (ongewijzigd) zou terugkeren. [naam 1] heeft als getuige beaamd dat hij [naam 2] voor het eerst heeft ontmoet tijdens een lunchbespreking in Den Bosch. Hij kon zich van de inhoud van het gesprek echter niets herinneren. Het enige wat hij nog wist is dat hij nooit en te nimmer heeft gezegd dat er geen huurverhoging zou komen. Hij overlegde vooraf en achteraf altijd met zijn advocaat Tijssen.

2.6

Nu niet in geschil is dat deze eerste bespreking heeft plaatsgevonden, mag worden aangenomen dat het onderwerp van die bespreking de huurovereenkomst en de voorzetting daarvan na 1 januari 2008 was. Het is geloofwaardig dat [naam 2] duidelijkheid zocht over de toekomst van de huurrelatie met Dricoma omdat het vrieshuis een belangrijk onderdeel van het bedrijf was en het lopende contract afliep per 1 januari 2008. Het staat vast dat de huurrelatie is doorgelopen, wat steun geeft aan de verklaring van [naam 2] dat Dricoma aangaf tevreden te zijn met EWT als huurder. Het lijkt moeilijk voorstelbaar dat deze aspecten van de voortzetting van het huurcontract aan de orde zijn gekomen, zonder dat ook is gesproken over de huurprijs. Dit heeft [naam 1] strikt genomen ook niet tegengesproken. Hij heeft alleen verklaard wat hij niet heeft gezegd, namelijk dat er geen huurverhoging zou komen. Maar wat zijn antwoord op de vraag van [naam 2] naar de huurprijs dan wel was, heeft hij in het midden gelaten. Dit maakt de verklaring van [naam 1] weinig overtuigend. De bewering van [naam 1] dat hij de gesprekken altijd doornam met zijn advocaat Tijssen, ook als deze niet bij het overleg zelf was, is door Tijssen niet bevestigd, nu hij heeft verklaard van de gesprekken in 2007 en 2008 niet op de hoogte te zijn. Dit doet verder afbreuk aan de betrouwbaarheid van de verklaring van [naam 1] op dit punt. In aanmerking genomen dat de huurprijs in 2007 en 2008 door Dricoma inderdaad niet is aangepast, hecht het Hof meer geloof aan de verklaring van [naam 2] op dit punt, inhoudende dat [naam 1] tijdens het gesprek in 2007 heeft gezegd dat de huurprijs niet zou worden verhoogd. Het Hof acht ook geloofwaardig dat is afgesproken dat er een nieuwe huurovereenkomst door Dricoma zou worden opgemaakt. Niet alleen is dit gebruikelijk en getuigt het van goed ondernemerschap om geldige contracten te hebben, ook heeft Dricoma dit op zich niet betwist.

2.7

De volgende bespreking tussen [naam 1] en [naam 2] heeft plaatsgevonden op 29 juli 2008. Ook daar is de huurrelatie weer aan de orde gekomen. De verklaringen van de beide getuigen komen sterk overeen met die over de bespreking in 2007. Met dat verschil dat [naam 2] direct na dit gesprek een e-mail heeft gestuurd naar [naam 3] en [naam 4] (productie 15 bij de memorie van grieven van EWT). In die mail schrijft [naam 2] dat hij denkt dat een eventuele huurverhoging in ieder geval wordt uitgesteld tot 1 januari 2009, dat hij heeft aangegeven dat hij het lopende contract wil verlengen en dat [naam 1] samen met zijn advocaat een nieuw contract zou opstellen. Gelet op deze mail is niet geloofwaardig dat [naam 1] uitdrukkelijk heeft toegezegd dat er geen huurverhoging zou volgen over het lopende jaar of per 1 januari 2009. Dan had [naam 2] dat wel in de e-mail aan zijn collega’s gezegd. Maar ook voor deze ontmoeting geldt dat wel geloofwaardig is dat de voortzetting van de huurrelatie is besproken, dat partijen het erover eens waren om die door te zetten na 1 januari 2009 en dat [naam 1] positief was over EWT als huurder. Ook moet het voor [naam 1] duidelijk zijn geweest dat de huurprijs een belangrijke factor was voor EWT voor voortzetting van de huurrelatie. Verder staat vast dat het toegezegde contract er weer niet is gekomen en dat de gefactureerde huurprijs is gehandhaafd op NAf 23.000,- per maand.

2.8

De bespreking op 9 april 2009 onderscheidt zich van de vorige twee doordat ook Tijssen daarbij aanwezig was. Zowel [naam 2] als Tijssen heeft een verslag opgemaakt van de bespreking (producties 7 en 8 van Dricoma, overgelegd voor het verhoor van Tijssen). Uit dit verslag blijkt dat het belangrijkste onderwerp van gesprek was de uitbreiding van de samenwerking tussen partijen door de bouw van de koel- en aircoruimte door Dricoma, die voor een periode van ten minste vijf jaar gehuurd zou gaan worden door EWT. De huur van het vrieshuis is ook aan de orde geweest, Dricoma heeft opnieuw toegezegd een nieuwe overeenkomst te zullen opstellen. De verslagen vermelden echter niet dat [naam 1] en/of Tijssen heeft toegezegd dat er geen huurverhoging zou komen. Ook hier geldt dat, als dit was toegezegd, het voor de hand had gelegen dat (in ieder geval) [naam 2] dit in zijn e-mail ter vastlegging van de gemaakte afspraken, die is gericht aan [naam 1] en Tijssen, had opgenomen. Vast staat weer wel dat geen huurverhoging is doorgevoerd en dat geen nieuw contract is opgemaakt.

2.9

De getuige [naam 3] heeft verklaard dat hij tussen 2009 en 2012 drie keer met [naam 1] heeft gesproken op het kantoor van EWT in Curaçao en dat [naam 4] en soms [naam 2] daar bij waren. Volgens [naam 3] was [naam 1] tevreden over EWT als huurder en over de huurprijs. [naam 4] heeft verklaard dat hij in die periode vijf keer met [naam 1] heeft gesproken en dat bij al die gesprekken door [naam 1] is gezegd dat hij de huurprijs met ingang van het volgende jaar niet ging verhogen. De verklaring van [naam 2] op dit punt komt overeen met die van [naam 4] en [naam 3]. [naam 1] heeft beaamd dat hij [naam 3] en [naam 4] geregeld sprak op het kantoor van EWT maar dat dit nooit over de huur ging, omdat [naam 2] dat bepaalde. Nu de getuigen [naam 3] en met name [naam 4] hebben verklaard dat tijdens deze gesprekken de huurprijs uitdrukkelijk en herhaaldelijk aan de orde is geweest acht het Hof dit geloofwaardig. Dat [naam 1] doorgaans met [naam 2] afspraken maakte over de huurprijs, betekent niet dat hij daarover geen uitlatingen kon doen tegenover [naam 4] en [naam 3], die als bestuurders belast waren met de leiding van EWT. Zij waren als bestuurders ook bevoegd om EWT te vertegenwoordigen. Daar komt bij dat [naam 2] bij twee van de gesprekken in Curaçao wel aanwezig was, wat de verklaring van [naam 1] op dit punt minder plausibel maakt. Het ligt dus veel meer voor de hand dat [naam 1] de vraag van [naam 4] en [naam 3] gewoon heeft beantwoord, in plaats van deze te ontwijken. Nu hij zelf geen inzicht heeft gegeven in dat antwoord en vast staat dat de huurprijs gelijk is gebleven in de periode van deze gesprekken, acht het Hof de verklaringen van [naam 3] en [naam 4] dat [naam 1] heeft toegezegd dat er geen huurverhoging zou komen geloofwaardig. Dat [naam 1] zich ten aanzien van de huurprijs altijd op de vlakte heeft gehouden, zoals zijn stelling impliceert, wordt ook weerlegd door zijn eigen verklaring dat EWT niet bereid was meer te betalen dan de overeengekomen huur van NAf 23.000,-. Hierin ligt namelijk besloten dat de huurprijs wel degelijk ter sprake is gekomen, dat EWT heeft aangegeven niet bereid te zijn meer te gaan betalen en dat Dricoma vervolgens, zonder zich enig recht voor te behouden, hetzelfde bedrag is blijven factureren.

2.10

Als relevante omstandigheid weegt nog mee dat, zoals in 3.18 van het tussenvonnis is overwogen, EWT vanaf het begin van de huurrelatie de afweging maakte tussen het zelf laten bouwen en het van een derde huren van een vrieshuis. Dricoma wist dat EWT voor deze keuze stond, zowel bij het aangaan van de huurovereenkomst als bij de latere voortzettingen daarvan. Ook vast staat dat EWT de huurrelatie met Dricoma zou hebben opgezegd als zij eerder met het standpunt van Dricoma over de indexering was geconfronteerd.

2.11

Uit dit geheel van omstandigheden komt het volgende beeld naar voren. EWT wenste na ommekomst van de looptijd van de huurovereenkomst duidelijkheid te verkrijgen over de voortzetting daarvan en de daaraan verbonden voorwaarden. In het eerste gesprek in 2007 heeft [naam 1] toegezegd dat de huur ongewijzigd zou blijven. Van de gesprekken in 2008 en 2009 is dit niet komen vast te staan, wellicht was [naam 1] voorzichtiger geworden vanwege de in die periode sterk stijgende dieselprijs en/of na advisering door Tijssen, dat blijft onduidelijk. Maar wat wel vast staat is dat Dricoma hetzelfde bedrag is blijven factureren en geen nieuwe huurovereenkomst heeft opgesteld, hoewel zij dat wel had toegezegd. In de gesprekken met [naam 3], [naam 4] en [naam 2] in Curaçao heeft [naam 1] wel toegezegd dat de huurprijs niet zou worden aangepast. Het is aannemelijk dat daarbij een rol heeft gespeeld dat EWT duidelijk had gemaakt dat zij niet bereid was om meer huur te gaan betalen. Dricoma heeft aldus een onduidelijke situatie gecreëerd die zij vervolgens lange tijd heeft laten voortbestaan. Dit terwijl Dricoma wist dat EWT, die een solide huurder was gebleken die Dricoma graag wilde behouden, na een (substantiële) verhoging van de huur waarschijnlijk de huurovereenkomst zou beëindigen, zoals zij uiteindelijk ook heeft gedaan.

2.12

Het Hof is van oordeel dat een en ander meebrengt dat Dricoma het recht op nakoming van het indexeringsbeding gedurende de periode dat zij deze onduidelijkheid heeft laten voortbestaan, heeft verwerkt. Dit betreft dus de periode tot 10 juli 2012, de dag waarop Dricoma schriftelijk aan EWT heeft bericht dat zij alsnog over de gehele huurperiode aanspraak maakte op indexering. Vanaf die datum wist EWT dat Dricoma zich op dit standpunt stelde en kan dus niet langer worden volgehouden dat dit onduidelijk was als gevolg van het doen en nalaten van Dricoma. Dit betekent dat het recht om nakoming van het indexeringsbeding te vorderen met ingang van de volgende huurtermijn, 1 augustus 2012, intact is gebleven.

2.13

De bewezen geachte feiten en omstandigheden zijn onvoldoende concreet om daaruit te kunnen afleiden dat als gevolg van de uitlatingen van [naam 1] en de handelwijze van Dricoma tussen partijen wilsovereenstemming en dus een nieuwe huurovereenkomst is ontstaan die inhield dat de huurprijs (voor onbepaalde tijd) werd gefixeerd op NAf 23.000,- zonder (enig) recht op indexering van de huurprijs. Dit betoog van EWT gaat dus niet op.

2.14

Blijkens de laatste akten van partijen zijn zij het erover eens dat het gedeelte van de huurprijs dat bij het aangaan van de overeenkomst aan de kosten van koeling kan worden toegerekend NAf 5.000,- was. Dricoma zal in de gelegenheid worden gesteld om bij akte nader te betogen wat, uitgaande van dit bedrag, de geïndexeerde huurprijs in de periode 1 augustus 2012 tot en met 31 augustus 2015 was. EWT mag daar bij antwoordakte op reageren.

2.15

De overige beslissingen worden aangehouden.

4. BESLISSING

Het Hof:

  • -

    verwijst de zaak naar de rol van 20 augustus 2019 voor het nemen van de in 2.14 bedoelde akte door Dricoma;

  • -

    houdt de overige beslissingen aan.

Dit vonnis is gewezen door mrs. H.J. Fehmers M.W. Scholte en J. de Boer, leden van het Gemeenschappelijk Hof van Justitie, en ter openbare terechtzitting van het Hof in Curaçao in tegenwoordigheid van de griffier uitgesproken op 30 juli 2019.