Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:OGHACMB:2019:140

Instantie
Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba
Datum uitspraak
04-07-2019
Datum publicatie
14-08-2019
Zaaknummer
76939 - CUR201501033 - CUR2018H00285
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Tussenuitspraak
Inhoudsindicatie

verdeling scheiding van tafel en bed verzoening (tussenvonnis)

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Burgerlijke zaken over 2019 Vonnis no.:

Registratienummers: ghis 76939 - CUR201501033 - CUR2018H00285

Uitspraak: 4 juli 2019 (bij vervroeging)

GEMEENSCHAPPELIJK HOF VAN JUSTITIE

van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en

van Bonaire, Sint Eustatius en Saba

Vonnis in de zaak van:

  1. [appellante sub 1],

  2. [appellante sub 2],

  3. [appellante sub 3],

allen domicilie gekozen hebbende ten kantore van hun advocaat,

hierna gezamenlijk te noemen: [appellanten]c.s.,

oorspronkelijk gedaagden, thans appellanten,

gemachtigde: mr. M.F. Bonapart,

en

4. [ [appellante sub 4],

wonende in Curaçao,

hierna te noemen: [appellante sub 4],

oorspronkelijk gedaagde, thans appellante,

procederende in persoon,

e-mail: [mail]@gmail.com.

Appellanten onder 1-4 worden gezamenlijk ook aangeduid met: de kinderen.

tegen

[geïntimeerde],

wonende in Curaçao,

hierna te noemen: de moeder,

oorspronkelijk eiseres, thans geïntimeerde,

gemachtigde: mr. C. van der Slikke.

1 Het verloop van de procedure

1.1.

Voor hetgeen in eerste aanleg is gesteld en gevorderd, voor de procesgang aldaar en voor de overwegingen en beslissingen van het Gerecht in eerste aanleg van Curaçao (GEA), wordt verwezen naar het vonnis van 9 juli 2018. De inhoud van dit vonnis geldt als hier ingevoegd.

1.2.

De kinderen zijn bij akte van hoger beroep op 16 augustus 2018, dus op tijd, in hoger beroep gekomen van voornoemd eindvonnis.

1.3. [

[appellante sub 4] is tevens op 10 september 2018 in hoger beroep gekomen, maar dit is te laat.

1.4.

In een op 10 september 2018 ingekomen memorie van grieven, met producties, heeft [appellante sub 4] ongenummerde grieven voorgedragen, met als conclusie:

  • -

    verwerping van de uitspraak van 9 juli 2018 van het Gerecht in Eerste Aanleg wegens het feit dat het convenant nog steeds staat ingeschreven en de verzoening niet is ingeschreven en dat aldus de scheiding van tafel en bed in stand blijft;

  • -

    te bepalen dat er geen sprake kan zijn van een verzoening wegens het ontbreken van een rechtsgrond en een rechtsvordering niet meer kan worden ingesteld nu erflater is overleden en dat aldus de scheiding van tafel en bed in stand is gebleven;

  • -

    dat de appellanten, wettige erfgenamen, wel degelijk onder "derden" vallen nu de nalatenschap tussen geïntimeerde en de appellanten moet worden geregeld waarbij de vermeende verzoening appellanten niet kan worden tegengeworpen;

  • -

    dat de erfgenamen alsnog uitvoering geven aan het ingeschreven convenant van 1982;

  • -

    te bepalen dat nu het huwelijk door de dood tot een einde is gekomen alle erfgenamen recht hebben op een/vijfde deel van de nalatenschap, zijnde een vijfde deel van hoffie Liverpool plus opstal en woonhuis Liverpool, met uitzondering van hetgeen erflater heeft gekregen na registratie van de scheiding van tafel en bed en het daarbij behorende opgemaakte convenant in 1982, zijnde de handdruk/ontslagvergoeding verkregen in 1985, welke alleen toekomt aan appellanten, elk voor een vierde deel; Dat het Hof de deling en de waarde voor verdeling volgens convenant aanhoudt op grond van de uitspraak van ARUBA waarbij elke waardevermeerdering tot aan de dood buiten beschouwing blijft en ook rekening wordt gehouden met het feit dat geïntimeerde nooit huur heeft betaald voor wonen in Liverpool maar altijd vrije woning heeft genoten,

en aldus uitspraak doet naar die afgesproken en vastgelegde deling met bijbehorende waarde van het convenant zodat naar die waarde ieder der erfgenamen gerechtigd zal zijn tot een vijfde deel en uitvoering wordt gegeven aan het vonnis naar die waarde, om zo verder iedere discussie uit te sluiten.

1.5. [

[appellanten] c.s. heeft in een op 27 september 2018 ingekomen memorie van grieven, met producties, zeven grieven voorgedragen en geconcludeerd dat het Hof het bestreden vonnis zal vernietigen en de vorderingen van de moeder zal afwijzen, kosten rechtens.

1.6.

De moeder heeft in een memorie van antwoord, met producties, de grieven van zowel [appellante sub 4] als [appellanten] c.s. weersproken en geconcludeerd tot bevestiging van het bestreden vonnis, met veroordeling van de kinderen in de kosten.

1.7. [

[appellante sub 4] heeft op 26 oktober 2018 een stuk, met producties, ingezonden. Voorts is een stuk gedateerd 19 november 2018 van [appellante sub 4] ingekomen. Ook op 11 maart 2019 is van [appellante sub 4] een stuk, met producties, ingekomen.

1.8.

Op 14 maart 2019 heeft de moeder een akte aanvulling memorie van antwoord/wijziging van eis ingestuurd.

1.9.

Op 15 en 18 maart 2019 heeft [appellante sub 4] e-mails gezonden aan het Hof.

1.10.

Op 19 maart 2019 hebben mondelinge pleidooien plaatsgevonden. Verschenen zijn in persoon appellanten onder 2 en 3, vergezeld van mr. Bonapart. Ook de moeder is in persoon verschenen, vergezeld van mr. Van der Slikke. [appellante sub 4] is niet verschenen. De gemachtigden hebben het woord gevoerd aan de hand van overgelegde pleitaantekeningen.

1.11.

Op 10 april 2019 heeft [appellante sub 4] een e-mail, met bijlagen, gezonden aan het Hof.

1.12. [

[appellante sub 4] heeft een akte d.d. 14 mei 2019, met producties, ingezonden.

1.13.

Op 10 juni 2019 heeft [appellante sub 4] wederom een e-mail, met bijlagen, gezonden aan het Hof.

1.14.

Op 11 juni 2019 hebben [appellanten] c.s. en de moeder een akte houdende uitlating genomen. Bij die van [appellanten] zijn producties gevoegd.

1.15.

Op 14 juni 2019 is weer een e-mail van [appellante sub 4] ingekomen.

1.16.

Vonnis is bij vervroeging bepaald op heden.

2 De ontvankelijkheid

De kinderen zijn tijdig en op de juiste wijze in hoger beroep gekomen en kunnen daarin worden ontvangen.

3 De grieven

Voor de grieven wordt verwezen naar de memories van grieven.

4 Beoordeling

4.1.

Het geschil gaat over de vraag of de gestelde scheiding van tafel en bed van de moeder en de vader van de kinderen is geëindigd door verzoening, zoals door de moeder aangevoerd. Het GEA heeft die vraag bevestigend beantwoord. Hiertegen richt zich het appel van de kinderen.

4.2.

Allen gaan ervan uit dat er een scheiding van tafel en bed heeft plaatsgevonden. Het bestaan van een scheiding van tafel en bed – en hetzelfde geldt voor het bestaan van een huwelijk of een echtscheiding – is niet een aangelegenheid ter vrije bepaling van partijen.

4.3.

Door de moeder is overgelegd een door de ouders op 6 september 1982 getekend convenant. In die tijd bepaalde het Burgerlijk Wetboek van de Nederlandse Antillen ter zake van de scheiding van tafel en bed het volgende:

Art. 286

1. Alvorens scheiding van tafel en bed te vragen, zijn de echtgenoten verplicht bij een authentieke akte al de voorwaarden dier scheiding te regelen, zowel te hunnen opzichte als ten aanzien van de uitoefening van de ouderlijke macht en de verzorging en opvoeding hunner kinderen.

2. De schikkingen tussen hen beraamd, om plaats te hebben gedurende het rechterlijk onderzoek, moeten aan de bekrachtiging van de rechter in eerste aanleg worden onderworpen, om, desnoods, door deze geregeld te worden.

Art. 287

De aanvrage der beide echtgenoten geschiedt bij verzoekschrift aan de rechter in eerste aanleg; en moet daarbij worden overgelegd, zowel afschrift der huwelijksakte, als van de overeenkomst waarvan bij het eerste lid van het vorige artikel wordt gesproken.

Art. 288.

1. De rechter in eerste aanleg zal daarop aan de beide echtgenoten bevelen om tezamen en in persoon voor hem te verschijnen, ten einde hun de nodige vertogen te doen.

2. Indien de echtgenoten bij hun voornemen volharden, zal de rechter een nieuwe verschijning, na verloop van zes maanden, bevelen.

Art. 289

De rechter in eerste aanleg zal zes maanden na de tweede verschijning uitspraak doen, na verhoor of behoorlijke oproeping der naaste bloedverwanten van de echtgenoten in de opgaande linie.

(…)

Art. 291

Door scheiding van tafel en bed wordt het huwelijk niet ontbonden, maar zijn de echtgenoten daardoor van de verplichting tot samenwoning ontheven.

Art. 294

1. De vonnissen tot scheiding van tafel en bed zullen openlijk worden bekend gemaakt en in het huwelijksgoederenregister, aangewezen in artikel 188, worden ingeschreven.

2. Zolang deze openlijke bekendmaking en inschrijving niet heeft plaatsgehad, kan het vonnis tot scheiding van tafel en bed niet tegen derden die hiervan onkundig waren, werken.

(…)

Art 297

1. Een scheiding van tafel en bed gaat van rechtswege teniet door de verzoening van de echtgenoten; deze doet alle gevolgen van het huwelijk herleven, alsof er geen scheiding van tafel en bed had plaatsgehad. Nochtans wordt de geldigheid van rechtsbandelingen die tussen de scheiding en de verzoening zijn verricht, beoordeeld naar het tijdstip van de handeling.

(…)

4.4.

De ouders hebben op 6 september 1982 kennelijk ‘al de voorwaarden dier scheiding’ willen regelen, maar hetgeen is overgelegd als productie 6 bij inleidend verzoekschrift is geen authentieke akte, zoals voorgeschreven in artikel 286 lid 1-oud BW-NA.

4.5.

Verder staat niet vast dat een verzoekschrift met bedoelde authentieke akte is ingediend (artikel 287-oud), dat de ouders zijn verschenen voor de rechter en na zes maanden wederom (artikel 288 en 289-oud) enz.

4.6.

De kinderen worden opgedragen bij akte het vonnis tot scheiding van tafel en bed over te leggen, althans bewijs te leveren dat het vonnis is gewezen, welk bewijs kan worden geleverd door bewijs dat het vonnis is ingeschreven in het huwelijksgoederen register (artikel 294-oud).

4.7.

Indien de moeder beschikt over het vonnis, dient zij het wegens haar motiverings- en waarheidsplicht in het geding te brengen. Zij moet daarom eveneens een akte nemen ter overlegging van het vonnis of ter uitlating niet over het vonnis te beschikken.

4.8.

Iedere verdere beslissing wordt aangehouden.

5 Beslissing

Het Hof:

- draagt partijen op gelijktijdig de in rov. 4.6 en 4.7 bedoelde akte te nemen;

- verwijst de zaak daartoe naar de rolzitting van 20 augustus 2019;

- houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit vonnis is gewezen door mrs. J. de Boer, H.J. Fehmers en F.W.J. Meijer, leden van het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba en ter openbare terechtzitting van het Hof in Curaçao uitgesproken op 4 juli 2019 in tegenwoordigheid van de griffier.