Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:OGHACMB:2019:118

Instantie
Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba
Datum uitspraak
05-02-2019
Datum publicatie
21-06-2019
Zaaknummer
ghis 25422-H 23/18-CUR201400587-CUR2017H00221
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

plantage Zee en Landzicht verdeling tussenvonnis

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JERF 2019/197
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Burgerlijke zaken over 2019 Vonnis no.:

Registratienummer: ghis 25422-H 23/18-CUR201400587-CUR2017H00221

Uitspraak: 5 februari 2019

GEMEENSCHAPPELIJK HOF VAN JUSTITIE

van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en

van Bonaire, Sint Eustatius en Saba

Tussenvonnis in de zaak van:

1 [medeappellant sub 1],

2. [medeappellant sub 2],

3. [medeappellant sub 3],

4. [medeappellante sub 4],

hierna te noemen: [medeappellant sub 1] c.s.,

oorspronkelijk mede-eisers, thans medeappellanten in hun eigen appel en medegeïntimeerden in het door [naam] c.s. ingesteld appel,

gemachtigde: thans mr. R.M. Nieuw,

alsmede

5 [medeappellant sub 5],

6. [medeappellant sub 6],

7 [medeappellant sub 7],

8. [medeappellant sub 8],

9. [medeappellant sub 9],

10. [medeappellant sub 10],

allen wonende in Curaçao,

hierna te noemen: [medeappellanten] c.s.,

oorspronkelijk mede-eisers, thans medeappellanten in hun eigen appel en medegeïntimeerden in het door [naam] c.s. ingesteld appel,

thans procederende in persoon,

tegen

1 mr. Chester Allan PETERSON, advocaat,

in zijn hoedanigheid van onzijdig persoon in de nalatenschap van [naam 1] (plantage Land en Zeezicht), overleden te Curaçao op 25 december 1863,

tot onzijdig persoon benoemd door het Hof bij vonnis van 4 januari 2000 (AR 1304/97 – H 682/98),

wonende in Curaçao,

hierna te noemen: mr. Peterson,

oorspronkelijk gedaagde, thans geïntimeerde in het door appellanten 1-10 ingestelde appel,

optredend zonder gemachtigde,

alsmede

2 [naam 2],

3. [ [naam 3],

3. [ [naam 4],

3. [ STICHTING BEHARTIGING BELANGEN ERVEN CONSTANTIN CLEMENT MEYER,

3. [ STICHTING BEHARTIGING BELANGEN ERVEN PAULINA CAROLINA MEYER,

3. [ STICHTING BEHARTIGING BELANGEN ERVEN ANNA MARIA MEYER,

3. [ STICHTING BEHARTIGING BELANGEN ERVEN JEROME MARTIS MEYER,

alle wonende respectievelijk gevestigd in Curaçao,

hierna te noemen: [naam] c.s.,

oorspronkelijk gedaagden, thans geïntimeerden in het door appellanten 1-10 ingestelde appel en appellanten in hun eigen appel,

gemachtigde: mr. R.A.P.H. Pols.

1 Het nader verloop van de procedure

1.1.

Het Hof verwijst voor het verloop tot dan toe naar zijn vonnis in twee incidenten van 11 september 2018.

1.2.

Op 27 november 2018 hebben de gemachtigde van [naam] c.s. en de gemachtigde van [medeappellant sub 1] c.s. schriftelijk gepleit.

1.3.

Na de zitting van 27 november 2018 hebben [naam 5], [naam 6] en [naam 7] een stuk ingediend. Voor zover zij erfgenamen zijn kan hiermee in een later stadium worden rekening gehouden; zie hierna rov. 2.21.

1.4.

Vonnis is nader bepaald op heden.

2 Beoordeling

2.1.

Het gaat hier om de verdeling van de plantage Zee en Landzicht (468.300 m2: deels ‘conserveringsgebied’ en deels ‘stedelijk woongebied’), die in de openbare registers op naam staat van [naam 1], overleden in Curaçao op 25 december 1863.

2.2.

Volgens mr. Pols (pleitnota in hoger beroep, onder 1) is ‘[naam]’ de juiste schrijfwijze en niet ‘[naam A]’. Uit de producties bij de pleitnota van mr. Nieuw blijkt dat de plantage inderdaad staat op naam van ‘[naam 1] [naam]’ (productie 1), maar dat zijn kinderen deels als ‘[naam]’, deels als ‘[naam A]’ zijn opgenomen in de registers van de burgerlijke stand (productie 2).

2.3.

Zowel [naam] c.s. als [medeappellant sub 1] c.s. dringen aan op een comparitie van partijen. Het Hof zal die bevelen.

2.4. [

[naam] c.s. verzoeken het Hof mr. Peterson te ontslaan als onzijdig persoon (pleitnota mr. Pols in hoger beroep, onder 26-27). Mr. Peterson is kennelijk advocaat geweest van de eigenaren van de kippenboerderij (Moderno Egg’s Farm); zie proces-verbaal van 2 september 2008, p. 2, onderaan. Deze kippenboerderij is, als huurder, op een deel van het conserveringsdeel van de plantage Zee en Landzicht gevestigd en de eigenaren hebben een erfdeel in de [naam]-boedel gekocht. Voorts is twijfelachtig of hij als onzijdig persoon op redelijke voet staat met de deelgenoten. Mr. Peterson en de overige partijen krijgen de gelegenheid op het ontslagverzoek bij akte of eventueel ter comparitie te reageren.

2.5. [

[naam] c.s. verzoekt het Hof om ingevolge artikel 3:168 lid 2 BW [naam 8], [adres], tel. [nr], bevoegd te maken de door de kippenboerderij verschuldigde huurgelden te incasseren ten behoeve van de gemeenschap (pleitnota mr. Pols in hoger beroep, onder 28-29). Op dit verzoek hebben de overige partijen nog niet kunnen reageren. Zij kunnen dat doen bij akte of eventueel ter comparitie.

2.6.

Volgens mr. Pols (pleitnota mr. Pols in hoger beroep, onder 2) zou de waarde van de aandelen van de deelgenoten NAf 7.000,- kunnen zijn. Dit is niet ‘zeer gering’ als bedoeld in artikel 3:200a lid 1 BW. Bovendien is er kennelijk redelijk zicht op het aantal en de identiteit van de deelgenoten. Het Hof zal daarom in beginsel doorgaan met een reguliere verdeling. Ook [medeappellant sub 1] c.s. is daarvan voorstander (pleitnota mr. Nieuw, onder 4).

2.7.

Voor de niet-opgespoorde deelgenoten moet een (nieuwe) onzijdig persoon als bedoeld in artikel 3:181 BW als vertegenwoordiger optreden. Uit de wetsgeschiedenis van de langdurig onverdeeld gebleven gemeenschappen-regeling stamt de volgende uitlating: ‘Denkbaar is dat de onzijdig persoon genoegen neemt met een (hypothecair verzekerde) geldvordering op de bekende erfgenamen die, als niemand zich meldt, na vijf jaren verjaart … of dat de rechter in die zin beslist ingevolge artikel 185 van Boek 3’ (Parlementaire Geschiedenis van het Curaçaose Burgerlijk Wetboek, red. M.F. Murray, 2016, deel 1, p. 901). In het onderhavige geval kan een bedrag worden afgezonderd ten behoeve van de onbekende deelgenoten. Dit gereserveerde bedrag zou tot de afloop van de verjaringstermijn van vijf jaren kunnen blijven staan op de derdengeldrekening van de notaris, opdat deze vervolgens wat resteert verdeelt onder de verschenen deelgenoten.

2.8.

In een door het GEA op 3 juni 2008 gelast deskundigenrapport van 24 juli 2008 is de waarde van Zee en Landzicht (468.300 m2) geschat op NAf 7,50 per m2, dus totaal op NAf 3.512.250,-. Te overwegen is om drie nieuwe taxateurs deze waarde opnieuw tegen het licht te laten houden. Het Hof vraagt partijen bij akte voorafgaande aan de comparitie namen te noemen van potentiële deskundigen. Uiteraard kunnen partijen ook overeenkomen de waardebepaling uit 2008 te accepteren ook voor 2019.

2.9. [

[naam] c.s. stelt verkoop tegen de getaxeerde waarde voor aan de ontwikkelingsmaatschappij ‘Erven [naam 1] [naam] ontwikkeling en exploitatiemaatschappij N.V.’ (pleitnota mr. Pols in hoger beroep, onder 19). Het Hof kan daartoe bevelen (artikel 3:185 lid 2 onder c BW of bij bestaan van ‘gewichtige redenen’ artikel 3:174 BW). De netto-opbrengst kan vervolgens worden verdeeld onder de deelgenoten.

2.10.

Volgens [naam] c.s. is ter zake van de genoemde waarde van NAf 3.512.250,- financiering gevonden (pleitnota mr. Pols in hoger beroep, onder 7 slot). In het dossier wordt als bank de RBTT (thans RBC) genoemd. Bestaat deze financieringsmogelijkheid nog steeds?

2.11.

Het Hof moet rekening houden ‘naar billijkheid zowel met de belangen van partijen als met het algemeen belang’ (artikel 3:185 lid 1 slot BW). Met de belangen van degenen die thans op de grond wonen of deze anderszins gebruiken moet in het bijzonder rekening worden gehouden. Het Hof wil vernemen hoe deze belangen zijn veiliggesteld indien ‘Erven [naam 1] [naam] ontwikkeling en exploitatiemaatschappij N.V.’ de grond gaat ontwikkelen. Zal dan het aandeel in de netto-opbrengst van de gebruiker (zie rov. 2.9) voldoende zijn voor verkrijging van de kavel? In beginsel is het naar het oordeel van het Hof aanvaardbaar dat deze personen een streepje voor krijgen.

2.12.

Er zijn ook kavels die kennelijk thans niet in particulier gebruik zijn, maar dat wel ooit zijn geweest. Wat is de bedoeling daarmee?

2.13.

Totaal (thans in gebruik en thans niet maar ooit wel in gebruik) gaat het kennelijk om slechts 30 kavels van de 643 (pleitnota mr. Pols in hoger beroep, onder 10-11).

2.14.

Het is wenselijk dat de boedelnotaris mr. Alba R. Chatlein de comparitie bijwoont. Het Hof vraagt [naam] c.s. haar uit te nodigen.

2.15.

Het Hof wil dat de notaris kennis krijgt van de pleitnota van mr. Nieuw, nr. 8, over ‘twee versies van een stamboom’. Het Hof wil een laatste gedateerde versie ontvangen van de gedeeltelijke verklaring voor erfrecht. Niet opgespoorde deelgenoten kunnen worden vertegenwoordigd door de te benoemen onzijdig persoon (zie rov. 2.7).

2.16.

Ter comparitie moet besproken worden hoe een eventuele netto-opbrengst verdeeld moet worden. Eerst in vijf delen, omdat er vijf staken zijn en vervolgens per staak onder de deelgenoten naar regels van erf- en huwelijksvermogensrecht? Kennelijk zijn er geen gegevens omtrent de deelgenoten in twee staken. Betekent dit dat 2/5e deel van de netto-opbrengst tot na afloop van de verjaringstermijn van vijf jaren op de derdengeldrekening van de notaris blijft (zie rov. 2.7) en dat vervolgens van het eventueel resterende bedrag telkens een derde deel gaat naar de drie andere staken ter verdeling?

2.17.

Is 2/5e deel (40%) ter reservering niet te veel? Deze zaak sleept zich al heel lang voort en het is niet waarschijnlijk dat deelgenoten zich binnen vijf jaren nog zullen melden. Bovendien als uit een staak een deelgenoot zich meldt, zal hij recht hebben op een fractie van 1/5e deel, rekening houdende met het mogelijke bestaan van andere deelgenoten en de beperkte reikwijdte van de erfrechtelijke figuur van plaatsvervulling. Is bijv. 15% niet voldoende?

2.18.

Partijen krijgen de gelegenheid bij akte, onmiddellijk peremptoir, op het voorgaande in te gaan (op 12 maart 2019), met de mogelijkheid van een contra-akte, ook onmiddellijk peremptoir (op 2 april 2019). Daarna wordt de comparitie gehouden (op 16 april 2019), ten aanzien waarvan uitstel niet wordt toegestaan.

2.19.

Ten slotte het volgende. Een vordering tot verdeling van een nalatenschap betreft in beginsel een rechtsverhouding waarbij het rechtens noodzakelijk is dat een beslissing daarover in dezelfde zin luidt ten aanzien van alle bij die rechtsverhouding betrokkenen (een zogeheten processueel ondeelbare rechtsverhouding). Dat betekent dat de rechter de beslissing over die boedelbeschrijving en verdeling slechts kan geven in een geding waarin allen die bij die rechtsverhouding zijn betrokken, partij zijn, zodat de rechterlijke beslissing hen allen bindt. Dat geldt zowel in eerste aanleg als na aanwending van een rechtsmiddel. Wanneer een partij een dergelijke beslissing wil uitlokken, dienen dan ook alle bij de rechtsverhouding betrokken partijen in het geding te worden geroepen, zowel in eerste aanleg, als in volgende instanties (HR 10 maart 2017, ECLI:NL:HR:2017:411).

2.20.

Het Hof zal het bestreden vonnis van het GEA, de twee pleitnota’s van 27 november 2018 en het onderhavige vonnis van het Hof publiceren op de website van het Hof (http://www.gemhofvanjustitie.org/uitspraken/onverdeelde-boedels) onder de naam ‘Zee en Landzicht’.

2.21.

Het Hof draagt [naam] c.s. op binnen twee weken op kosten van de boedel een advertentie te zetten in de dagbladen Extra en Vigilante, waarbij medegedeeld wordt dat onder nummer CUR2017H00221 voor het Hof van Justitie een vordering tot verdeling aanhangig is betreffende Zee en Landzicht (468.300 m2), op naam van [naam 1] [naam], overleden op 25 december 1863, dat op de website van het Hof stukken kunnen worden geraadpleegd en dat elke erfgenaam (met gegevens omtrent het gestelde erfgenaamschap) desgewenst een akte kan nemen op dinsdag 12 maart 2019, om 8:30 uur (P3) en een antwoord akte op dinsdag 2 april 2019, om 8:30 uur (P3) en de comparitie van dinsdag 16 april 2019, om 15:00 uur kan bijwonen.

2.22.

Iedere verdere beslissing wordt aangehouden.

3 Beslissing

Het Hof:

- stelt partijen in de gelegenheid een akte te nemen op de rolzitting van dinsdag 12 maart 2019 om 8:30 uur (P3);

- stelt partijen in de gelegenheid een antwoord-akte te nemen op de rolzitting van dinsdag 2 april 2019 om 8:30 uur (P3);

- gelast een comparitie van partijen, te houden op dinsdag 16 april 2019, om 15.00 uur in het stadhuis Curaçao zonder mogelijkheid van uitstel;

- houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit vonnis is gewezen door mrs. J. de Boer, M.W. Scholte en F.W.J. Meijer, leden van het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba en ter openbare terechtzitting van het Hof in Curaçao uitgesproken op 5 februari 2019 in tegenwoordigheid van de griffier.