Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:OGHACMB:2019:117

Instantie
Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba
Datum uitspraak
09-01-2019
Datum publicatie
17-06-2019
Zaaknummer
CUR2018H00015 en CUR2018H00026
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Belanghebbende heeft zijn bij het Gerecht ingediende beroepschrift ondubbelzinnig en zonder enig voorbehoud ingetrokken. Het Gerecht heeft dan ook ten onrechte tot niet-ontvankelijkheid geoordeeld en is ten onrechte overgegaan tot twee inhoudelijke zittingen en dientengevolge heeft belanghebbende onnodig kosten gemaakt. Als gevolg van de intrekking van het beroep door belanghebbende komt het Hof (ook) niet toe aan een inhoudelijke behandeling van de zaak.

Belanghebbende heeft verzocht om een integrale kostenvergoeding. Het Hof willigt dat verzoek niet in. Het instellen van het hoger beroep vloeit voort uit de onjuiste uitspraak van het Gerecht. Het valt de Inspecteur niet te verwijten dat belanghebbende beroep en hoger beroep heeft moeten instellen. Het Hof veroordeelt de Inspecteur wel tot een forfaitaire proceskostenvergoeding. Voor het instellen van het hoger beroep heeft belanghebbende recht op een proceskostenvergoeding omdat die rechtsgang nodig was om de onjuiste uitspraak van het Gerecht te vernietigen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NTFR 2019/2677 met annotatie van Mr. F.C. van der Bogt
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Uitspraak

CUR2018H00015 en CUR2018H00026

Datum uitspraak: 9 januari 2019

GEMEENSCHAPPELIJK HOF VAN JUSTITIE

VAN ARUBA, CURAÇAO, SINT MAARTEN

EN VAN BONAIRE, SINT EUSTATIUS EN SABA

Uitspraak op het hoger beroep van:

[Belanghebbende ],

wonend in Curaçao,

appellant (belanghebbende),

tegen de uitspraak van het Gerecht in eerste aanleg van Curaçao (hierna: het Gerecht) van 19 december 2017 in zaak CUR201600620 en CUR201600935 in het geding tussen:

belanghebbende,

en

de inspecteur der belastingen in Curaçao,

verweerder (de Inspecteur).

1 Procesverloop

1.1.

Aan belanghebbende zijn met dagtekening 27 november 2009 over de jaren 2004 en 2005 navorderingsaanslagen inkomstenbelasting opgelegd naar belastbare inkomens van NAf 1.113.887 respectievelijk NAf 1.109.524 (de navorderingsaanslagen).

1.2.

Met dagtekening 8 januari 2016 (IB 2004) en 30 december 2015 (IB 2005) zijn de aanslagen ambtshalve verminderd door toepassing van het bijzonder tarief op de in de inkomens begrepen dividenduitkeringen.

1.3.

Belanghebbende is op 1 september 2016 tegen de ambtshalve verminderingen in beroep gekomen. Ter zake van de indiening van het beroep heeft belanghebbende een bedrag van NAf 50 aan griffierecht voldaan.

1.4.

De Inspecteur heeft op 26 juni 2017 verweerschriften ingediend.

1.5.

Belanghebbende heeft zijn beroepen op 26 juni 2017 ingetrokken.

1.6.

Partijen zijn opgeroepen tot het bijwonen van een zitting op 30 juni 2017 en 30 november 2017 in Willemstad.

1.7.

Het Gerecht heeft het beroep niet-ontvankelijk verklaard.

1.8.

Tegen deze uitspraak heeft belanghebbende op 26 januari 2018 hoger beroep ingesteld bij het Hof.

Ter zake van dit beroep heeft de griffier van belanghebbende een griffierecht geheven van NAf 200.

De Inspecteur heeft op 2 augustus 2018 een verweerschrift ingediend.

1.9.

De zitting heeft plaatsgehad op 23 oktober 2018 te Willemstad.

Aldaar zijn verschenen en gehoord belanghebbende, vergezeld door zijn echtgenote [A ], en bijgestaan door [ B ], alsmede, namens de Inspecteur [ C ], [ D ] en [ E ].

1.10.

Belanghebbende heeft daar een pleitnota voorgedragen en exemplaren daarvan overgelegd aan het Hof en aan de wederpartij. De Inspecteur heeft verklaard geen bezwaar te hebben tegen overlegging van een bij deze pleitnota behorende bijlagen, zijnde een specificatie van de werkelijk gemaakte proceskosten.

1.11.

Aan het einde van de zitting heeft het Hof het onderzoek gesloten.

2 Feiten

Het Gerecht heeft de volgende, in hoger beroep niet bestreden, feiten vastgesteld, welke feiten het Hof als vaststaand overneemt:

‘2.1 Het volgende is op grond van de schriftelijke stukken en hetgeen ter zitting is gezegd, komen vast te staan. Het is tussen partijen niet in geschil of door één van de partijen gesteld en door de andere partij niet of onvoldoende tegengesproken.

2.2

Belanghebbende is directeur grootaandeelhouder van [ISU] N.V (hierna: ISU). Belanghebbende bezit 51 % van de aandelen. ISU houdt zich bezig met de handel in telefoonkaarten.

2.3

Belanghebbende heeft geen aangifte inkomstenbelasting over het jaar 2004 ingediend. Over het jaar 2004 is aan belanghebbende een taxatieve aanslag opgelegd. Het belastbaar inkomen is vastgesteld op NAf 60.000.

2.4

Belanghebbende heeft over het jaar 2005 een belastbaar inkomen aangegeven van NAf 38.401. Bij het opleggen van de aanslag is het aangegeven belastbaar inkomen gevolgd.

2.5

Belanghebbende heeft op 29 maart 2009 tegen beide aanslagen bezwaar aangetekend.

2.6

In de periode 2007 - 2009 heeft de Stichting belastingaccountantbureau (BAB) bij ISU een boekenonderzoek verricht over de jaren 2001- 2005. Daarvan is op 22 april 2009 een definitief rapport opgemaakt.

2.7

Naar aanleiding van de resultaten van het boekenonderzoek heeft de Inspecteur aan belanghebbende navorderingsaanslagen inkomstenbelasting opgelegd over de jaren 2004 en 2005. De belastbare inkomens van belanghebbende over de jaren 2004 en 2005 zijn daarbij nader vastgesteld op NAf 1.113. 887 respectievelijk NAf 1.109.524. De correcties betreffen door de BAB geconstateerde winstuitdelingen van ISU aan belanghebbende.

2.8

Met dagtekening 8 januari 2016 (IB 2004) en 30 december 2015 (IB 2005) heeft de Inspecteur de navorderingsaanslagen ambtshalve verminderd door alsnog het bijzonder tarief toe te passen op de in de inkomens begrepen dividenduitkeringen.

2.9

Op 23 juni 2016 heeft belanghebbende beroep ingediend tegen de (ambtshalve) verminderingsaanslagen.’

In aanvulling op de door het Gerecht vastgestelde feiten stelt het Hof op grond van de stukken van het geding en het onderzoek ter zitting de volgende feiten en omstandigheden vast:

2.10.

De navorderingsaanslagen zijn met dagtekening 27 november 2009 opgelegd.

2.11.

Tot de gedingstukken behoort een schrijven gedateerd 26 juni 2017 van belanghebbende aan de Raad van Beroep voor Belastingzaken inzake haar beroep (zie 1.3). Hierin is, voor zover van belang, vermeld: “Deze aanslagen zijn dan ook dienovereenkomstig vernietigd. (…) Onze beroepschriften worden hierbij dan ook ingetrokken. De verweerschriften van de inspecteur kunnen wij in dit kader niet plaatsen.”

2.12.

Belanghebbende is in het bezit van afschriften van twee nadere ambtshalve verminderingsbeschikkingen van de navorderingsaanslagen. Ter zitting heeft de inspecteur verklaard geen idee te hebben hoe belanghebbende in het bezit is gekomen van deze afschriften en dat deze afschriften niet door hem dan wel door de Landsontvanger zijn uitgereikt of verstuurd. De Inspecteur heeft ter zitting voorts verklaard dat het klopt dat de navorderingsaanslagen in eerste instantie verder, voor de tweede keer, ambtshalve zijn verminderd, maar dat bij een controle is geconstateerd dat de aanslagen ten onrechte verder zijn verminderd, en dat de tweede ambtshalve vermindering vervolgens is teruggedraaid en niet op kohier is gekomen.

3 Geschil in hoger beroep

3.1.

In geschil zijn de antwoorden op de volgende vragen:

I. Is belanghebbende door het Gerecht terecht niet ontvankelijk is verklaard?

II. Heeft belanghebbende recht op een vergoeding van kosten van USD 33.146,20?

Belanghebbende beantwoordt vraag I ontkennend en vraag II bevestigend, de Inspecteur is de tegenovergestelde opvatting toegedaan.

3.2.

Partijen doen hun standpunten steunen op de gronden welke daartoe door hen zijn aangevoerd in de van hen afkomstige stukken, alsmede op hetgeen zij ter zitting hebben bijgebracht.

3.3.

Belanghebbende concludeert tot gegrondverklaring van het hoger beroep, vernietiging van de uitspraak van het Gerecht en verdere vermindering van de navorderingsaanslagen tot de bedragen die zijn vermeld op de afschriften van de twee nadere ambtshalve verminderingsbeschikkingen die in zijn bezit zijn.
De Inspecteur concludeert tot bevestiging van de uitspraak van het Gerecht.

4 Het oordeel van het Gerecht

Het Gerecht heeft het volgende overwogen:

‘4.1 Ingevolge artikel 31, lid 1 van de Algemene landsverordening Landsbelastingen (ALL) kan de belanghebbende binnen twee maanden na dagtekening van de uitspraak op bezwaar in beroep komen bij het Gerecht. Deze bepaling houdt in dat beroep slechts kan worden ingesteld tegen een uitspraak op bezwaar.

4.2

Belanghebbende heeft nimmer bezwaar aangetekend tegen de navorderingsaanslagen en de Inspecteur heeft om die reden ook nooit uitspraken op bezwaar gedaan met betrekking tot de in het geding zijnde navorderingsaanslagen. De Inspecteur heeft de navorderingsaanslagen slechts ambtshalve verminderd. Tegen ambtshalve verminderingen kan, gelet op het bepaalde in artikel 31, lid 1 ALL, geen beroep worden ingesteld. Dat betekent dat het beroep niet ontvankelijk is.

4.3

Belanghebbende heeft gesteld dat hij kort na 10 november 2015, toen hij voor het eerst bekend raakte met de navorderingsaanslagen, wel bezwaar heeft gemaakt en dat de ambtshalve verminderingen dienen te worden aangemerkt als uitspraken op bezwaar. Naar het oordeel van het Gerecht heeft belanghebbende die stelling, tegenover de betwisting van de Inspecteur, niet aannemelijk gemaakt. De door belanghebbende genoemde omstandigheden (dat in die periode om uitstel van betaling is verzocht (en ook uitstel is verkregen), dat de voorgenomen executoriale verkoop niet is doorgegaan en dat in januari 2016 de navorderingsaanslagen ambtshalve zijn verminderd zijn) daarvoor onvoldoende. Belanghebbende heeft ook nog gesteld dat er in die periode correspondentie is geweest met de Inspecteur, maar hij heeft die stelling niet gestaafd met bewijzen. Die enkele omstandigheid leidt bovendien niet tot de vaststelling dat bezwaarschriften zijn ingediend. Nu het beroep niet ontvankelijk is komt het Gerecht niet toe aan een inhoudelijke behandeling van de zaken.

4.4

Voor zover het beroep dient te worden opgevat als een, bij het verkeerde orgaan ingediend bezwaar tegen de oorspronkelijk opgelegde navorderingsaanslagen, geldt het navolgende. In een dergelijk geval is de hoofdregel dat het Gerecht het beroepschrift van belanghebbende doorstuurt naar de Inspecteur ter verdere behandeling als bezwaarschrift. In het voorliggende geval zal het Gerecht daar uit praktische overwegingen van afzien (vergelijk Gerecht in eerste aanleg van Curaçao, ECLl:NL:OGEAC:2017:66). Immers, gelet op de dagtekening van de navorderingsaanslagen (27 november 2009) en de datum van binnenkomst van het beroepschrift (1 september 2016) stelt het Gerecht vast dat dit niet is ingediend binnen de termijn van twee maanden na dagtekening van de aanslagen zodat de Inspecteur niets anders zou kunnen doen dan de bezwaren niet ontvankelijk verklaren. Doorsturen van het beroepschrift heeft geen zin.

Belanghebbende heeft nog wel aangevoerd dat hij pas voor het eerst op 10 november 2015 heeft kennisgenomen van de aanslagen, maar dat leidt niet tot een ander oordeel. Immers, van een verschoonbare termijnoverschrijding is slechts sprake indien de belastingplichtige na het bekend raken met de (navorderings)aanslagen zo spoedig als redelijkerwijs mogelijk bezwaar indient. Belanghebbende heeft pas op 1 september 2016 (als bezwaar aan te merken) beroep aangetekend en dat is niet zo spoedig als redelijkerwijs mogelijk na het bekend worden met de navorderingsaanslagen.’

5 Gronden

5.1.

Het Hof stelt vast (zie 2.11.) dat belanghebbende zijn beroep bij schrijven van 26 juni 2017 ondubbelzinnig en zonder enig voorbehoud heeft ingetrokken. Ondanks die intrekking is belanghebbende op 29 juni 2017 verzocht om op 30 juni 2017 ter zitting te verschijnen.

Ter zitting van 30 juni 2017 is belanghebbende gevraagd na te gaan of er bezwaar is ingesteld tegen de navorderingsaanslagen; belanghebbende is vervolgens een termijn van vier weken gegeven om alsnog het bezwaar tegen de navorderingsaanslagen te reproduceren.

5.2.

Op 30 november 2017 is de zitting hervat. Vervolgens heeft het Gerecht het onderzoek gesloten en belanghebbende wegens het niet (tijdig) maken van bezwaar tegen de navorderingsaanslagen niet-ontvankelijk verklaard.

5.3.

In zijn hoger beroepschrift en in de pleitnota die ter zitting is voorgedragen herhaalt belanghebbende dat hij zijn bij het Gerecht ingediende beroepschrift heeft ingetrokken en dat het Gerecht dan ook ten onrechte tot niet-ontvankelijkheid heeft geoordeeld.

5.4.

Het hoger beroep van belanghebbende slaagt. Zoals vermeld onder 5.1 heeft belanghebbende zijn beroepschrift ondubbelzinnig en zonder enig voorbehoud ingetrokken.

Die ondubbelzinnigheid wordt, ook achteraf, bevestigd door de standpunten die belanghebbende inneemt in diens hoger beroepschrift en in de ter zitting van het Hof voorgedragen pleitnota. Het Gerecht is alsdan ten onrechte overgegaan tot twee inhoudelijke zittingen en dientengevolge heeft belanghebbende onnodig kosten gemaakt.

5.5.

Als gevolg van de intrekking van het beroep door belanghebbende komt het Hof (ook) niet toe aan de behandeling van de verminderingsbeschikkingen en de vraag of die beschikkingen al dan niet daadwerkelijk zijn verminderd. Het Hof merkt in dit verband nog wel op dat tegen ambtshalve verminderingen geen beroep openstaat. Voor zover belanghebbende zou menen dat de Inspecteur met betrekking tot de verminderingsbeschikkingen onrechtmatig jegens hem heeft gehandeld en om die reden schadeplichtig is, dient belanghebbende zich tot de burgerlijke rechter te wenden.

Slotsom

5.6.

Het hoger beroep is gegrond en het Hof zal de uitspraak van het Gerecht vernietigen.

Griffierecht

5.7.

Nu het Hof het hoger beroep van belanghebbende gegrond acht en de uitspraak van het Gerecht vernietigt, zal het Hof de Inspecteur veroordelen tot het vergoeden van het door belanghebbende betaalde griffierecht van NAf 50 (beroepsfase) en NAf 200 (hoger beroepsfase).

Proceskosten

5.8.

Belanghebbende heeft ter zitting een factuur overgelegd waaruit volgt dat de totale kosten van het beroep en het hoger beroep, in totaal, inclusief 6% omzetbelasting, USD 33.146,20 bedragen. Belanghebbende verzoekt het Hof de Inspecteur te veroordelen tot betaling van het genoemde bedrag van USD 33.146,20.

5.9.

Het Hof zal het verzoek tot veroordeling van de Inspecteur in de integrale proceskosten niet inwilligen. Voor het veroordelen van de Inspecteur tot de integrale kosten van de voor het Gerecht en het Hof gemaakte kosten is alleen plaats in het geval de Inspecteur het verwijt treft dat het een beschikking of uitspraak geeft of doet of in rechte handhaaft, terwijl op dat moment duidelijk is dat de beschikking of uitspraak in een daartegen ingestelde procedure geen stand zal houden dan wel dat de Inspecteur in verregaande mate onzorgvuldig jegens belanghebbende heeft gehandeld. Van dergelijke omstandigheden is geen sprake. Uit het intrekken van het beroepschrift leidt het Hof af dat belanghebbende bij nader inzien geen beroep had willen instellen; het instellen van het hoger beroep vloeit voort uit de onjuiste uitspraak van het Gerecht. Zo bezien valt het de Inspecteur niet te verwijten dat belanghebbende beroep en hoger beroep heeft moeten instellen.

5.10.

Het Hof zal de Inspecteur wel veroordelen tot een forfaitaire proceskostenvergoeding. Naar het oordeel van het Hof heeft belanghebbende recht op een proceskostenvergoeding voor de beroepsfase, omdat door toedoen van het Gerecht belanghebbende, onnodig, twee keer ter zitting is verschenen. Voor het instellen van het hoger beroep heeft belanghebbende recht op een proceskostenvergoeding omdat die rechtsgang nodig was om de onjuiste uitspraak van het Gerecht te vernietigen.

5.11.

Met ingang van het jaar 2016 is in de Landsverordening op het beroep in belastingzaken (hierna: LBB) de wettelijke grondslag voor de kostenvergoeding in beroepsfase in artikel 15 LBB geregeld. In artikel 15, tweede lid, van de LLB is bepaald dat de regels over de kosten en de wijze van de berekeningen van de hoogte daarvan, bij of krachtens landsbesluit, houdende algemene maatregelen worden vastgesteld. Dat is nog niet gebeurd. Het Hof zal daarom aansluiten bij het Besluit proceskosten bestuursrecht, PB 2001, no. 127 (zie ook Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba, 21 juni 2017, ECLI:NL:OGHACMB:2017:54). In artikel 1 van dit Besluit zijn de kosten vermeld die voor vergoeding in aanmerking komen waaronder de kosten van door een derde beroepsmatig verleende bijstand.

5.12.

Het Hof stelt de proceskosten op de voet van artikel 15 LBB in verbinding met het vorengenoemde Besluit en de daarbij behorende bijlage, voor de beroepsfase vast op NAf 1.400 wegens beroepsmatig verleende rechtsbijstand (2 punten voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van NAf 700 en een wegingsfactor van 1). Voor het hoger beroep bepaalt het Hof de kosten eveneens op NAf 1.400 wegens beroepsmatig verleende rechtsbijstand (1 punt voor het indienen van het hoger beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van NAf 700 en een wegingsfactor van 1).

Het totaal van de proceskostenvergoeding bedraagt NAf 1.400 + NAf 1.400 = NAf 2.800.

6 Beslissing

Het Hof:

  • -

    verklaart het hoger beroep gegrond,

  • -

    vernietigt de uitspraak van het Gerecht,

  • -

    verklaart het beroep gegrond,

  • -

    gelast dat de Inspecteur het door belanghebbende betaalde griffierecht van NAf 50 (beroep) en NAf 200 (hoger beroep), in totaal NAf 250, vergoedt, en

  • -

    veroordeelt de Inspecteur in de proceskosten van belanghebbende, voor de beroepsfase van NAf 1.400 en hoger beroepsfase van NAf 1.400, in totaal van NAf 2.800.

Aldus gedaan door mrs. D. Haan, voorzitter, P.A.M. Pijnenburg en M.J. Leijdekker, leden, in tegenwoordigheid van M.M.M. Faro MSc., als griffier. De beslissing is op 9 januari 2019 in het openbaar uitgesproken.

Afschriften zijn per post/e-mail op aan partijen verzonden.

Het aanwenden van een rechtsmiddel:

Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen twee maanden na dagtekening van het afschrift van de uitspraak van het Gemeenschappelijk Hof beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag.

Partijen hebben ook de mogelijkheid hun beroepschrift in te dienen bij de griffie van het Gerecht in Eerste aanleg dat de zaak in eerste aanleg heeft behandeld. De datum van binnenkomst bij de griffie van het lokale Gerecht in Eerste aanleg is in dat geval bepalend voor de vraag of het beroep tijdig is ingesteld bij de Hoge Raad der Nederlanden.

U wordt verzocht bij het indienen van het beroepschrift het volgende in acht te nemen:

1. leg bij het beroepschrift een afschrift over van deze uitspraak;

2 onderteken het beroepschrift en vermeld het volgende:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. de dagtekening;

c. waartegen u in beroep komt;

d. waarom u het daar niet mee eens bent (de gronden van het beroep).

In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.