Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:OGHACMB:2019:101

Instantie
Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba
Datum uitspraak
26-03-2019
Datum publicatie
11-06-2019
Zaaknummer
AR 1503/13 – ghis 79875 – H 260/16 AUA201601594 – AUA2018H00113
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Zoon is curator over vermogen moeder, vorderingen van ander kind tot boedelbeschrijving, rekening en verantwoording en vernietiging van door curator verrichte rechtshandelingen

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Jurisprudentie Erfrecht 2019/185
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Burgerlijke zaken over 2019 Vonnis no.:

Registratienummer: AR 1503/13 – ghis 79875 – H 260/16

AUA201601594 – AUA2018H00113

Uitspraak: 26 maart 2019

GEMEENSCHAPPELIJK HOF VAN JUSTITIE

van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en

van Bonaire, Sint Eustatius en Saba

V O N N I S

in de zaak van:

[APPELLANTE,

wonende in Aruba,

oorspronkelijk eiseres,

thans appellante,

gemachtigde: mr. J.M.R.F. Scheper,

tegen

  1. [GEÏNTIMEERDEN],

  2. [GEÏNTIMEERDEN],

  3. [GEÏNTIMEERDE SUB 3],

allen wonende in Aruba,

oorspronkelijk gedaagden,

thans geïntimeerden,

gemachtigde: mr. D.G. Kock.

De partijen worden hierna achtereenvolgens [appellante], [geïntimeerde sub 1], [geïntimeerde sub 2] en de notaris genoemd. De drie geïntimeerden zullen gezamenlijk worden aangeduid als [geïntimeerden] c.s.

1 Het verloop van de procedure

1.1

Bij akte van appel van 11 maart 2016 is [appellante] in hoger beroep gekomen van het tussen partijen gewezen en op 3 februari 2016 uitgesproken vonnis van het Gerecht in eerste aanleg van Aruba (verder: het Gerecht).

1.2

Bij op 22 april 2016 ingekomen memorie van grieven, met producties, heeft [appellante] vijf grieven tegen het vonnis aangevoerd en toegelicht. Haar conclusie strekt ertoe dat het Hof het vonnis zal vernietigen en haar vorderingen alsnog zal toewijzen, met veroordeling van [geïntimeerden] c.s. in de proceskosten in beide instanties.

1.3

Bij memorie van antwoord hebben [geïntimeerden] c.s. de grieven bestreden. Hun conclusie strekt ertoe dat het Hof het bestreden vonnis zal bevestigen, met veroordeling van [appellante] in de proceskosten in hoger beroep.

1.4

Op de daarvoor nader bepaalde dag hebben partijen pleitnotities overgelegd. Aan die van [appellante] zijn producties gehecht waarop [geïntimeerden] c.s. bij akte hebben gereageerd.

1.5

Vonnis is gevraagd en bepaald op vandaag.

2 De beoordeling

2.1 [

appellante], [geïntimeerde sub 1] en [geïntimeerde sub 2] zijn samen met zeven andere kinderen de erfgenamen van hun ouders, de op 23 april 2011 overleden [naam 1] (hierna ook: [naam 1]) die in algemene gemeenschap was gehuwd met [naam 2] (hierna ook: [naam 2]), de vader, die lopende dit geding is gestorven. Bij beschikking van het Gerecht van 7 september 2010 is [geïntimeerde sub 1] benoemd tot curator over zijn onder curatele gestelde moeder, [naam 1].

2.2

Tot de huwelijksgoederengemeenschap behoorde een recht van erfpacht op een perceel domeingrond van 412 m2 waarop een woonhuis was gebouwd dat door de echtelieden werd bewoond (hierna ook: het onroerend goed). Dit recht van erfpacht en het echtelijk woonhuis zijn door de vader met toestemming ex artikel 1:88 lid 1 onder a BW van [geïntimeerde sub 1] als curator van zijn moeder verkocht en bij een door de notaris verleden akte van 5 november 2010 geleverd aan [geïntimeerde sub 2] voor een koopsom van Afl. 100.000,-. Bij die akte is tevens een gezamenlijk en opvolgend recht van vruchtgebruik gevestigd ter zake van het onroerend goed en ten behoeve van de beide ouders gedurende het leven van de langstlevende hunner.

2.3

In dit geding heeft [appellante] gevorderd dat het Gerecht:

a.geïntimeerde sub 1] zal bevelen om binnen 30 dagen, althans een door de rechter te bepalen termijn, een beschrijving van de boedel ten tijde van de aanvang van het curatorschap in te dienen;

b.geïntimeerde sub 1] zal bevelen om binnen eenzelfde termijn rekening en verantwoording af te leggen van de het door hem over de goederen van [naam 1] gevoerde bewind;

c.de handelingen tot verkoop en levering van het onroerend goed nietig zal verklaren dan wel zal vernietigen;

d.de handelingen tot vestiging van het recht van vruchtgebruik ten behoeve van [naam 2] nietig zal verklaren, dan wel zal vernietigen;

e.de notariële akte van levering en vestiging vruchtgebruik van 5 november 2010 zal vernietigen, dan wel de notaris zal bevelen om een akte van retro-transport te verlijden en in te schrijven;

f.geïntimeerden] c.s. zal veroordelen in de kosten van het geding.

2.4

Bij het bestreden vonnis heeft het Gerecht deze vorderingen alle afgewezen en [appellante] veroordeeld in de proceskosten.

2.5

De grieven 1 en 2 betreffen de boedelbeschrijving en de rekening en verantwoording.

2.6

Een boedelbeschrijving dient als basis van (de controle op de) de door de curator bij het einde van het bewind af te leggen rekening en verantwoording. Blijft deze boedelbeschrijving uit, dan kan dat leiden tot ontzetting uit het curatorschap. In casu blijkt niet dat [geïntimeerde sub 1] op het uitblijven van de boedelbeschrijving is aangesproken. Hoe dat zij, nu het bewind is geëindigd lost de verplichting op in die tot het doen van rekening en verantwoording.

2.7

In dat verband is van belang dat de curatele, die nog geen acht maanden heeft geduurd (7 september 2010 tot en met 23 april 2011), betrekking had op een gezamenlijk vermogen. Tussen de beide ouders bestond immers een huwelijkse gemeenschap en gesteld noch gebleken is dat [naam 1] enige privébezittingen had die niet in die gemeenschap vielen. Voorts staat niet ter discussie dat de ouders beperkte (pensioen)inkomsten genoten en zij in hun levensonderhoud konden voorzien doordat de kinderen die inkomsten aanvulden.

2.8

De bezwaren van [appellante] hebben in hoofdzaak betrekking op uitgaven die zij onnodig of niet in het belang van [naam 1] acht. Daarbij lijkt zij meer dan eens te miskennen dat haar ouders in gemeenschap van goederen waren gehuwd en met een inwonende volwassen zoon een gezamenlijke huishouding voerden. Onjuist is dat [geïntimeerde sub 1] er als curator voor diende te waken dat de kosten van die huishouding gelijkelijk over de beide echtgenoten werden verdeeld (in die zin dat de op hun eigen naam staande rekeningen gelijkelijk werden aangesproken) en dat de inkomsten (zoals de opbrengst van het huis) tussen hen - dat wil wederom zeggen: over die rekeningen - werden verdeeld. Dat er van de gezamenlijke of op naam van [naam 1] staande rekeningen uitgaven werden gedaan aan spullen die niet voor [naam 1] konden zijn bestemd, impliceert ook niet dat haar belangen daarmee werden geschaad.

2.9

De stelling dat er nodeloze uitgaven zijn gedaan, kan er op zichzelf ook niet toe leiden dat [geïntimeerde sub 1] opnieuw (of anders) rekening en verantwoording dient af te leggen. Indien het [appellante] ernst is met haar bezwaren en zij meent dat een of meerdere kinderen geld aan het vermogen van haar ouders hebben onttrokken, zal zij die bezwaren in het kader van de verdeling van de nalatenschap aan de orde moeten stellen. Dat het [appellante] daartoe ontbreekt aan de benodigde gegevens, is gelet op de gedetailleerde kritiek die zij heeft geformuleerd niet aannemelijk. Zij beroept zich bij die kritiek op bankafschriften, waaraan zij “verdachte” betalingen ontleent, ook van (net) voor de curatele. Dat [geïntimeerde sub 1] de beginsaldi van de rekeningen niet afzonderlijk heeft beschreven, kan dan ook geen wezenlijk bezwaar zijn.

2.10

Gelet op dit een en ander bestaat er geen reden om [geïntimeerde sub 1] te veroordelen opnieuw (maar dan deugdelijk) rekening en verantwoording af te laten leggen. Daarbij weegt mee dat [geïntimeerde sub 1], die slechts curator was over (de belangen van zijn moeder), niet langs deze weg als enige verantwoordelijk mag worden gemaakt voor de onenigheid die blijkbaar tussen de kinderen heerste over de zorg voor hun moeder, de (financiële en/of immateriële) bijdrage die een ieder daarin leverde of diende te leveren en de mate waarin externe zorg diende te worden ingekocht.

2.11

Met betrekking tot de grieven 3 en 4 heeft te gelden dat [naam 2] op grond van artikel 1:90 juncto 97 BW bevoegd was om het op zijn naam staande goed over te dragen en dat de voor de verkoop ex artikel 1:88 lid 1 onder a BW benodigde toestemming namens [naam 1] is verkregen. Rechterlijke toestemming was niet vereist.

2.12

Nu de beide ouders zijn overleden kan het belang van [naam 1] (die - het zij herhaald - geen eigen vermogen, had, maar gerechtigd was tot de huwelijksgoederengemeenschap) op zichzelf geen argument (meer) zijn om de rechtshandelingen aan te tasten. Indien [appellante] (daarin gesteund door een of meer andere erfgenamen) meent dat haar vader, met hulp van [geïntimeerde sub 1], bij de verkoop van het huis haar zuster [geïntimeerde sub 2] boven de andere kinderen heeft bevoordeeld, kan zij trachten met een beroep op de legitieme portie te bewerkstelligen dat die bevoordeling ongedaan wordt gemaakt. Daartoe ontbreken, nu omtrent de omvang van het vermogen en de eventuele testamenten van de beide ouders niets bekend is en [appellante] evenmin, met een taxatierapport, heeft gemotiveerd dat het erfpachtrecht op de domeingrond met het daarop gebouwde huis meer waard was dan Afl. 100.000,- de benodigde gegevens en de vorderingen zijn er ook niet op toegesneden. Voor zover de koopprijs niet is betaald, kunnen [appellante] en de overige erfgenamen vorderen dat het geld alsnog in de boedel wordt gebracht. Een reden om de transactie te vernietigen of terug te draaien is die openstaande vordering niet.

2.13

Bij de vordering onder d bestaat, nu de vader is overleden en zijn vruchtgebruik is geëindigd, geen belang meer, wat [appellante] ook heeft erkend onder 35 van haar pleitnota in hoger beroep. Derhalve zijn ook de resterende vorderingen, die onder c tot en e, terecht afgewezen en falen de grieven 3 en 4.

2.14

Grief 5 bouwt op de eerdere grieven voort en faalt dus ook: [appellante] is in eerste aanleg als de overwegend in het ongelijk gestelde partij in de kosten verwezen en het Hof ziet geen aanleiding om gebruik te maken van de bevoegdheid de kosten tussen de partijen, voor zover familie van elkaar, te compenseren.

2.15

Het door [appellante] gedane bewijsaanbod heeft geen betrekking op

omstandigheden die, indien bewezen, tot een ander oordeel zouden kunnen leiden. Het wordt daarom gepasseerd.

2.16

De slotsom is dat de grieven falen en dat het vonnis waarvan beroep dient te worden bevestigd. [appellante] zal als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de kosten van het hoger beroep.

B E S L I S S I N G

Het Hof:

bevestigt het vonnis waarvan beroep;

veroordeelt [appellante] in de kosten van het hoger beroep, aan de zijde van [geïntimeerden] c.s. gevallen en tot op heden begroot op Afl. 208,95 aan betekeningskosten en Afl. 6.000,- aan salaris voor de gemachtigde;

verklaart deze kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mrs. H.J. Fehmers, F.W.J. Meijer en J. de Boer, leden van het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba en ter openbare terechtzitting van het Hof in Aruba uitgesproken op 26 maart 2019 in tegenwoordigheid van de griffier.