Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:OGHACMB:2018:9

Instantie
Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba
Datum uitspraak
27-02-2018
Datum publicatie
27-02-2018
Zaaknummer
AR 67558/14 - H 144/16 en 144A/16
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Curaçao. Vervolg op ECLI:NL:OGHACMB:2017:46. "Burengeschil" in de toeristische sector. Eindvonnis.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Burgerlijke zaken over 2018 Vonnis no.:

Registratienummer: AR 67558/14 - H 144/16 en 144A/16

Uitspraak: 27 februari 2018 (bij vervroeging)

GEMEENSCHAPPELIJK HOF VAN JUSTITIE

van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en

van Bonaire, Sint Eustatius en Saba

V O N N I S

in de zaak van:

de naamloze vennootschappen

1. CURAÇAO PUBLIC AQUARIUM N.V.,

2. SUB STATION CURAÇAO N.V.,

3. LIGHTHOUSE REALTY N.V.,

alle gevestigd in Curaçao,

oorspronkelijk gedaagden,

thans appellanten in het principaal appel,

geïntimeerden in het incidenteel appel,

gemachtigde: mr. C. de Bres,

tegen

de besloten vennootschap

LIONS DIVE HOTEL & MARINA B.V.,

gevestigd in Curaçao,

oorspronkelijk eiseres,

thans geïntimeerde in het principaal appel,

appellante in het incidenteel appel,

gemachtigden: mrs. J.A. Starreveld en D.M. Douwes.

De partijen worden hierna CPA, Sub Station, Lighthouse en Lions Dive genoemd. CPA, Sub Station en Lighthouse worden gezamenlijk ook CPA c.s. genoemd.

1 Het verdere verloop van de procedure

Bij vonnis van 30 mei 2017 (hierna: het tussenvonnis) heeft het Hof de zaak naar de rol verwezen. Op 12 september 2017 is aan beide zijden een akte ingediend, met producties. Lions Dive heeft daarbij haar eis vermeerderd. Op 7 november 2017 is aan beide zijden een antwoordakte ingediend. Vonnis is gevraagd en bepaald op heden.

2 De verdere beoordeling

2.1

Lions Dive heeft bij akte van 12 september 2017 een primaire vordering tot thans vast te stellen vervangende schadevergoeding in natura wegens onrechtmatige landaanwinning aan haar vordering toegevoegd. Het Hof zal deze primaire vordering buiten beschouwing laten wegens strijd met de eisen van een goede procesorde, d.w.z. wegens de omstandigheid dat beoordeling ervan ertoe zou leiden dat het geding onredelijk wordt vertraagd en dat het CPA c.s. onredelijk moeilijk wordt gemaakt verweer te voeren.

Het Hof zal echter wel acht slaan op de standpunten van Lions Dive die tot uitdrukking komen in haar thans primair toegevoegde vordering, voor zover die standpunten in het verlengde liggen van het eerder gevoerde partijdebat.

Subsidiair heeft Lions Dive een vordering tot verwijzing naar de schadestaatprocedure toegevoegd. Deze aanvullende eis zal in de beoordeling worden betrokken. Deze ligt in het verlengde van de reeds bij inleidend verzoekschrift geformuleerde vordering (ix). Daarom is beoordeling van deze aanvullende eis niet in strijd met de eisen van een goede procesorde.

2.2

Lions Dive heeft verzocht om aanvulling van rov. 2.10 en 2.11 van het tussenvonnis. Het Hof geeft de volgende aanvullende overwegingen. Rov. 2.10 is een verwerping van een door Lions Dive verdedigde uitleg, zoals vooral onder 24-26 van haar memorie van antwoord verwoord. Zoals in rov. 2.6-2.11 van het tussenvonnis staat vermeld, dient art. 18 van de overeenkomst van 2000 te worden uitgelegd aan de hand van de Haviltexmaatstaf en heeft het Hof bij zijn uitleg acht geslagen op (alle omstandigheden van het geval, waaronder met name) de tekst van de bepaling, de vorm van het in bijlage E ingetekende schiereiland, de ligging ervan ten opzichte van Lions Dive en de strekking van de bepaling om een regeling te treffen met betrekking tot de hinder die Lions Dive van het schiereiland ondervindt of meent te ondervinden. Verder heeft het Hof overwogen dat de aldus bereikte uitleg ook een redelijke uitleg is.

Geen van die door het Hof genoemde gezichtspunten ondersteunt het standpunt van Lions Dive dat niet alleen is overeengekomen tot welke grenzen het schiereiland uiteindelijk mag worden uitgebreid, maar dat ook is overeengekomen dat slechts een eenmalige uitbreiding wordt toegestaan, waarna geen verdere uitbreidingen meer toegestaan zullen zijn, ook niet als die verdere uitbreidingen binnen de in 2000 overeengekomen grenzen zouden blijven. Indien het de bedoeling was ook dat laatste overeen te komen, zou men verwachten dat dit in de tekst tot uitdrukking zou zijn gebracht. De opmerkingen van [betrokkene 1] bij de comparitie van 25 juni 2015, inhoudende dat hij de tekst van de overeenkomst heeft opgesteld en dat voor de marge van 5% is gekozen omdat de exacte oppervlakte van het schiereiland ten tijde van het opstellen daarvan niet bekend was, geven wellicht enige steun aan de door Lions Dive verdedigde uitleg, maar tegenover het voorgaande zijn die opmerkingen van onvoldoende gewicht. Die opmerkingen geven dus geen aanleiding tot een andere uitleg. Dat is in de eerste zin van rov. 2.11 van het tussenvonnis tot uitdrukking gebracht.

2.3

CPA c.s. hebben het Hof in hun antwoordakte na tussenvonnis verzocht de in rov. 2.8 gegeven beslissing te heroverwegen. In die rechtsoverweging heeft het Hof beslist dat niet mag worden uitgegaan van "de zogenaamde netto-berekening (aanwinnen minus afgraven)". Dienaangaande geeft het Hof de volgende aanvullende overwegingen. Ook deze uitleg is gegeven aan de hand van de Haviltexmaatstaf. Ook hier zijn de in rov. 2.9 van het tussenvonnis gegeven en thans hiervoor in rov. 2.2 herhaalde gezichtspunten mede van belang. Deze gezichtspunten ondersteunen het standpunt van CPA c.s. dat de methode van de netto-berekening is overeengekomen, in het geheel niet of niet in voldoende mate. Op zichzelf is juist dat indien de methode van de netto-berekening wel is overeengekomen, er toch goede argumenten zijn om ervan uit te gaan dat de afspraken tussen partijen meebrengen dat het CPA niet vrijstaat een eiland ter grootte van maximaal 10.965 m2 aan te leggen op iedere door haar gewenste locatie in zee, zoals CPA c.s. thans betogen. Dat argument is echter van onvoldoende gewicht om het Hof tot een ander oordeel te brengen dan in het tussenvonnis is gegeven.

2.4

Lions Dive heeft, met een beroep op een door landmetersbureau MDP opgestelde tekening, gesteld dat er ten noorden en ten westen van de oostelijke kustlijn meer dan 522 m2 is aangewonnen, namelijk 2.669,2 m2. CPA c.s. hebben de juistheid van de tekening betwist, maar niet vermeld hoeveel er aan die kant wel is aangewonnen, zelfs niet bij benadering. Het Hof stelt daarom als onvoldoende gemotiveerd betwist vast dat CPA meer dan 522 m2 heeft aangewonnen en daarom toerekenbaar is tekortgeschoten in de nakoming van art. 18 van de overeenkomst van 2000, en dat Sub Station en Lighthouse door daarvan in de omstandigheden van het geval te profiteren, onrechtmatig jegens Lions Dive hebben gehandeld. De mogelijkheid dat Lions Dive daardoor schade heeft geleden, is aannemelijk. Dat is voldoende voor toewijzing van de vordering tot schadevergoeding, op te maken bij staat.

2.5

In verband met het voorgaande zal het Hof een bevel uitspreken dat aansluit op de in rov. 2.16 van het tussenvonnis genoemde mogelijkheid (ii).

Bij akte na tussenvonnis hebben CPA c.s. een voorstel gedaan op basis van twee daarbij overgelegde situatieschetsen. Zoals Lions Dive terecht hebben opgemerkt, is, gelet op de afmetingen van 15 m, 45 m en 5 m die genoemd worden in de eerste schets, niet aannemelijk dat afgraving overeenkomstig de tweede schets leidt tot afgraving van een oppervlak van 500 m2, zoals het onderschrift bij de tweede schets suggereert.

Lions Dive heeft een voorstel gedaan, inhoudende dat de westelijke zijde van het schiereiland zo ver wordt afgegraven als mogelijk is zonder dat het sub station wordt afgebroken. Hiertegen hebben CPA c.s. terecht aangevoerd dat er ook een redelijke mogelijkheid moet zijn om de kade te bereiken.

Nu partijen het niet eens zijn geworden over een concreet plan, zal het Hof een verbod formuleren op basis van een beoordeling van het partijdebat. Aangezien CPA c.s. het mogelijk achten aan de westelijke zijde van het schiereiland een totaaloppervlak van 500 m2 af te graven, zullen zij daartoe worden veroordeeld.

2.6

Hetgeen het Hof in rov. 2.21 van het tussenvonnis heeft aangemerkt als een voor de hand liggend oordeel over het mogen varen van de Chapman op het binnenwater, beslist het Hof thans als eindbeslissing.

2.7

Op basis van voorgaande oordelen komt het Hof tot een eindvonnis. Om wille van de duidelijkheid zal het Hof de dicta geheel opnieuw formuleren en daartoe het bestreden vonnis vernietigen. De verdere voorwaarden die Lions Dive aan een minnelijke regeling of aan schadevergoeding in natura heeft willen verbinden, worden niet in de dicta opgenomen. Dat laat onverlet dat CPA c.s. bij de uitvoering van de dicta van het Hof in voldoende mate rekening dient te houden met de gerechtvaardigde belangen van Lions Dive en haar geen onrechtmatige hinder mag berokkenen.

In eerste aanleg zijn CPA c.s. terecht in overwegende mate in het ongelijk gesteld. Daarom worden zij veroordeeld in de kosten van het geding in eerste aanleg. Zowel het principaal appel als het incidenteel appel faalt grotendeels. Indien die appellen gezamenlijk worden beschouwd, geldt dat partijen in appel over en weer op enige punten in het ongelijk worden gesteld. Daarom zullen de kosten van het principaal appel en het incidenteel appel worden gecompenseerd.

B E S L I S S I N G

Het Hof:

vernietigt het vonnis waarvan beroep;

en opnieuw rechtdoende:

a. verbiedt Sub Station om (i) uitvoering te geven aan de geplande werkzaamheden bestaande uit de bouw van een kade aan het binnenwater en om (ii) een vrijstaande kade op enige plaats in het binnenwater aan de noordwestelijke zijde van het schiereiland ten westen van de "holy line" te realiseren, (iii) met dien verstande dat het Sub Station is toegestaan minimaal 500 m2 aan de westkant van het schiereiland af te graven en de voorgenomen kade aan te leggen aan de oever van het aldus verkleinde schiereiland;

b. gebiedt Sub Station om, voor zover dat nog niet is gebeurd, de in rov. 5.2 van het bestreden vonnis bedoelde palen te verwijderen binnen een maand na betekening van het onderhavige vonnis van het Hof;

c. verbiedt Sub Station om (i) de Chapman of enig schip van vergelijkbare omvang meer dan acht keer per kalenderjaar te laten aanmeren op de aan te leggen kade of gelegenheid te bieden daar aan te meren, telkens voor een periode van maximaal 24 uur, en om (ii) daarmee op het binnenwater te laten varen, behoudens voor zover dat redelijkerwijs nodig is om die acht keer per kalenderjaar de kade te bereiken en vanaf de kade weer de zee op te varen;

d. voorgaande verboden en gebod op straffe van verbeurte van een dwangsom van NAf 25.000,00 per overtreding, bij voortduring van de overtreding te vermeerderen met NAf 2.000,00 per dag dat de overtreding voortduurt, waarbij een gedeelte van een dag als een gehele dag heeft te gelden, met een maximum van NAf 500.000,00 per verbod en gebod;

e. verklaart voor recht dat CPA c.s. toerekenbaar zijn tekortgekomen of onrechtmatig hebben gehandeld jegens Lions Dive door het schiereiland verder te vergroten dan art. 18 van de overeenkomst van 2000 toestaat, en aldus het uitzicht van Lions Dive te beperken;

f. veroordeelt CPA c.s. tot vergoeding van de daardoor bij Lions Dive veroorzaakte schade, op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet;

g. veroordeelt CPA c.s. in de kosten van het geding in eerste aanleg, aan de zijde van Lions Dive gevallen en begroot op NAf 8.510,35;

h. verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad, behalve voor zover daarbij een verklaring voor recht is uitgesproken;

i. compenseert de proceskosten in het principaal appel en in het incidenteel appel aldus dat iedere partij de eigen kosten draagt;

j. wijst af het meer of anders gevorderde.

Dit vonnis is gewezen door mrs. J. de Boer, G.C.C. Lewin en H.J. Fehmers, leden van het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba en ter openbare terechtzitting van het Hof in Curaçao uitgesproken op 27 februari 2018 in tegenwoordigheid van de griffier.