Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:OGHACMB:2018:89

Instantie
Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba
Datum uitspraak
24-04-2018
Datum publicatie
13-06-2018
Zaaknummer
AR 68589/14 - H 78/17
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Curaçao. Verdeling huwelijksgoederengemeenschap.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Burgerlijke zaken over 2018 Vonnis no.:

Registratienummer: AR 68589/14 - H 78/17

Uitspraak: 24 april 2018

GEMEENSCHAPPELIJK HOF VAN JUSTITIE

van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en

van Bonaire, Sint Eustatius en Saba

V O N N I S

in de zaak van:

[DE VROUW],

wonende in Curaçao,

oorspronkelijk eiseres,

thans appellante,

gemachtigde: mr. N.V.R. Doekhie,

tegen

[DE MAN],

wonende in Curaçao,

oorspronkelijk gedaagde,

thans geïntimeerde,

gemachtigde: mr. R.M.L. Conquet.

De partijen worden hierna de vrouw en de man genoemd.

1 Het verloop van de procedure

1.1

Bij akte van appel van 20 februari 2017 is de vrouw in hoger beroep gekomen van het tussen partijen gewezen en op 9 januari 2017 uitgesproken vonnis van het Gerecht in eerste aanleg van Curaçao (verder: GEA).

1.2

Bij op 3 april 2017 ingekomen memorie van grieven, met producties, heeft de vrouw grieven tegen het vonnis aangevoerd en toegelicht. Haar conclusie strekt ertoe dat het Hof het vonnis zal vernietigen en haar vorderingen alsnog zal toewijzen, althans in goede justitie een verdeling van de huwelijksgoederengemeenschap zal vaststellen.

1.3

Bij memorie van antwoord heeft de man de grieven bestreden. Zijn conclusie strekt ertoe dat het Hof het bestreden vonnis zal bevestigen, met veroordeling van de vrouw in de proceskosten in hoger beroep.

1.4

Op 26 september 2017 hebben partijen pleitnotities overgelegd. Aan de pleitnotities van de vrouw zijn producties gehecht. Aan die van de man is ook een productie gehecht.

1.5

Bij akte van 21 november 2017 heeft de man zich uitgelaten over de producties van de vrouw.

1.6

Vonnis is gevraagd en nader bepaald op heden.

2 De beoordeling

2.1

Gelet op het overgelegde bewijs van onvermogen zal het Hof de vrouw toelating verlenen om in hoger beroep kosteloos te procederen.

2.2

De man en de vrouw zijn in algehele gemeenschap van goederen met elkaar gehuwd geweest en zijn thans gescheiden.

2.3

In dit geding heeft het GEA de verdeling van de huwelijksgoederengemeenschap vastgesteld en bepaald dat het vonnis in de plaats treedt van een notariële verdelingsakte. Het hoger beroep strekt ertoe dat de verdeling op een aantal punten anders wordt vastgesteld.

2.4

Het GEA heeft de datum van inschrijving van de echtscheidingsbeschikking, 8 januari 2013, gehanteerd als peildatum voor het vaststellen van de omvang van de gemeenschap. Partijen zijn het daarmee eens en ook het Hof verenigt zich daarmee.

Het pensioen bij Vidanova

2.5

In rov. 2.4 van het bestreden vonnis heeft het GEA verwezen naar een pensioenbrief. De bedoelde pensioenbrief is afkomstig van Vidanova, is gedateerd op 29 januari 2016 en noemt als waarde van het ouderdomspensioen NAf 141.958,-, als waarde van het nabestaandenpensioen NAf 40.848,-, als totaal te verdelen waarde NAf 182.806,- en als te verrekenen waarde NAf 50.555,-. Dit geeft het GEA correct weer in rov 2.4 van het bestreden vonnis. In rov. 2.6 overweegt het GEA dat de man NAf 50.555,- aan de vrouw dient te voldoen, nu zij haar bijzondere nabestaandenpensioen behoudt. Ook dat is correct. In rov. 2.30 geeft het GEA een overzicht, waarin staat opgenomen dat het nabestaandenpensioen van NAf 40.848,- aan de vrouw wordt toebedeeld en het ouderdomspensioen van NAf 141.958,- aan de man. Ook dat is correct. De opname van deze beide bedragen leidt er op zichzelf toe dat de man wordt overbedeeld met ½ x (NAf 141.958,- minus NAf 40.848,-) = NAf 50.555,-. Zo komt het ook uit in de berekening die het GEA in rov. 2.32

weergeeft. Het GEA heeft de pensioenbrief, waarvan de juistheid niet is betwist, dus op een correcte manier in de verdeling verwerkt. De klacht hierover faalt.

De lening bij de Coöperatieve Spaar- en Kredietvereniging Utiliteitsbedrijven

2.6

Het GEA heeft blijkens rov. 2.8 van het bestreden vonnis rekening gehouden met een schuld uit geldlening van NAf 11.700,- en die toebedeeld aan de man. Bij memorie van grieven heeft de vrouw aangevoerd dat het gehanteerde bedrag moet worden verlaagd tot NAf 10.332,-. Ter onderbouwing daarvan heeft zij als productie 5 rekeningoverzichten van 30 juni 2012 tot en met 30 september 2012 en van 31 december 2012 tot en met 31 maart 2013 overgelegd en een afdruk van een spreadsheet getiteld "fiansa/lening". Deze spreadsheet begint met een saldo van NAf 15.017,23 op 30 juni 2012, vervolgt met een saldo van NAf 15.177,46 op 1 juli 2012, noemt nog enige bedragen en data en eindigt met een saldo van NAf 10.332,85 op 8 januari 2013.

In de pleitnotities heeft de vrouw een toelichting gegeven: de vrouw heeft het bedrag van NAf 10.332,85 berekend door uit te gaan van een leningschuld van

NAf 15.177,46 per 1 juli 2012, zoals dat vermeld staat op het rekeningoverzicht van 30 juni 2012 tot en met 30 september 2012, en door een verder verloop te berekenen met wegdenken van een ook op het rekeningoverzicht vermelde opname van Naf 7.500,00 op 1 juli 2012. Die opname moet volgens haar worden weggedacht, omdat de man die zonder overleg met de vrouw heeft gedaan en niet heeft bewezen dat het opgenomen bedrag is aangewend voor reparaties aan het huis.

2.7

Zonder de toelichting in de pleitnotities is de grief over de hoogte van de leningschuld bij UCU onvoldoende kenbaar. De man kon zich er bij memorie van antwoord dus niet goed tegen verweren. De toelichting kan niet worden aangemerkt als een toelaatbare precisering van een deugdelijke grief. Nu het pleidooi heeft plaatsgehad door gelijktijdige indiening van pleitnotities zonder mondelinge behandeling, heeft de man niet op de toelichting kunnen reageren. Het Hof laat die toelichting daarom buiten beschouwing.

Zonder die toelichting is onvoldoende duidelijk waarom het door het GEA gehanteerde bedrag volgens de vrouw niet juist is. Het Hof zal dat bedrag dus handhaven.

De taxatiekosten

2.8

Bij tussenvonnis van 25 mei 2015 heeft het GEA bepaald dat partijen gezamenlijk de kosten van de taxateur dienen te voldoen.

In de stellingen van de vrouw in hoger beroep ligt besloten dat zij de rekening van de taxateur ad NAf 530,- en kopieerkosten ad NAf 80,36 heeft betaald en dat de man niet de helft daarvan aan haar heeft vergoed. De man heeft dat niet betwist. Dat betekent dat de man de helft van het totaal van beide bedragen aan de vrouw dient te vergoeden, dat is NAf 305,18. Indien de vonnissen van het GEA in stand blijven, blijft ook de beslissing van het GEA in stand dat partijen gezamenlijk de kosten van de taxateur dienen te voldoen. Dan moet de man voornoemd bedrag uit dien hoofde betalen aan de vrouw. Tot aanpassing van de verdeling leidt dat echter niet, en tot vernietiging van de vonnissen ook niet.

De Daihatsu Terios

2.9

De vrouw heeft gesteld dat zij in de periode 18 februari 2012-

8 januari 2013 in totaal NAf 2.917,82 aan kosten heeft gemaakt voor de (toenmalige) auto van partijen. Zij heeft betoogd dat de helft daarvan door de man moet worden vergoed.

De man heeft gesteld dat de vrouw zeer onzorgvuldig met de auto is omgegaan en dat deze kosten daarom voor haar rekening dienen te blijven.

2.10

Nu vaststaat dat alleen de vrouw de auto in de periode 18 februari 2012-

8 januari 2013 in gebruik heeft gehad, acht het Hof het redelijk dat de door haar opgevoerde kosten, waarvan de hoogte niet is betwist, voor haar eigen rekening blijven, maar dat de vrouw niet daarnaast de door het GEA in rov. 2.35 opgelegde gebruiksvergoeding van NAf 828,00 behoeft te betalen. Hierbij kan zowel in het midden blijven onder welke omstandigheden de vrouw de auto heeft meegenomen als in hoeverre de vrouw zorgvuldig met de auto is omgegaan. De grief slaagt dus gedeeltelijk. De in het dictum van het vonnis van het GEA genoemde vordering uit verrekening van de vrouw op de man dient met NAf 828,00 te worden verhoogd.

Orco Bank

2.11

Het GEA heeft voor de spaarvoorziening bij de Orco Bank NAf 87.934,03 in de verdeling betrokken. Dit is het saldo per 31 december 2012. De vrouw meent dat dit bedrag moet worden verhoogd met de rente over de periode

na 31 december 2012.

De man heeft aangevoerd dat de datum van ontbinding van de huwelijksgemeenschap moet worden gehanteerd, en ook dat de datum van indiening van het echtscheidingsverzoek moet worden gehanteerd.

2.12

Bij de verdeling van de huwelijksgoederengemeenschap dient te worden uitgegaan van de samenstelling daarvan bij het einde van het huwelijk. Dit is de datum van inschrijving van de echtscheidingsbeschikking, 8 januari 2013.

De in de periode 31 december 2012-8 januari 2013 gekweekte rente op de spaarrekening moet dus in beginsel in de verdeling worden betrokken.

Dat geldt niet voor de daarna gekweekte rente. Ook bij de andere activa en passiva is de na 8 januari 2013 gekweekte of verschuldigd geworden rente niet in de verdeling betrokken.

De vrouw heeft geen rentevoet genoemd. Zij had een toepasselijke rentevoet kunnen achterhalen zonder afhankelijk te zijn van informatie van de man.

Uit het overgelegde overzicht leidt het Hof af dat er in augustus-december 2012 in totaal NAf 1.260,88 aan rente is bijgeschreven. Op grond daarvan zal het Hof voor de periode 31 december 2012-8 januari 2013 uitgaan van een gekweekte rente van:

NAf 1.260,88 x 12 / 5 maanden x 8 / 365 dagen = NAf 66,33.

De helft hiervan is NAf 33,17. De in het dictum van het vonnis van het GEA genoemde vordering uit verrekening van de vrouw op de man dient met NAf 33,17 te worden verhoogd.

De schuldbekentenis van de vrouw

2.13

Het GEA heeft een door de vrouw gestelde schuld aan haar moeder toegerekend aan de vrouw zonder enig bedrag in verband daarmee in verrekening te brengen. Het GEA heeft daartoe overwogen dat de geleende gelden alleen aan de vrouw ten goede zijn gekomen.

De vrouw meent dat de schuld verrekend dient te worden. Zij heeft daartoe gesteld dat zij het geld heeft moeten lenen om in haar onderhoud te voorzien, omdat de man niet aan zijn onderhoudsplicht jegens haar voldeed.

2.14

Dit betoog faalt. Het Hof verenigt zich met de beslissing van het GEA en de daarvoor gegeven motivering. De enkele gestelde omstandigheid dat de man in die periode een onderhoudsplicht jegens de vrouw had, is, wat daar verder van zij, onvoldoende reden voor een ander oordeel.

De termijn van overdracht van de woning

2.15

Het GEA heeft in het dictum bepaald dat de vrouw binnen een termijn van zes weken de helft van het overnamebedrag voor de woning dient te vergoeden.

De vrouw heeft in hoger beroep het standpunt ingenomen dat dit een termijn van drie maanden moet zijn.

2.16

Zowel de vastgestelde termijn van zes weken als de bepleite termijn van drie maanden is inmiddels verstreken. Daarom kan dit standpunt bij gebrek aan belang onbesproken blijven.

Overig

2.17

Voor zover de vrouw in haar pleitnotities nog andere punten aan de orde heeft gesteld, is dat te laat. Het Hof gaat daar niet op in.

2.18

De in het dictum van het bestreden vonnis genoemde (verreken)vordering van NAf 4.419,00 dient te worden verhoogd met NAf 828,00 (zie rov. 2.10) en met NAf 33,17 (zie rov. 2.12) en dient dus op NAf 5.280,17 te worden gesteld. Het bestreden vonnis zal worden bevestigd, met dien verstande dat dit bedrag aldus wordt gewijzigd.

2.19

Aangezien partijen met elkaar getrouwd zijn geweest, zullen de proceskosten worden gecompenseerd.

B E S L I S S I N G

Het Hof:

bevestigt het vonnis waarvan beroep, met dien verstande dat de (verreken)vordering wordt gesteld op NAf 5.280,17 in plaats van NAf 4.419,00;

compenseert de proceskosten in hoger beroep aldus dat iedere partij de eigen kosten draagt.

Dit vonnis is gewezen door mrs. G.C.C. Lewin, M.W. Scholte en H.J. Fehmers, leden van het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba en ter openbare terechtzitting van het Hof in Curaçao uitgesproken op 24 april 2018 in tegenwoordigheid van de griffier.