Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:OGHACMB:2018:75

Instantie
Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba
Datum uitspraak
27-02-2018
Datum publicatie
07-06-2018
Zaaknummer
AR 68485/14 - H 218/16
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Curaçao. Onderaannemer. Houtsoort kozijnen. Bewijsopdracht.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Burgerlijke zaken over 2018 Vonnis no.:

Registratienummer: AR 68485/14 - H 218/16

Uitspraak: 27 februari 2018

GEMEENSCHAPPELIJK HOF VAN JUSTITIE

van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en

van Bonaire, Sint Eustatius en Saba

V O N N I S

in de zaak van:

[APPELLANT],

h.o.d.n. Floors & Doors,

wonende in Curaçao,

oorspronkelijk gedaagde,

thans appellant,

gemachtigde: mr. L.F. Herben,

tegen

[GEÏNTIMEERDE],

wonende in Curaçao,

oorspronkelijk eiseres,

thans geïntimeerde,

gemachtigde: mr. A.J. de Winter.

De partijen worden hierna [appellant] en [geïntimeerde] genoemd.

1 Het verdere verloop van de procedure

Bij vonnis van 29 augustus 2017 (hierna: het tussenvonnis) heeft het Hof de zaak naar de rol verwezen. Op 26 september 2017 heeft [appellant] een akte ingediend, met producties. Op 9 januari 2018 heeft [geïntimeerde] een akte ingediend. Vonnis is gevraagd en bepaald op heden.

2 De verdere beoordeling

2.1

In rov. 2.8 van het tussenvonnis heeft het Hof geoordeeld dat [appellant] voldoende gemotiveerd heeft betwist dat [geïntimeerde] rechtstreeks met hem heeft gecontracteerd. Dit betekent in beginsel dat [geïntimeerde] die betwiste stelling dient te bewijzen. Hetzelfde geldt voor haar stelling dat dit rechtstreeks overeengekomen contract mede het beding inhoudt: "Alle buiten ramen en deuren zullen worden uitgevoerd in meranti of soortgelijk", zoals vermeld op het geschrift op briefpapier van Bouw & Support N.V. (prod. 4 bij inleidend verzoekschrift, p. 2; hierna: het houtsoortbeding).

2.2

Om redenen van proceseconomie zal [geïntimeerde] echter thans niet tot dat bewijs worden toegelaten op grond van het volgende.

2.3

Onbetwist staat vast dat de gebruikte houtsoort niet meranti is. Volgens [appellant] is de gebruikte houtsoort urapan. In zijn stellingen ligt besloten dat deze houtsoort kan worden aangemerkt als "soortgelijk" in de zin van het houtsoortbeding, en ook dat de houtsoort geschikt is voor de productie van deuren en kozijnen in de tropen.

2.4

Indien tussen partijen het houtsoortbeding is overeengekomen, draagt [geïntimeerde] de bewijslast van de stelling dat de gebruikte houtsoort niet soortgelijk is aan meranti. Indien tussen partijen het houtsoortbeding niet is overeengekomen, draagt zij de bewijslast van de stelling dat [appellant] een houtsoort heeft gebruikt waarvan hij wist of als redelijk handelend en redelijk bekwaam vakman behoorde te weten dat de gebruikte houtsoort te zacht is voor de productie van deuren en kozijnen in de tropen. Het Hof acht beide stellingen voorshands bewezen. De overgelegde foto's van houten kozijnonderdelen (productie 10 bij inleidend verzoekschrift) en de schriftelijke verklaring van [betrokkene 1] (productie 11 bij inleidend verzoekschrift) wegen tegenover de producties die [appellant] bij akte van 26 september 2017 in het geding heeft gebracht, zwaar genoeg om dat voorshands oordeel te rechtvaardigen. [appellant] zal worden toegelaten tot tegenbewijs.

B E S L I S S I N G

Het Hof:

laat [appellant] toe tot tegenbewijs tegen de stelling dat de gebruikte houtsoort niet soortgelijk is aan meranti en tegen de stelling dat hij wist of als redelijk handelend en redelijk bekwaam vakman behoorde te weten dat de gebruikte houtsoort te zacht is voor de productie van deuren en kozijnen in de tropen;

bepaalt dat [appellant], indien hij daartoe getuigen wil doen horen, deze kan voorbrengen aan mr. G.C.C. Lewin in het gerechtsgebouw van Curaçao op een nader te bepalen dag en uur;

bepaalt dat partijen binnen veertien dagen na heden verhinderdata dienen op te geven in de maanden maart, april en mei 2018;

houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit vonnis is gewezen door mrs. E.A. Saleh, G.C.C. Lewin en H.J. Fehmers, leden van het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao,

Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba en ter openbare terechtzitting van het Hof in Curaçao uitgesproken op 27 februari 2018 in tegenwoordigheid van de griffier.