Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:OGHACMB:2018:71

Instantie
Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba
Datum uitspraak
22-05-2018
Datum publicatie
07-06-2018
Zaaknummer
EJ 2801/14 - H 142/16 - AUA201400424 - AUA2016H00090
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Aruba. Geslachtsnaam kind. Geschil tussen ouders.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Burgerlijke zaken over 2018 Beschikking no.:

Registratienummers:

EJ 2801/14 - H 142/16 - AUA201400424 - AUA2016H00090

Uitspraak: 22 mei 2018

GEMEENSCHAPPELIJK HOF VAN JUSTITIE

van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en

van Bonaire, Sint Eustatius en Saba

B E S C H I K K I N G

in de zaak van:

[de moeder],

wonende in Aruba,

oorspronkelijk verzoekster,

thans appellante,

gemachtigde: mr. D.M. Canwood,

tegen

[de vader],

wonende in Aruba,

oorspronkelijk verweerder,

thans geïntimeerde,

gemachtigde: mr. G.L. Griffith.

De partijen worden hierna de moeder en de vader genoemd.

1 Het verloop van de procedure

1.1

Bij beroepschrift van 22 maart 2016 is de moeder in hoger beroep gekomen van de tussen partijen gewezen en op 9 februari 2016 uitgesproken beschikking van het Gerecht in eerste aanleg van Aruba (verder: GEA). Zij heeft twee grieven tegen de beschikking aangevoerd en toegelicht. Haar conclusie strekt ertoe dat het Hof de beschikking zal vernietigen en haar verzoek alsnog zal toewijzen, met veroordeling van de vader in de proceskosten.

1.2

Een verweerschrift in hoger beroep is niet ingekomen.

1.3

Op 16 januari 2018 hebben de moeder en de vader elk een akte ingediend.

1.4

Op 17 april 2018 is de zaak mondeling behandeld. Verschenen en gehoord zijn de moeder en de vader en hun gemachtigden. Beschikking is aangezegd tegen heden.

2 De beoordeling

2.1

Op [datum] 2013 heeft de moeder in Aruba een dochter gekregen met de voornamen [dochter] Maria (hierna: [dochter]). De vader is de verwekker van [dochter].

Op 14 november 2013 is een akte van geboorte opgemaakt waarop als geslachtsnaam is vermeld: [geslachtsnaam moeder], en waarop geen (juridische) vader is vermeld. Eveneens op 14 november 2013 is bij wijze van latere vermelding een akte van erkenning opgemaakt, waarop als erkenner is vermeld: de vader; als degene die toestemming heeft gegeven: de moeder; en als geslachtsnaam van het kind: [geslachtsnaam vader].

2.2

In dit geding heeft de moeder verzocht dat de nietigheid van de erkenning wordt uitgesproken, dan wel dat de rechtsregel buiten toepassing wordt gelaten die aan de erkenning het rechtsgevolg verbindt dat de geslachtsnaam van [dochter] die van de vader is, en dat aan de geboorteakte een latere vermelding wordt toegevoegd die inhoudt dat de geslachtsnaam van [dochter] die van de moeder is.

De vader heeft verweer gevoerd en tegenverzoeken gedaan.

Het GEA heeft de verzoeken van de moeder afgewezen en de tegenverzoeken buiten behandeling gelaten. Het hoger beroep is gericht tegen de afwijzing van de verzoeken van de moeder. De tegenverzoeken zijn in hoger beroep niet meer aan de orde.

2.3

Op de voet van hetgeen is geoordeeld in HR 13 oktober 2017, ECLI:NL:HR:2017:2614, dient, nu het beproeven van een vergelijk tussen de ouders niet tot resultaat heeft geleid, het Hof te beoordelen welke geslachtsnaam in het belang van [dochter] wenselijk is, in aansluiting op art. 1:5b lid 1 BW als vermeld in de nog niet ingevoerde Landsverordening van 23 september 2016, AB 2016, no. 51.

In de Memorie van Toelichting bij laatstbedoelde bepaling (Staten van Aruba, Zittingsjaar 2013-2014-784, nr. 3, p. 6, DWJZ09/130) is vermeld:

"Het probleem is wel dat de wetgever de rechter geen goed criterium – behalve het belang van het kind – kan bieden als de ouders het niet eens zijn over de naamskeuze, maar dat doet zich ook wel voor in andere geschillen bedoeld in artikel 1:253a. Soms zijn er bijzondere omstandigheden aanwezig, bijvoorbeeld de aanwezigheid in het gezin van kinderen uit een eerdere relatie met een bepaalde naam. Het alternatief: een vetorecht te geven aan een van de ouders

– zoals in Nederland – is moeilijk te rechtvaardigen."

2.4 [

dochter] is het enige kind van de moeder. De moeder oefent het eenhoofdig ouderlijk gezag over [dochter] uit. De hoofdverblijfplaats van [dochter] is bij de moeder. De vader van de moeder, die ook de geslachtsnaam [geslachtsnaam moeder] had, is overleden.

2.5

De vader heeft naast [dochter] vier andere kinderen, die verschillende moeders hebben. Al deze kinderen hebben de geslachtsnaam [geslachtsnaam vader]. Op verzoek van de vader heeft het GEA (in een andere zaak) een omgangsregeling tussen [dochter] en de vader vastgesteld. Beide ouders zijn niet tevreden over hoe de omgangsregeling thans wordt uitgevoerd.

2.6

Het meest zwaarwegende belang van [dochter] is dat zij een goede band heeft en (verder) ontwikkelt met zowel de moeder als de vader, en dat zij liefdevol zal worden grootgebracht, zo veel mogelijk in harmonie tussen haar beide ouders. Dat is goed mogelijk in het geval dat zij de geslachtsnaam van de moeder krijgt. Het is evenzeer goed mogelijk in het geval dat zij de geslachtsnaam van de vader krijgt. In beide gevallen zouden beide ouders zich zo veel mogelijk moeten richten op dat belang van [dochter].

2.7

Gelet op de jeugdige leeftijd van [dochter] hecht het Hof weinig gewicht aan de omstandigheid dat zij thans de naam [geslachtsnaam vader] draagt. Het Hof acht niet aannemelijk dat een wijziging van de geslachtsnaam tot verwarring bij [dochter] zal leiden of anderszins haar belang zal schaden.

2.8

Gelet op alle omstandigheden van dit concrete geval, in onderling verband en samenhang beschouwd, waaronder de omstandigheden dat de moeder het eenhoofdig ouderlijk gezag over [dochter] uitoefent, dat [dochter] thans hoofdverblijf bij de moeder heeft en dat de moeder thans het grootste deel van de opvoeding en verzorging van [dochter] op zich neemt, zal het Hof in dit geval in het voordeel van de moeder beslissen. Uit dit oordeel kan geen algemene regel of algemeen uitgangspunt worden afgeleid. Ieder geval moet op zijn eigen merites beoordeeld worden. Het Hof zal dus beslissen dat [dochter] de geslachtsnaam [geslachtsnaam moeder] krijgt en dat een latere vermelding van die strekking dient te worden opgemaakt.

2.9

Bij de mondelinge behandeling heeft de moeder verklaard dat zij op zichzelf geen bezwaar ertegen heeft dat de vader [dochter] heeft erkend en ook niet dat de vader omgang met [dochter] heeft. Het enige waar haar bezwaar zich tegen richt, is dat [dochter] niet de geslachtsnaam van de moeder draagt. Gelet daarop zal het Hof het meer of anders door haar verzochte afwijzen.

2.10

Opmerking verdient dat [dochter] op de voet van art. 1:5e BW als vermeld in de hiervoor genoemde landsverordening vanaf de datum waarop zij meerderjarig wordt, gedurende vijf jaar haar geslachtsnaam zal kunnen wijzigen door een naamskeuze.

2.11

Gelet op de aard van de procedure zal het Hof de proceskosten compenseren.

B E S L I S S I N G

Het Hof:

vernietigt de beschikking waarvan beroep;

en opnieuw rechtdoende:

beslist dat de geslachtsnaam van [dochter] met ingang van de datum van uitspraak van deze beschikking luidt: [geslachtsnaam moeder];

beveelt de ambtenaar van de burgerlijke stand aan de onder hem berustende akten van de burgerlijke stand een latere vermelding toe te voegen van deze beschikking;

compenseert de proceskosten in beide instanties aldus dat iedere partij de eigen kosten draagt;

wijst het meer of anders verzochte af.

Deze beschikking is gegeven door mrs. G.C.C. Lewin, M.W. Scholte en S.A. Carmelia, leden van het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba en ter openbare terechtzitting van het Hof in Aruba uitgesproken op 22 mei 2018 in tegenwoordigheid van de griffier.