Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:OGHACMB:2018:66

Instantie
Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba
Datum uitspraak
01-06-2018
Datum publicatie
04-06-2018
Zaaknummer
ghis 78376 – SXM2014H00002
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

SXM2014H00002 betekeningskosten - hoger beroep vervallen

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Burgerlijke zaken over 2018 Vonnis no.:

Registratienummer: ghis 78376 – SXM2014H00002

Uitspraak: 1 juni 2018

GEMEENSCHAPPELIJK HOF VAN JUSTITIE

van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en

van Bonaire, Sint Eustatius en Saba

V O N N I S

in de zaak van:

[APPELLANT],

wonend in Sint Maarten,

oorspronkelijk gedaagde in conventie, eiser in reconventie,

thans appellant,

procederend in persoon,

tegen

[GEÏNTIMEERDE],

wonend in Sint Maarten,

oorspronkelijk eiser in conventie, verweerder in reconventie,

thans geïntimeerde,

gemachtigde: mr. Z. Bary.

De partijen worden hierna [appellant] en [geïntimeerde] genoemd.

1 Het verloop van de procedure

1.1

Voor het verloop van de procedure tot 15 december 2017 verwijst het Hof naar het tussenvonnis van die datum. Bij dat vonnis is de zaak verwezen naar de rol van

2 februari 2018 voor akte overlegging bewijs betaling betekeningskosten zijdens [appellant] P1.

1.2

Op de rolzitting van 2 februari 2018 is namens [appellant] niemand verschenen, waarna akte niet-dienen is verleend.

1.3

Vonnis is nader bepaald op heden.

2 De beoordeling

2.1

Het hoger beroep is gericht tegen het op 10 december 2013 in deze zaak uitgesproken vonnis van het Gerecht in eerste aanleg van Sint Maarten (hierna: het Gerecht). De akte hoger beroep is ingediend op 17 januari 2014, gevolgd door de memorie van grieven op 28 februari 2014. Op die dag is ook NAf 1.500,00 aan griffierecht betaald. Op 21 mei 2014 heeft het Gerecht de deurwaarder bevolen de appelakte en de memorie van grieven te betekenen aan [geïntimeerde].

2.2

In maart 2016 heeft de griffie van het Gerecht het dossier in deze zaak naar de griffie van het Hof gestuurd, met de mededeling dat betekening van de stukken, waarmee kennelijk wordt gedoeld op de appelakte en de memorie van grieven, niet heeft plaatsgevonden “vanwege betaling” en dat het dossier om die reden naar het Hof is gestuurd.

2.3

De griffie van het Hof heeft vervolgens de zaak voor schriftelijk pleidooi op de rol geplaatst en partijen daarvan bericht gestuurd. Op 10 mei 2016 heeft de gemachtigde van [geïntimeerde] de griffie van het Hof gemaild dat zij niet op de hoogte is van een in deze zaak ingesteld hoger beroep en dat zij geen memorie van grieven heeft ontvangen. Op 12 mei 2016 is daarop zijdens het Hof geantwoord dat betekening van de appelakte en de memorie van grieven nog niet had plaatsgevonden vanwege betaling. In november 2016 en februari 2017 heeft mr. Bary opnieuw navraag gedaan naar de stand van zaken. Op 22 februari 2017 is aan haar en mr. Hart bericht dat betekening nog niet had plaatsgevonden ‘vanwege betaling’ en dat de zaak op de rol van 3 maart 2017 zou worden geplaatst voor akte uitlating betaling betekeningskosten aan de zijde van [appellant].

2.4

Bij akte van 3 maart 2017 heeft [appellant] doen aanvoeren dat hij van mening is dat hij de betekeningskosten heeft voldaan en dat hij bereid is om dat nogmaals te doen als de eerdere betaling niet meer valt te achterhalen. In de antwoordakte van 12 mei 2017 heeft [geïntimeerde] bepleit dat er voldoende aanleiding is om het hoger beroep op de voet van artikel 270 lid 5 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (hierna: Rv) vervallen te verklaren, omdat de betekeningskosten niet zijn voldaan.

2.5

Bij tussenvonnis van 15 december 2017 is de zaak verwezen naar de rol van
2 februari 2018 voor akte overlegging bewijs betaling betekeningskosten aan de zijde van [appellant]. Op de rolzitting van 2 februari 2018 is namens [appellant] niemand verschenen, waarna de zaak naar de rolzitting is verwezen voor vonnis.

2.6

Op grond van artikel 35 lid 1 van het Landsbesluit tarieven in burgerlijke zaken is de griffier bevoegd om van de belanghebbenden tegen bewijs van ontvangst en tegen latere verrekening een voorschot te vragen tot dekking van de vermoedelijke rechten en verschotten. Ingevolge artikel 270 lid 5 Rv dient, op straffe van verval van instantie, binnen de termijn voor het indienen van de memorie van grieven vooruitbetaling plaats te vinden van (onder meer) de kosten van de aanzegging dat hoger beroep is ingesteld en van de betekening van de memorie van grieven.

2.7

Het procesdossier bevat geen stukken waaruit blijkt dat en wanneer voor het eerst aan [appellant] is meegedeeld dat hij betekeningskosten moest betalen. Door [appellant] is echter niet betwist dat hij een dergelijke uitnodiging tot betaling, afkomstig van hetzij de deurwaarder hetzij de griffier van het Gerecht, heeft ontvangen. Dit had wel op zijn weg gelegen, zeker nadat in februari 2017 door het Hof aan zijn advocaat was bericht dat betekening van de appelakte en de memorie van grieven ‘vanwege betaling’ niet had plaatsgevonden. In de akte van 3 maart 2017 valt die betwisting niet - voldoende duidelijk - te lezen. Bovendien is [appellant] vervolgens nogmaals in de gelegenheid gesteld een akte te nemen over de betaling, onder overlegging van het betalingsbewijs. Als hij niet eerder tot betaling van de betekeningskosten was uitgenodigd, of niet wist welk bedrag hij verschuldigd was, dan had hij dat toch uiterlijk in die akte aan de orde moeten stellen, eventueel met het verzoek om het te betalen bedrag door de rechter te laten taxeren (zie art. 270 lid 5 slot Rv), maar ook die kans heeft hij onbenut gelaten.

2.8

Als vaststaand wordt dan ook aangenomen dat [appellant] tot het betalen van het bedoelde voorschot is uitgenodigd en dat hij daaraan niet heeft voldaan. Dit brengt mee dat het hoger beroep thans, ruim vijf jaar na instelling daarvan, is vervallen.

2.9 [

appellant] wordt veroordeeld in de proceskosten aan de zijde van [geïntimeerde], vastgesteld op NAf 1.250,- aan gemachtigdensalaris (0,5 punt maal tarief 6).

B E S L I S S I N G

Het Hof:

- verklaart het hoger beroep vervallen;

- veroordeelt [appellant] in de proceskosten van [geïntimeerde], begroot op
Afl. 1.250,-.

Dit vonnis is gewezen door mrs. G.C.C. Lewin, H.J. Fehmers en F.W.J. Meijer, leden van het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba en ter openbare terechtzitting van het Hof in Sint Maarten uitgesproken op 1 juni 2018 in tegenwoordigheid van de griffier.