Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:OGHACMB:2018:55

Instantie
Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba
Datum uitspraak
24-04-2018
Datum publicatie
30-04-2018
Zaaknummer
H-124/2017
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Onderzoek Drum. Een groep Venezolaanse verdachten die in Venezuela plannen maken en die ’s nachts zwaar bewapend per boot de oversteek maken naar Bonaire om overvallen te plegen. Dan volgt een woningoverval op Bonaire daders waarbij een ter plaatse gekomen politieagent wordt doodgeschoten door een van hen. Ook was sprake van voorbereiding van een andere woningoverval.

Medeplegen / vrijwillige terugtred

Het hoger beroep ziet met name op de beslissing van het Gerecht in eerste aanleg dat het medeplegen zich ook uitstrekte tot het door de medeverdachte uitgeoefende dodelijke geweld. Het schieten stond in een directe relatie tot de vlucht; het opzet van de verdachte was daarop in voorwaardelijke zin gericht. Het Hof heeft ook een overweging gewijd aan de strafbaarheid van de voorbereiding van een andere overval op een woning. De conclusie is dat er geen sprake was van een vrijwillige terugtred. Het Hof bevestigt het vonnis van het Gerecht met uitzondering van de opgelegde gevangenisstraf.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Zaaknummer: H-124/2017

Parketnummer: 400.00237/16

Uitspraak: 24 april 2018 Tegenspraak

Vonnis

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van het Gerecht in eerste aanleg van Bonaire, Sint Eustatius en Saba, zittingsplaats Bonaire (hierna: het Gerecht), van 7 juni 2017 in de strafzaak tegen de verdachte:

Verdachte 1,

thans alhier gedetineerd.

Hoger beroep

Het Gerecht heeft de verdachte bij voornoemd vonnis ter zake van het onder 1, 2, 3 en 4 ten laste gelegde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 19 jaren met aftrek van voorarrest. Voorts heeft het Gerecht beslissingen genomen ten aanzien van de vorderingen tot schadevergoeding van de benadeelde partijen.

De verdachte heeft hoger beroep ingesteld.

Onderzoek van de zaak

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting.

Het Hof heeft kennisgenomen van de vordering van de procureur-generaal, mr. M.L.A. Angela, en van hetgeen door de verdachte en zijn raadsvrouw, mr. P.C. Janssen, advocaat te Curaçao, naar voren is gebracht.

De procureur-generaal heeft gevorderd dat het Hof het vonnis waarvan beroep zal bevestigen onder aanvulling van de bewijsvoering.

De raadsvrouw heeft bepleit dat de verdachte deels zal worden vrijgesproken van het onder 1 ten laste gelegde en ter zake van het onder 2 ten laste gelegde zal worden vrijgesproken dan wel ontslagen van alle rechtsvervolging. Overigens heeft de raadsvrouw een strafmaatverweer gevoerd.

Vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep zal worden bevestigd, omdat het Hof zich daarmee verenigt, onder toevoeging van de navolgende overwegingen en behoudens ten aanzien van de opgelegde straf. Het vonnis zal op laatstgenoemd onderdeel worden vernietigd.

Ten aanzien van de feiten 1 en 2:

Door de verdediging is bepleit dat de verdachte van de onder 1 ten laste gelegde gekwalificeerde doodslag moet worden vrijgesproken aangezien de doodslag niet in relatie stond tot de voorafgegane diefstal met geweld, waarna verdachte en zijn medeverdachten zijn gevlucht. Voorts is bepleit dat de verdachte van de onder 2 ten laste gelegde diefstal met geweld partieel moet worden vrijgesproken, namelijk voor zover het gaat om het op de diefstal gevolgde geweld bestaande uit het schieten met een vuurwapen met de dood van politieman B. tot gevolg. Daartoe is in de eerste plaats aangevoerd dat door de verdachte niet is geschoten in het kader van het in de tenlastelegging omschreven mogelijk maken van de vlucht hetzij het veiligstellen van de buit maar met een ander oogmerk, namelijk om te voorkomen dat politieman B. zijn neef medeverdachte 5 zou neerschieten. Tevens is aangevoerd dat tussen de verdachte en de medeverdachten van tevoren is afgesproken dat niet geschoten zou worden met de naar de woning meegebrachte vuurwapens. Om die reden bestond er geen of onvoldoende verband tussen de diefstal met geweld en de dood van politieman B. aldus de verdediging. Het Hof overweegt met betrekking tot dit verweer als volgt.

Het standpunt dat niet bewezen kan worden dat de verdachte op politieman B. heeft geschoten om aan zichzelf en/of zijn mededaders de vlucht mogelijk te maken hetzij het bezit van de buit te verzekeren, deelt het Hof niet. Uit de bewijsmiddelen blijkt dat op het moment dat de politie arriveerde de overval in de woning nog gaande was. De daders werden door de politie op heterdaad betrapt en zijn toen, in het bezit van de buit, rennend uit de woning gevlucht. Tijdens die vlucht werd medeverdachte 5 buiten de woning, op het erf, achtervolgd door politieman B.. Verdachte, de neef van medeverdachte 5, die inmiddels ook uit de woning was gevlucht, en zich op korte afstand achter medeverdachte 5 bevond, zag dit en heeft toen op politieman B. geschoten, naar zijn eigen verklaring: “om ervoor te zorgen dat zijn neef niet zou worden neergeschoten door de hem achtervolgende politieman”. Uit deze verklaring, in samenhang met voornoemde omstandigheden, blijkt dat de verdachte de schoten heeft gelost teneinde aan zijn neef, zichzelf en/of de andere verdachten de vlucht mogelijk te maken terwijl zij in het bezit van de buit waren. Het verweer wordt verworpen.

Het Hof acht niet aannemelijk geworden dat de verdachten van tevoren uitdrukkelijk hadden afgesproken niet te zullen schieten. De verdachte en zijn medeverdachten hebben weliswaar ter terechtzitting in hoger beroep verklaard dat deze afspraak is gemaakt, maar het Hof wijst in dat verband op de in het vonnis van het Gerecht gebezigde bewijsmiddelen 40, 41 en 42 inhoudende de andersluidende verklaringen van medeverdachten 2, 3 en de verdachte. Medeverdachte 2 heeft expliciet verklaard: “Mij wordt gevraagd of voorafgaand aan de overval concrete afspraken zijn gemaakt over het gebruiken van geweld of het dreigen met geweld. Nee.” De verdachte heeft verklaard: “Specifieke afspraken zijn er niet gemaakt.” Medeverdachte 3 heeft overigens nog verklaard: “Mij wordt gevraagd of er afspraken zijn gemaakt over het gebruik van geweld of het dreigen met geweld. Nee, die zijn niet gemaakt.”1 Daarnaast verhoudt de wijze waarop de verdachten de woning hebben betreden, zwaar bewapend met vijf geladen vuurwapens, terwijl de desbetreffende overval slechts marginaal was voorbereid, zich geenszins met een dergelijke ‘afspraak’.

Uit de verklaringen van de verdachte blijkt zonder meer dat hij doelbewust en gericht op politieman B., die op dat moment medeverdachte 5 achtervolgde, heeft geschoten. Daarmee is het volle opzet op de dood van politieman B. een gegeven.

Ten aanzien van feit 3:

Door de verdediging is bepleit dat – kort gezegd – verdachte moet worden vrijgesproken van dit feit aangezien niet reeds in Venezuela al sprake was van het plan om een overval op de woning van slachtoffer 2 te plegen en overigens aangezien de verdachte niet is mee geweest bij het voorverkennen van de woning. Het Hof overweegt als volgt.

Uit de bewijsmiddelen is genoegzaam komen vast te staan dat reeds in Venezuela voorbereidingen werden getroffen om een overval te plegen op Bonaire en dat de dadergroep daarvan op de hoogte was. Tussen medeverdachten 2 en 6 is veelvuldig Whatsapp-verkeer geweest waaruit kan worden afgeleid dat de woning van slachtoffer 2 een serieuze optie was voor een overval. Het Hof verwijst in dat verband naar de bewijsmiddelen 2 tot en met 18 en de bewijsmiddelen 27 tot en met 34 van het vonnis van het Gerecht. De dadergroep – waaronder de verdachte – kwam vanuit Venezuela naar Bonaire voorzien van geladen vuurwapens met het plan om een overval te plegen. Op Bonaire werden zij door medeverdachte 6 opgevangen, vervoerd met een daartoe gehuurd busje en gehuisvest in een speciaal voor hen gehuurd appartement. Medeverdachte 6 heeft op de avond van hun aankomst vier van hen afgezet in de omgeving van de woning van slachtoffer 2 zodat zij de situatie rond de woning konden voorverkennen. De reden om in kleiner verband de voorverkenning uit te voeren was gelegen in de vrees om op te vallen, aangezien alle verdachten illegaal op het eiland verbleven. Naar het oordeel van het Hof is op grond van het voren overwogene de bijdrage van de verdachte aan het bewezenverklaarde delict van substantieel gewicht en is derhalve sprake van de voor medeplegen vereiste nauwe en bewuste samenwerking. Dat de verdachte en medeverdachte 7 fysiek niet bij de voorverkenning zijn geweest doet aan het vorenstaande niet af. Het verweer wordt verworpen.

Oplegging van straf

Bij de bepaling van de op te leggen straf wordt gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezen verklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen. Ook wordt gelet op de ernst

van het bewezen verklaarde in verhouding tot andere strafbare feiten, zoals die onder meer tot uitdrukking komt in de daarop gestelde wettelijke strafmaxima en de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd.

Naar het oordeel van het Hof kan gelet op de ernst van het bewezen verklaarde niet worden volstaan met een andere of lichtere sanctie dan een straf een die een onvoorwaardelijke vrijheidsbeneming met zich brengt.

Het Gerecht heeft treffend tot uitdrukking gebracht op welke wijze de bewezen verklaarde feiten de rechtsorde van Bonaire, de slachtoffers, de nabestaanden van politieman B. en het politiekorps hebben geschokt en getroffen. Het Hof verenigt zich met deze overwegingen. Het Hof heeft in de zaken van de medeverdachten 4, 5 en 3 overwogen dat een gevangenisstraf van 14 jaar passend en geboden is. Het Hof neemt die straf tot uitgangspunt. Verdachte is degene geweest die politieman B. heeft doodgeschoten, nota bene een politieman in de uitoefening van zijn functie. Uit de reden waarom en de wijze waarop de verdachte politieman B. heeft gedood, blijkt van een doelbewuste en weloverwogen keuze.

Het Hof acht daarom een langdurige onvoorwaardelijke gevangenisstraf op zijn plaats. De verdachte is daarentegen nog jong en heeft blijkens zijn proceshouding verantwoordelijkheid genomen voor zijn handelen en berouw getoond. Het Hof ziet daarin aanleiding om een lagere gevangenisstraf op te leggen dan in eerste aanleg is gedaan en door de procureur-generaal is gevorderd.

BESLISSING

Het Hof:

vernietigt het vonnis van het Gerecht in eerste aanleg ten aanzien van de opgelegde straf en doet in zoverre opnieuw recht;

veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 17 (zeventien) jaren;

bepaalt dat de tijd die door de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht;

bevestigt het vonnis van het Gerecht in eerste aanleg voor het overige (met inachtneming van hetgeen hiervoor is overwogen).

Dit vonnis is gewezen door:

mr. D. Radder, voorzitter, mrs. M.C.B. Hubben en S.A. Carmelia, leden van het Hof, bijgestaan door mr. A.C. Wormgoor, griffier, en uitgesproken op 24 april 2018 ter openbare terechtzitting van het Hof in Curaçao (met een directe beeld- en geluidsverbinding met het gerechtsgebouw op Bonaire en de penitentiaire inrichtingen in Nederland waar een of meer van de (mede)verdachten verblijven).

1 Proces-verbaal ter terechtzitting in eerste aanleg van 15, 16 en 17 mei 2017, houdende de verklaring van verdachte 3.