Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:OGHACMB:2018:52

Instantie
Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba
Datum uitspraak
24-04-2018
Datum publicatie
25-04-2018
Zaaknummer
H 46/2018
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Afpersing of seksuele dienst?

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Zaaknummer: H 46/2018

Parketnummer: 500.00378/17

Uitspraak: 24 april 2018 Tegenspraak

Vonnis

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van het Gerecht in eerste aanleg van Curaçao (hierna: het Gerecht) van 2 november 2017 in de strafzaak tegen de verdachte:

[naam verdachte],

geboren op [een datum in het jaar] 1965 in Curaçao,

wonende in Curaçao te [adres],

thans gedetineerd in het huis van bewaring in Curaçao.

Hoger beroep

Het Gerecht heeft de verdachte bij zijn vonnis van de onder 1 en 2 (impliciet cumulatief-alternatief) ten laste gelegde diefstallen met geweld vrijgesproken en ter zake van de onder 1 en 2 ten laste gelegde afpersingen veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 36 maanden met aftrek van voorarrest. Voorts heeft het Gerecht beslissingen genomen ten aanzien van de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [naam benadeelde partij].

De verdachte heeft hoger beroep ingesteld.

Onderzoek van de zaak

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting.

Het Hof heeft kennisgenomen van de vordering van de procureur-generaal, mr. M.L.A. Angela, en van hetgeen door de verdachte en zijn raadsman, mr. S.P. Osepa, naar voren is gebracht. Voorts heeft het Hof kennisgenomen van hetgeen [naam medewerkster] van Stichting Slachtofferhulp Curaçao namens de benadeelde partij voornoemd naar voren heeft gebracht.

De procureur-generaal heeft gevorderd dat het Hof het vonnis waarvan beroep onder aanpassing van de bewezenverklaring zal bevestigen.

De raadsman heeft primair bepleit dat de verdachte zal worden vrijgesproken van de ten laste gelegde feiten en heeft subsidiair een strafmaatverweer gevoerd.

Vonnis waarvan beroep

Het Hof komt tot een andere bewezenverklaring dan het Gerecht. Anders dan de procureur-generaal heeft bepleit, kan het vonnis waarvan beroep daarom niet in stand blijven (vgl. HR 18 november 2010, ECLI:NL:HR:2010:BM0256, en HR 10 april 2018, ECLI:NL:HR:2018:546).

Tenlastelegging

Aan de verdachte is – na wijziging van de tenlastelegging in eerste aanleg - ten laste gelegd dat:

1.

hij op of omstreeks 29 juni 2017, althans in of omstreeks de maand juni 2017 te Curaçao, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen,

 NAF 5000, althans een of meerdere geldbedrag(en),

in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende [naam benadeelde partij], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s),

welke diefstal werd voorafgegaan en/of vergezeld en/of gevolgd van geweld en/of bedreiging met geweld tegen die [naam benadeelde partij], gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken en/of om bij betrapping op heterdaad aan zichzelf en/of aan zijn mededader(s) hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren,

welk geweld en/of welke bedreiging met geweld bestond(en) uit,

 het (dreigend) een mes, althans een puntig en/of scherp voorwerp aan die
[naam benadeelde partij] voorhouden en/of tonen en/of,

 die [naam benadeelde partij] met een mes, althans een puntig en/of scherp voorwerp te bedreigen en/of,

 tegen die [naam benadeelde partij] (dreigend) te zeggen dat hij die [naam benadeelde partij] zal laten vermoorden als die [naam benadeelde partij] naar de politie gaat en/of die
[naam benadeelde partij] (dreigend) te manen om een geldbedrag af te geven en/of,

 (vervolgens) die [naam benadeelde partij] te dwingen naar [naam bank] te gaan en/of die [naam benadeelde partij] geld te laten opnemen en/of pinnen van die rekening van die [naam benadeelde partij];


en/of

hij op of omstreeks 29 juni 2017, althans in of omstreeks de maand augustus 2017 te Curaçao, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk om zich en/of (een) ander(en) wederrechtelijk te bevoordelen door geweld en/of bedreiging met geweld [naam benadeelde partij] heeft/hebben gedwongen tot de afgifte van,

 NAF 5000, althans een of meerdere geldbedrag(en),

in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende [naam benadeelde partij], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s),

welke diefstal werd voorafgegaan en/of vergezeld en/of gevolgd van geweld en/of bedreiging met geweld tegen die [naam benadeelde partij], gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken en/of om bij betrapping op heterdaad aan zichzelf en/of aan zijn mededader(s) hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren,

bestaande dat geweld en/of die bedreiging met geweld uit het opzettelijk,

 het (dreigend) een mes, althans een puntig en/of scherp voorwerp aan die
[naam benadeelde partij] voorhouden en/of tonen en/of,

 die [naam benadeelde partij] met een mes, althans een puntig en/of scherp voorwerp te bedreigen en/of,

 tegen die [naam benadeelde partij] (dreigend) te zeggen dat hij die [naam benadeelde partij] zal laten vermoorden als die [naam benadeelde partij] naar de politie gaat en/of

 die [naam benadeelde partij] (dreigend) te manen om een geldbedrag af te geven en/of

 (vervolgens) die [naam benadeelde partij] te dwingen naar [naam bank] te gaan en/of die [naam benadeelde partij] geld te laten opnemen en/of pinnen van de rekening van die [naam benadeelde partij];

2.

hij op of omstreeks 6 juli 2017, althans in of omstreeks de maand juli 2017 te Curaçao, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen,

 NAF 6000, althans een of meerdere geldbedrag(en),

in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende [naam benadeelde partij], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s),

welke diefstal werd voorafgegaan en/of vergezeld en/of gevolgd van geweld en/of bedreiging met geweld tegen die [naam benadeelde partij], gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken en/of om bij betrapping op heterdaad aan zichzelf en/of aan zijn mededader(s) hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren,

welk geweld en/of welke bedreiging met geweld bestond(en) uit,

 die [naam benadeelde partij] (dreigend) te manen om een geldbedrag af te geven en/of,

 (vervolgens) die [naam benadeelde partij] te dwingen naar [naam bank] te gaan en/of die [naam benadeelde partij] geld te laten opnemen en/of pinnen van die rekening van die [naam benadeelde partij];

en/of

hij op of omstreeks 6 juli 2017, althans in of omstreeks de maand juli 2017 te Curaçao, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk om zich en/of (een) ander(en) wederrechtelijk te bevoordelen door geweld en/of bedreiging met geweld [naam benadeelde partij] heeft/hebben gedwongen tot de afgifte van,

 NAF 6000, althans een of meerdere geldbedrag(en),

in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende [naam benadeelde partij], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s),

welke diefstal werd voorafgegaan en/of vergezeld en/of gevolgd van geweld en/of bedreiging met geweld tegen die [naam benadeelde partij], gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken en/of om bij betrapping op heterdaad aan zichzelf en/of aan zijn mededader(s) hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren,

bestaande dat geweld en/of die bedreiging met geweld uit het opzettelijk,

 die [naam benadeelde partij] (dreigend) te manen om een geldbedrag af te geven en/of,

 (vervolgens) die [naam benadeelde partij] te dwingen naar [naam bank] te gaan en/of die [naam benadeelde partij] geld te laten opnemen en/of pinnen van de rekening van die [naam benadeelde partij].

Partiële vrijspraken

Evenals het Gerecht zal het Hof de verdachte vrijspreken van de onder 1 en 2 ten laste gelegde diefstallen met geweld, nu de omschreven geldbedragen niet zijn weggenomen, maar zijn afgegeven.

Bewezenverklaring

Het Hof acht - op grond van de hierna weergegeven bewijsmiddelen en de nadere bewijsoverwegingen, in onderling verband en samenhang beschouwd - wettig en en overtuigend bewezen hetgeen aan de verdachte onder 1 en 2 is ten laste gelegd, met dien verstande dat:

1.

hij op of omstreeks 29 juni 2017, althans in of omstreeks de maand augustus 2017 te Curaçao, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk om zich en/of (een) ander(en) wederrechtelijk te bevoordelen door geweld en/of bedreiging met geweld [naam benadeelde partij] heeft/hebben gedwongen tot de afgifte van,

 NAf 5000, althans een of meerdere geldbedrag(en),

in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [naam benadeelde partij], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s),

welke diefstal werd voorafgegaan en/of vergezeld en/of gevolgd van geweld en/of bedreiging met geweld tegen die [naam benadeelde partij], gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken en/of om bij betrapping op heterdaad aan zichzelf en/of aan zijn mededader(s) hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren,

bestaande dat geweld en/of die bedreiging met geweld uit het opzettelijk,

het (dreigend) een mes, althans een puntig en/of scherp voorwerp aan die
[naam benadeelde partij] voorhouden en/of tonen en/of,

 die [naam benadeelde partij] met een mes, althans een puntig en/of scherp voorwerp te bedreigen en/of,

 tegen die [naam benadeelde partij] (dreigend) te zeggen dat hij die [naam benadeelde partij] zal laten vermoorden als die [naam benadeelde partij] naar de politie gaat en/of

 die [naam benadeelde partij] (dreigend) te manen om een geldbedrag af te geven en/of

(vervolgens) die [naam benadeelde partij] te dwingen naar [naam bank] te gaan en/of die [naam benadeelde partij] geld te laten opnemen en/of pinnen van de rekening van die [naam benadeelde partij];

2.

hij op of omstreeks 6 juli 2017, althans in of omstreeks de maand juli 2017 te Curaçao, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk om zich en/of (een) ander(en) wederrechtelijk te bevoordelen door geweld en/of bedreiging met geweld [naam benadeelde partij] heeft/hebben gedwongen tot de afgifte van,

 NAf 6000, althans een of meerdere geldbedrag(en),

in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [naam benadeelde partij], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s),

welke diefstal werd voorafgegaan en/of vergezeld en/of gevolgd van geweld en/of bedreiging met geweld tegen die [naam benadeelde partij], gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken en/of om bij betrapping op heterdaad aan zichzelf en/of aan zijn mededader(s) hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren,

bestaande dat geweld en/of die bedreiging met geweld uit het opzettelijk,

 die [naam benadeelde partij] (dreigend) te manen om een geldbedrag af te geven en/of,

(vervolgens) die [naam benadeelde partij] te dwingen naar [naam bank] te gaan en/of die [naam benadeelde partij] geld te laten opnemen en/of pinnen van de rekening van die [naam benadeelde partij].

Het Hof acht niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard, zodat hij daarvan zal worden vrijgesproken.

De in de tenlastelegging voorkomende taal- en/of schrijffouten zijn verbeterd
(cursief). De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Bewijsmiddelen

Het Hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezen verklaarde heeft begaan, op de feiten en omstandigheden die in de hierna volgende bewijsmiddelen zijn vervat en redengevend zijn voor de bewezenverklaring.1 Daarbij wordt opgemerkt dat ieder bewijsmiddel, ook in zijn onderdelen, slechts wordt gebruikt tot bewijs van dat bewezen verklaarde feit, of die bewezen verklaarde feiten, waarop het blijkens zijn inhoud betrekking heeft.

1. Aangever [naam benadeelde partij] heeft op 6 juli 2017, bij gelegenheid van zijn aangifte, het volgende verklaard:

“Op 29 juni 2017 omstreeks 11:30 uur kwamen twee voor mij onbekende mannen in mijn bedrijf genaamd [naam bedrijf] aan [adres] in Curaçao. Dader 1 had een mes bij zich en maande mij aan om geld aan hem af te geven. Verder gaf dader 1 mij te kennen dat als ik naar de politie ga, hij me zal laten doodmaken. Hierdoor heb ik mij ernstig bedreigd gevoeld. Ik werd gedwongen om met de mannen naar [naam bank] aan [adres] te lopen. Dader 1 ging met mij bedoelde bank binnen en bleef bij de ingang staan. Ik heb NAf 4.000,-- van mijn rekening gehaald. Ik ging naar buiten en gaf het geld aan dader 1.

Vandaag kwamen dezelfde mannen weer in mijn bedrijf. Dader 1 vroeg weer om geld. Ik moest weer met de mannen naar [naam bank]. Dader 1 bleef weer bij de ingang van de bank staan. Toen ik het geld van mijn bankrekening nam, liep ik naar buiten samen met dader 1. Ik gaf dader 1 het geld.” 2

2. Hij heeft voorts op 16 augustus 2017 het volgende verklaard:

“[Naam verdachte] is degene die mij op 29 juni 2017 met een mes heeft bedreigd. Hij zei tegen mij dat hij mij zal vermoorden of dat hij aan zijn neven zal zeggen om mij te vermoorden. Ik werd door [naam verdachte] gedwongen om met hem naar [naam bank] te gaan. [naam verdachte] ging met mij naar binnen. Nadat ik het geld had opgenomen liep hij samen met mij naar buiten. Eenmaal buiten zei hij tegen mij dat het geld niet genoeg was en dat ik meer geld moest pinnen. Wij liepen naar de pinautomaat van [naam bank]. [naam verdachte] zei tegen mij om 1.000 gulden op te nemen. Bij de pinautomaat had ik hem al de 4.000 gulden gegeven die ik binnen had opgenomen. Toen ik 1.000 gulden van de pinautomaat heb opgenomen, heb ik deze ook aan hem gegeven.

Op 6 juli 2017 kwam [naam verdachte] weer in mijn zaak. Hij zei tegen mij dat het geld dat ik aan hem had gegeven, niet genoeg was en dat ik meer geld aan hem moest geven.

[naam verdachte] zei tegen mij dat als ik geen geld aan hem gaf, dingen met mij zouden gebeuren. Hij zei dat hij mij zal vermoorden of dat zijn neven mij zouden vermoorden. [naam verdachte] zei dat ik naar de bank moest gaan om geld op te nemen. Zo gingen we weer naar de [naam bank] in Otrabanda. [Naam verdachte] ging samen met mij naar binnen. [Naam verdachte] ging op een stoel in de bank zitten. Ik had 3.000 gulden van een rekening opgenomen en 2.000 gulden van een andere rekening. Hierna liep hij samen met mij naar buiten. Ik overhandigde [naam verdachte] de 5.000 gulden en nam de benen. Terwijl ik wegrende werd ik door [naam verdachte] geroepen. 3

3. Op 23 augustus 2017 voegde hij daaraan nog het volgende toe:

“Op 6 juli 2017 zijn wij weer naar de [naam bank] gegaan. Ik heb binnen 5000 gulden opgenomen en 1000 gulden bij de pinautomaat. Die geldbedragen heb ik aan hem gegeven.

Ik was zo bang, paniekerig, overspannen dat ik de eerste keer geen aangifte ging doen, wel had ik aan [naam vriendin van benadeelde partij] gezegd dat ik beroofd werd. Ik kon ’s nachts niet slapen, daar het hele verhaal zich in mijn hoofd afspeelde. Ik had het heel moeilijk. De tweede keer dat ik door [naam verdachte] beroofd werd, ging ik gelijk na de beroving aangifte doen. 4

4. Een door hem verstrekt opnameformulier vermeldt dat aangever op 29 juni 2017 een geldbedrag van NAF 4.000,-- van zijn rekening en een geldbedrag van NAf 1.000,-- via de pinautomaat heeft opgenomen. Het formulier vermeldt verder dat hij op 6 juli 2017 een geldbedrag van NAf 2.000,-- van een rekening heeft opgenomen en NAf 3.000,-- van een andere rekening. Ook vermeldt het formulier dat hij die dag via de pinautomaat een geldbedrag van NAf 1.000,-- heeft opgenomen.5

5. [ Naam vriendin van benadeelde partij] is een vriendin van aangever. Zij heeft onder meer het volgende als getuige verklaard:

“Ik ben een vriendin van [voornaam benadeelde partij] (het Hof: aangever [naam benadeelde partij]) en zijn moeder. Op 30 juni 2017 werd ik door [naam benadeelde partij] gebeld. [Naam benadeelde partij] heeft verteld dat hij door twee mannen beroofd was. Deze mannen liepen zijn zaak binnen en er werd tegen hem gezegd dat hij geld moest pinnen. Verder zei [naam benadeelde partij] tegen mij dat tegen hem was gezegd dat hij niet naar de politie moest gaan om aangifte te doen en dat zij neven hebben die steken en schieten. [Naam benadeelde partij] zei dat hij 5.000 gulden aan deze mannen had gegeven. [Naam benadeelde partij] was heel erg bang.” 6

6. De moeder van aangever, [naam moeder van benadeelde partij], heeft het volgende als getuige verklaard:

“Ik ben de moeder van [naam benadeelde partij]. De eerste keer dat hij beroofd is, heeft hij niets aan mij verteld. De tweede keer dat hij beroofd is, heeft hij mij het wel verteld. Hij had me gezegd dat hij door dezelfde man was beroofd. [Naam benadeelde partij] verkeerde in een hevige gemoedstoestand. [Naam benadeelde partij] was er kapot van. [Naam benadeelde partij] gaf mij te kennen dat deze man een satanisch gezicht heeft en dat deze man aan hem had gezegd dat als hij het geld niet afgeeft hij hem en zijn familie zal vermoorden.” 7

7. De verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep het volgende verklaard:

“Ik ben verschillende keren bij de winkel van aangever geweest. Op 29 juni 2017 ben ik met aangever naar de bank gegaan. Ik heb toen een geldbedrag van NAf 5.000,-- van hem gekregen. De week daarop ben ik weer naar zijn winkel gegaan en we zijn weer naar de bank gegaan. Ook toen heb ik geld gekregen.” 8

Bewijsoverwegingen

De raadsman heeft primair bepleit dat de verdachte van de gehele tenlastelegging zal worden vrijgesproken. Hij heeft daartoe aangevoerd dat de verdachte stellig ontkent dat hij de ten laste gelegde feiten heeft gepleegd en dat het tegendeel in de kern alleen kan blijken uit één bron, namelijk de verklaringen van aangever. Er is daarom niet voldaan aan het bewijsminimum. Bovendien kunnen de verklaringen van aangever niet als betrouwbaar worden aangemerkt. De verdachte heeft een alternatieve lezing van het gebeuren gegeven en die lezing kan niet als ongeloofwaardig terzijde worden geschoven, aldus de raadsman.

Unus testis nullus testis

Vooropgesteld moet worden dat het in artikel 385, derde lid, Sv neergelegde wettelijk bewijsminimum (de zogeheten unus testis nullus testis regel), volgens vaste jurisprudentie betekent dat een belastende verklaring in voldoende mate moet worden ondersteund door andere bewijsmiddelen. Daarbij heeft te gelden dat de vraag of aan dit bewijsminimum is voldaan zich niet in algemene zin laat beantwoorden, maar een beoordeling van het concrete geval vergt.

Naar het oordeel van het Hof worden de verklaringen van aangever voor wat betreft het onder 1 en 2 bewezen verklaarde in voldoende mate ondersteund door andere bewijsmiddelen. Het Hof wijst daarbij niet alleen op het hiervoor als bewijsmiddel 4 weergegeven opnameformulier van de bank, maar in het bijzonder ook op de hiervoor als bewijsmiddelen 5 en 6 weergegeven verklaringen van de vriendin en de moeder van aangever. Die verklaringen zien met name op door hen kort na de feiten waargenomen emoties bij aangever. Zo heeft de vriendin van aangever verklaard dat zij de dag na de eerste gebeurtenis door aangever werd gebeld en dat hij toen heeft verteld dat hij was beroofd. Zij merkte dat aangever “heel erg bang” was. De moeder van aangever heeft gemerkt hoe hij heeft gereageerd op de tweede gebeurtenis. Volgens haar verkeerde aangever in een “hevige gemoedstoestand” en was hij “er kapot van”. Deze verklaringen sluiten aan bij de verklaring van aangever dat hij zich bang, paniekerig en overspannen voelde en bij de waarneming van de verbalisant die het laatste verhoor van aangever afnam, namelijk dat hij tijdens het verhoor hevig heeft gehuild en gebibberd. Gelet op het voorgaande is aan het bewijsminimum voldaan.

Betrouwbaarheid verklaringen aangever

De tegenstrijdigheden in de verklaringen van aangever, die door de raadsman bij pleidooi naar voren zijn gebracht, heeft het Hof kritisch tegen het licht gehouden. Anders dan de raadsman is het Hof tot de conclusie gekomen dat die tegenstrijdigheden te verklaren zijn door de angstgevoelens die aangever kennelijk heeft gehad. Zijn verklaringen zijn in de kern consistent en vinden voldoende steun in andere bewijsmiddelen. Voor zover er verschillen zijn tussen de verklaringen acht het Hof deze van ondergeschikte aard. Het Hof ziet daarom geen aanleiding om te twijfelen aan de juistheid en betrouwbaarheid van de door aangever afgelegde verklaringen.

Dat klemt te meer nu aan het alternatieve scenario van de verdachte naar het oordeel van het Hof geen enkel geloof kan worden gehecht. Dat scenario komt erop neer dat aangever homoseksueel zou zijn en hem beide keren in ruil voor seks vrijwillig geld zou hebben gegeven. Volgens de verdachte zou hij aangever daarop tweemaal seksueel hebben bevredigd tegen in totaal NAf 9.950,--. Het Hof constateert dat de verdachte deze lezing niet van meet af aan heeft gegeven. Bij zijn voorgeleiding op 18 augustus 2017 heeft hij verklaard dat “die aangever een homo is”, dat hij “NAf 7.000,-- van hem had genomen en (…) nog NAf 8.000,-- moest geven om een Surinaamse zaak in brand te steken”. Vervolgens heeft hij, nadat hij in verzekering was gesteld en zijn (toenmalige) raadsman heeft geconsulteerd, geen verklaring willen afleggen, omdat hij eerst inzage in het dossier wilde hebben. Pas bij zijn verhoor op 5 september 2017 kwam aan de orde dat de geldbedragen in ruil voor seks waren gegeven. Tijdens dat verhoor geeft hij echter twee versies. De eerste versie is dat hij op beide dagen seks met aangever heeft gehad en dat hij beide keren daarna met hem naar de bank is gegaan om geld te ontvangen. In zijn tweede versie weet hij niet meer of hij op 29 juni 2017 of op 6 juli 2017 seks heeft gehad, maar dat hij een van die dagen seks heeft gehad nadat aangever geld bij de bank had opgenomen. Ter terechtzitting in eerste aanleg volgt een nieuwe variant: de verdachte zou de eerste keer seks hebben gehad en zou de tweede keer alleen zijn teruggekomen voor het restant van het geld dat hem voor de seks was aangeboden. Vervolgens is hij ter terechtzitting in hoger beroep teruggevallen op zijn allereerste versie. Deze bijzondere inconsitenties roepen bij het Hof ernstige twijfels op over de juistheid van zijn lezing. Dat klemt te meer nu de verdachte naar eigen zeggen niet op mannen valt en ook nooit eerder homoseksuele contacten heeft gehad. Niettemin zou hij, in ruil voor een nog niet waargemaakte belofte, met aangever seks hebben gehad en hem daarbij zonder enige moeite hebben gepenetreerd. Gezien het voorgaande moet het door de verdachte geschetste scenario naar het oordeel van het Hof naar het rijk der fabelen worden verwezen.

Het verweer wordt dan ook verworpen.

Strafbaarheid en kwalificatie van het bewezen verklaarde

Het onder 1 en 2 bewezen verklaarde is telkens voorzien bij en strafbaar gesteld in artikel 2:294, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht. Het wordt telkens als volgt

gekwalificeerd:

Afpersing.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezen verklaarde uitsluiten.

Strafbaarheid van de verdachte

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluiten.

De verdachte is daarom strafbaar voor het hiervoor bewezen verklaarde.

Oplegging van straf

Bij de bepaling van de op te leggen straf wordt gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezen verklaarde is begaan, op de mate waarin de gedraging aan de verdachte te verwijten is en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen. Daarbij wordt rekening gehouden met de ernst van het bewezen verklaarde in verhouding tot andere strafbare feiten, zoals die onder meer tot uitdrukking komt in het hierop gestelde wettelijke strafmaximum en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd.

Met betrekking tot de ernst van het bewezen verklaarde wordt het volgende in aanmerking genomen. De verdachte heeft zich binnen een week twee keer schuldig gemaakt aan afpersing. De eerste keer heeft hij het slachtoffer onder bedreiging met een mes in totaal een bedrag van NAf 5.000,-- afhandig gemaakt. Daarbij heeft hij gedreigd dat hij, als aangever naar de politie zou gaan, hem zou laten vermoorden. Het slachtoffer was daarvan danig onder de indruk en heeft de politie niet ingeschakeld. De verdachte heeft van die angst kennelijk gebruik willen maken en is nog een keer teruggekomen. Hij heeft het slachtoffer toen opnieuw onder bedreiging gedwongen tot de afgifte van een aanzienlijk geldbedrag; de verdachte heeft die keer in totaal een bedrag van NAf 6.000,-- buitgemaakt. De verdachte heeft zich kennelijk om de gevolgen voor het slachtoffer op geen enkele wijze bekommerd en zich uisluitend laten leiden door financieel gewin.

De verdachte heeft ook nadat hij is aangehouden op verdenking van deze strafbare feiten, geen verantwoordelijkheid genomen voor zijn handelen. Integendeel, hij heeft die verantwoordelijkheid proberen te ontlopen door het slachtoffer op lage wijze af te schilderen als iemand die hem met geld heeft verleid tot seks.

Het Hof rekent hem dat aan. Het Hof houdt ten nadele van de verdachte ook rekening met het feit dat de verdachte blijkens zijn strafkaart al eerder onherroepelijk voor soortgelijke strafbare feiten is veroordeeld. Die veroordelingen hebben de verdachte er blijkbaar niet van kunnen weerhouden om opnieuw strafbare feiten te plegen.

Naar het oordeel van het Hof kan gelet op de ernst van het bewezen verklaarde niet worden volstaan met een andere of lichtere sanctie dan een straf die een onvoorwaardelijke vrijheidsbeneming met zich brengt. In de visie van het Hof is de door het Gerecht opgelegde en door de procureur-generaal gevorderde gevangenisstraf van 36 maanden in vergelijking met soortgelijke zaken zelfs mild te noemen. Mede in aanmerking genomen echter dat noch in eerste aanleg noch in hoger beroep een hogere straf is gevorderd, zal het Hof daarmee volstaan. De verdachte zal dan ook opnieuw worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 36 maanden met aftrek van voorarrest.

Schadevergoeding

De benadeelde partij [naam benadeelde partij] heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt NAf 11.000,-- te vermeerderen met de wettelijke rente. De vordering van de benadeelde partij is bij vonnis waarvan beroep volledig toegewezen.

De verdediging heeft de vordering betwist. Uit het onderzoek ter terechtzitting is het Hof echter genoegzaam gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van verdachtes onder 1 en 2 bewezen verklaarde handelen rechtstreeks schade heeft geleden tot het gevorderde bedrag van NAf 11.000,-- vermeerderd met de wettelijke rente. Ten aanzien van de wettelijke rente overweegt het Hof dat een deel van de schade, groot NAf 5.000,--, is ingetreden op 29 juni 2017 en dat het andere deel van de schade, groot NAf 6.000,--, is ingetreden op 6 juli 2017.

De verdachte is tot vergoeding van die schade gehouden, zodat de vordering tot dat bedrag toewijsbaar is.

Het Hof ziet aanleiding daarbij een schadevergoedingsmaatregel als bedoeld in artikel 1:78 van het Wetboek van Strafrecht aan de verdachte op te leggen.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf en maatregel zijn, behalve op de reeds aangehaalde wettelijke voorschriften, gegrond op de artikelen 1:62 en 1:136, zoals deze luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

BESLISSING

Het Hof:

vernietigt het vonnis van het Gerecht in eerste aanleg en doet opnieuw recht;

verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte onder feit 1 en 2, als diefstal met geweld, is ten laste gelegd en spreekt hem daarvan vrij;

verklaart wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte de onder feit 1 en 2, als afpersing, ten laste gelegde feiten heeft begaan;

verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd en spreekt hem daarvan vrij;

kwalificeert het bewezen verklaarde als hiervoor omschreven;

verklaart het bewezen verklaarde strafbaar en de verdachte daarvoor strafbaar;

veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de 36 (zesendertig) maanden;

beveelt dat de tijd die door de verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht;

wijst de vordering tot vergoeding van de door de benadeelde partij [naam benadeelde partij] geleden schade toe tot een bedrag van NAf 11.000,-- (elfduizend gulden), vermeerderd met de wettelijke rente – over een gedeelte groot NAf 5.000,-- vanaf 29 juni 2017 en over een gedeelte groot NAf 6.000,-- vanaf 6 juli 2017, telkens tot aan de dag van de voldoening –, en veroordeelt de verdachte om dit bedrag tegen een behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan de benadeelde partij;

veroordeelt de verdachte in de kosten door de benadeelde partij [naam benadeelde partij] gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging alsnog te maken;

legt aan de verdachte als schadevergoedingsmaatregel ten behoeve van de benadeelde partij [naam benadeelde partij] de verplichting op tot betaling aan het Land van een bedrag van NAf 11.000,-- (zegge: elfduizend gulden), bij gebreke van betaling of verhaal te vervangen door 85 dagen hechtenis, met dien verstande dat toepassing van de vervangende hechtenis de betalingsverplichting niet opheft en bepaalt dat het te betalen bedrag wordt vermeerderd met de wettelijke rente – over een gedeelte groot NAf 5.000,-- vanaf 29 juni 2017 en over een gedeelte groot NAf 6.000,-- vanaf 6 juli 2017, telkens tot aan de dag van de voldoening –;

bepaalt dat betalingen aan de benadeelde partij in mindering strekken op de verplichting tot betaling aan het Land en dat betalingen aan het Land in mindering strekken op de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij.

Dit vonnis is gewezen door mrs. M.C.B. Hubben, S.A. Carmelia en D. Radder, leden van het Hof, bijgestaan door mr. T.M.A.D. de Lanoy, (zittings)griffier, en vervolgens op 24 april 2018 uitgesproken in tegenwoordigheid van de griffier ter openbare terechtzitting van het Hof in Curaçao.

1 Hierna wordt, tenzij anders vermeld, telkens verwezen naar ambtsedige - en door de desbetreffende verbalisant(en) in wettelijke vorm opgemaakte - processen-verbaal en overige geschriften, die zijn opgenomen in het eindproces-verbaal van het Korps Politie Curaçao, Bureau Roofovervallen Bestrijding, sluitingsdatum 22 oktober 2017, geregistreerd onder proces-verbaalnummer 212/17 en de onderzoeksnaam “Sebastopool”.

2 Proces-verbaal van aangifte d.d. 6 juli 2017, pagina 3.

3 Proces-verbaal van nader verhoor d.d. 16 augustus 2017, pagina 15.

4 Proces-verbaal van nader verhoor d.d. 23 augustus 2017, pagina 18 en 19.

5 Proces-verbaal van bevinding bankformulier d.d. 19 augustus 2017, pagina 9.

6 Proces-verbaal van het getuigenverhoor d.d. 24 augustus 2017, pagina 45.

7 Proces-verbaal van het getuigenverhoor d.d. 30 augustus 2017, pagina 48.

8 Verklaring van de verdachte ter terechtzitting in hoger beroep van 22 maart 2018, zoals
die eventueel later – indien tegen dit vonnis beroep in cassatie wordt ingesteld – in het proces-verbaal van die terechtzitting zal worden weergegeven.