Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:OGHACMB:2018:45

Instantie
Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba
Datum uitspraak
27-02-2018
Datum publicatie
12-03-2018
Zaaknummer
BON201300025 en BON201700367 - BON2017H00030 - K 7/13 en EJ 123/17 - Ghis: 84401 - H 53/18
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Beschikking
Inhoudsindicatie

Family life pleegouder. Uithuisplaatsing

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

BURGERLIJKE ZAKEN 2018 BESCHIKKING NR.

Registratienrs.: BON201300025 en BON201700367 - BON2017H00030

K 7/13 en EJ 123/17 - Ghis: 84401 - H 53/18

Uitspraak: 27 februari 2018 (bij vervroeging)

GEMEENSCHAPPELIJK HOF VAN JUSTITIE VAN

ARUBA, CURAÇAO, SINT MAARTEN EN VAN

BONAIRE, SINT EUSTATIUS EN SABA

Beschikking in de zaak van:

[DE PLEEGMOEDER]

wonende op Bonaire,

hierna te noemen: de pleegmoeder,

oorspronkelijk verzoekster in de zaak EJ 123/17, en oorspronkelijk belanghebbende in de zaak K 7/13, thans appellante,

gemachtigde: mr. M. Bijkerk

e-mail: abogado.bijkerk@gmail.com,

-tegen-

Jeugdzorg en Gezinsvoogdij Caribisch Nederland,

gevestigd op Bonaire,

hierna te noemen: JGCN,

e-mail: jeanalda.pourier@jeugdzorgcn.com,

oorspronkelijk verweerster in de zaak EJ 123/17, en oorspronkelijk verzoekster in de zaak K 7/13, thans geïntimeerde.

Betreffende de uithuisplaatsing van:

[kind], geboren op [geboortedatum] 2012 op Bonaire,

hierna te noemen: het kind.

Andere belanghebbenden:

- [ [DE MOEDER],

hierna te noemen: de moeder,

- [ [DE VADER],

hierna te noemen: de vader,

- de Voogdijraad van Bonaire.

1 Het verloop van de procedure

1.1.

Voor hetgeen in eerste aanleg is gesteld en verzocht, voor de procesgang aldaar en voor de overwegingen en beslissingen van het Gerecht in eerste aanleg van Bonaire, Sint Eustatius en Saba, zittingsplaats Bonaire, (hierna: GEA) wordt verwezen naar de in de zaak met K nummer 7 van 2013 en de zaak met EJ nummer 123 van 2017 gegeven en op 9 november 2017 uitgesproken twee beschikkingen en de in de zaak K 7 van 2013 op 30 november 2017 gegeven herstelbeschikking.

1.2.

De pleegmoeder heeft in een beroepschrift, ter griffie ingekomen op 7 december 2017 hoger beroep ingesteld tegen voornoemde beschikkingen. Hierin heeft zij een aantal grieven voorgedragen en toegelicht en geconcludeerd dat het Hof de bestreden beschikkingen zal vernietigen en, opnieuw rechtdoende, het in de eerste aanleg door haar geformuleerde verzoek alsnog zal toewijzen, dan wel het verzoek van JGCN tot wijziging van de plaatsing van de minderjarige in een ander pleeggezin dan bij de pleegmoeder alsnog zal afwijzen.

1.3.

Op 13 februari 2018 heeft een mondelinge behandeling plaatsgevonden door middel van een videoverbinding tussen de gerechtsgebouwen in Curaçao en Bonaire. De leden van het Hof, de griffier, de pleegmoeder en haar gemachtigde en een zuster van de pleegmoeder waren tegenwoordig in Curaçao. Verschenen op Bonaire zijn namens JGCN, mevrouw J. Pourier, coördinator gezinsvoogdij, mevrouw D. Voldmuller, gedragswetenschapper, en de heer D. Inesia, gezinsvoogd. De vader en moeder en de Voogdijraad Bonaire zijn niet verschenen; volgens mevrouw Pourier was de Voogdijraad van de zitting op de hoogte. De gemachtigde, de pleegmoeder en mevrouw Pourier hebben het woord gevoerd en hun standpunten nader toegelicht en hebben vragen van het Hof beantwoord. Door de gemachtigde van de pleegmoeder is een pleitnota overgelegd.

1.4.

Na afloop van de behandeling heeft de voorzitter een datum medegedeeld waarop een beschikking zal worden uitgesproken. De beschikking wordt heden bij vervroeging uitgesproken.

2 De ontvankelijkheid

Het hoger beroep is tijdig en op de juiste wijze ingesteld, zodat de pleegmoeder daarin kan worden ontvangen.

3 De gronden van het hoger beroep

Voor de inhoud van de gronden van het hoger beroep wordt verwezen naar het beroepschrift.

4 Beoordeling

4.1.

Het kind is geboren op 6 januari 2012. Het is ongeveer twee weken na de geboorte door de moeder geplaatst bij de pleegmoeder. Het kind is sedert 25 april 2013 onder toezicht gesteld, bedoeld in artikel 1:254 BW BES, maar zonder rechterlijke plaatsingsbeslissing, bedoeld in artikel 1:263 BW BES. De pleegmoeder heeft onafgebroken gezorgd voor het kind totdat dit op 19 oktober 2017 door JGCN van de speelschool is meegenomen en elders is geplaatst.

4.2.

De pleegmoeder heeft op 25 oktober 2017 in rechte verzocht om ongedaanmaking van het weghalen van het kind door JGCN (zaak EJ 123/17). JGCN heeft op 27 oktober 2017 een rechterlijke uithuisplaatsing (artikel 1:263 BW BES) verzocht (zaak K 7/13). Het GEA heeft bij voornoemde beschikkingen bepaald dat de machtiging uithuisplaatsing van het kind verder ten uitvoer kan worden gelegd door plaatsing van het kind in een ander pleeggezin dan dat van de pleegmoeder, te bepalen door JGCN (zaak K 7/13) en heeft het verzoek van de pleegmoeder om het kind bij haar terug te plaatsen afgewezen (zaak EJ 123/17). Tegen deze beslissingen richt zich het appel van de pleegmoeder.

4.3.

Naar het oordeel van het Hof bestaat onder de omstandigheden van dit geval – de pleegmoeder heeft het kind bijna vanaf diens geboorte meer dan vijfeneenhalf jaar verzorgd en opgevoed – tussen de pleegmoeder en het kind ‘family life’ als bedoeld in artikel 8 EVRM. Het Hof verwijst naar de uitspraak van de Grote Kamer van het Europese Hof voor de rechten van de mens van 24 januari 2017 in de zaak Paradiso and Campanelli v. Italy (Application no. 25358/12) waarin is overwogen:

‘148. The Court must ascertain whether, in the circumstances of the case, the relationship between the applicants and the child came within the sphere of family life within the meaning of Article 8. The Court accepts, in certain situations, the existence of de facto family life between an adult or adults and a child in the absence of biological ties or a recognised legal tie, provided that there are genuine personal ties.

149. In spite of the absence of a biological tie and of a parental relationship that was legally recognised by the respondent State, the Court has found that there existed family life between the foster parents who had cared for a child on a temporary basis and the child in question, on account of the close personal ties between them, the role played by the adults vis‑à‑vis the child, and the time spent together (see Moretti and Benedetti v. Italy, no. 16318/07, § 48, 27 April 2010, and Kopf and Liberda v. Austria, no. 1598/06, § 37, 17 January 2012). In the case of Moretti and Benedetti, the Court attached importance to the fact that the child had arrived in the family at the age of one month and that, for nineteen months, the applicants had shared the first important stages of his young life with the child. It also noted that the court-ordered reports on the family showed that the child was well integrated in the family and deeply attached to the applicants and to their children. The applicants had also provided for the child’s social development. These elements were sufficient for the Court to find that there existed between the applicants and the child a close inter-personal bond and that the applicants behaved in every respect as her parents, so that “de facto” “family ties” existed between them (see Moretti and Benedetti, cited above, §§ 49-50). The Kopf and Liberda case concerned a foster family which had cared, over a period of about forty-six months, for a child who had arrived in their home at the age of two. Here too the Court concluded that family life existed, given that the applicants had a genuine concern for the child’s well-being and that an emotional bond had developed between the individuals concerned (see Kopf and Liberda, cited above, § 37).

150. In addition, in the case of Wagner and J.M.W.L. v. Luxembourg (no. 76240/01, § 117, 28 June 2007) – which concerned the inability to obtain legal recognition in Luxembourg of a Peruvian judicial decision pronouncing the second applicant’s full adoption by the first applicant – the Court recognised the existence of family life in the absence of legal recognition of the adoption. It took into consideration that de facto family ties had existed for more than ten years between the applicants and that the first applicant had acted as the minor child’s mother in every respect.

151. It is therefore necessary, in the instant case, to consider the quality of the ties, the role played by the applicants vis-à-vis the child and the duration of the cohabitation between them and the child. The Court considers that the applicants had developed a parental project and had assumed their role as parents vis-à-vis the child (see, a contrario, Giusto, Bornacin and V. v. Italy (dec.), no. 38972/06, 15 May 2007). They had forged close emotional bonds with him in the first stages of his life, the strength of which was, moreover, clear from the report drawn up by the team of social workers following a request by the Minors Court (see paragraph 25 above).

152. With regard to the duration of the cohabitation between the applicants and the child in this case, the Court notes that the applicants and the child lived together for six months in Italy, preceded by a period of about two months’ shared life between the first applicant and the child in Russia.

153. It would admittedly be inappropriate to define a minimal duration of shared life which would be necessary to constitute de facto family life, given that the assessment of any situation must take account of the “quality” of the bond and the circumstances of each case. However, the duration of the relationship with the child is a key factor in the Court’s recognition of the existence of a family life. In the above-cited case of Wagner and J.M.W.L., the cohabitation had lasted for more than ten years. Equally, in the Nazarenko case (cited above, § 58), in which a married man had assumed the parental role before discovering that he was not the child’s biological father, the period spent together had lasted more than five years.’

4.4.

De uithuisplaatsing waarbij het kind elders dan bij de pleegmoeder is geplaatst vormt een ernstige inbreuk, bedoeld in artikel 8 lid 1 EVRM, op het recht van pleegmoeder en kind voor respect voor hun ‘family life’. Deze inbreuk dient te zijn gerechtvaardigd, bedoeld in artikel 8 lid 2 EVRM. Een belangrijke factor is of er proportionaliteit bestond tussen de noodzaak van ingrijpen en de maatregel.

4.5.

Het Hof kan zich vooralsnog niet aan de indruk onttrekken dat de beschermingswaardige positie van pleegmoeder en kind te weinig aandacht heeft gehad. Het gebrek aan medewerking van de pleegmoeder met de gezinsvoogd – waarvan terecht is aangenomen dat de pleegmoeder daartoe verplicht is (zie artikel 1:260 BW BES, dat zich weliswaar richt op de moeder, maar deze heeft de verzorging en opvoeding overgelaten aan de pleegmoeder) – is haar zwaar aangerekend. Niet gebleken is dat de pleegmoeder tevoren indringend is gewaarschuwd en is gewezen op haar in het kader van de ondertoezichtstelling bestaande verplichting zich te gedragen naar de aanwijzingen van de gezinsvoogd.

4.6.

Ter zitting is door JGCN gesproken over een ‘gestoorde hechting’ met de moeder, maar de in vijfeneenhalf jaar ontstane hechting van het kind aan de pleegmoeder is niet genoemd. Voor het kind is de pleegmoeder haar ‘moeder’. Zie het bericht van [naam], eerste tijdelijke pleegmoeder na de uithuisplaatsing: ‘Paso e ta keda papia di su mama’ (productie bij pleitnota mr. Bijkerk in hoger beroep), waarbij, naar onbetwist is met 'su mama' de pleegmoeder is bedoeld.

4.7.

Kennelijk is er thans geen omgang tussen pleegmoeder en kind. Gelet op het recht van pleegmoeder en kind voor respect voor hun ‘family life’, bestaat er wel recht op omgang (artikel 1:377f BW BES).

4.8.

Zorgelijk was dat op enig moment de moeder van de pleegmoeder (mevrouw [naam moeder van de pleegmoeder]) drie andere pleegkinderen verzorgde, zodat in huis woonden: de pleegmoeder, haar moeder, haar zuster en vier pleegkinderen. Echter, toen het kind werd weggehaald door JGCN was deze onwenselijke situatie al beëindigd. De drie andere pleegkinderen waren al uit huis. Het kind heeft een eigen kamer in het huis van de pleegmoeder.

4.9.

Het Hof begrijpt uit het verhandelde ter zitting dat het thans nog niet zo goed gaat met het kind. Het antwoord op de desbetreffende vraag luidde dat het nu eenmaal een ‘problematisch kind’ is. De huidige pleegmoeder werkt wel mee met JGCN.

4.10.

Het Hof wenst dat de Voogdijraad onderzoek doet en advies aan het Hof uitbrengt (artikel 810 Rv). Het Hof wil dat de Voogdijraad probeert te achterhalen of de huidige situatie, waarin het kind uit huis van de pleegmoeder is geplaatst, duidelijk beter is voor het kind. Het Hof wil dat de Voogdijraad onder meer spreekt met de psycholoog drs. D. Copini-Rigaud.

4.11.

De behandeling zal worden voortgezet op dinsdag 17 april 2018 in Curaçao met videoverbinding naar Bonaire. Opgeroepen dienen in elk geval te worden: de Voogdijraad Bonaire, de pleegmoeder, JGCN, de moeder, de vader en de psycholoog drs. D. Copini-Rigaud. JGCN en de Voogdijraad wordt verzocht te bevorderen dat ook degene aan wiens zorg het kind thans is toevertrouwd, ter zitting aanwezig is om als informant op te treden.

4.12.

Het Hof verzoekt de Voogdijraad Bonaire tijdig vóór deze zitting schriftelijk advies uit te brengen, met afschrift aan alle belanghebbenden.

4.13.

Iedere verdere beslissing wordt aangehouden.

5 Beslissing

Het Hof:

- verzoekt de Voogdijraad Bonaire onderzoek te doen naar de vraag of de huidige situatie, waarin het kind uit huis is geplaatst elders dan bij de pleegmoeder, duidelijk beter is, uit oogpunt van het belang van het kind, dan terugplaatsing bij de pleegmoeder;

- verzoekt de Voogdijraad Bonaire hierover schriftelijk advies uit te brengen aan het Hof tijdig vóór de hierna te noemen zitting van 17 april 2018;

- draagt de griffier van het Hof op een kopie van de processtukken, inclusief deze beschikking, te doen toekomen aan de Voogdijraad Bonaire (e-mail: (Thammy.Albertsz@rijksdienstCN.com en Stephanie.Rooijakker@rijksdienstCN.com);

- bepaalt een voortzetting van de mondelinge behandeling op dinsdag 17 april 2018 in Curaçao met videoverbinding naar Bonaire om 10:00 uur in zaal 2;

- beveelt voor die zitting oproeping, met medezending van deze beschikking, van:

- de Voogdijraad Bonaire (e-mail: (Thammy.Albertsz@rijksdienstCN.com en Stephanie.Rooijakker@rijksdienstCN.com),

- de pleegmoeder (e-mail: [de pleegmoeder]@icloud.com),

- JGCN (e-mail: jeanalda.pourier@jeugdzorgcn.com),

- de moeder,

- de vader, en

- de psycholoog drs. D. Copini-Rigaud (Kaya Caracas 3, e-mail: scopini@psyplus.me);

- houdt iedere verdere beslissing aan.

Deze beschikking is gegeven door mrs. J de Boer, G.C.C. Lewin en H.J. Fehmers, leden van het Hof, en bij vervroeging uitgesproken ter openbare terechtzitting van 27 februari 2018 in Curaçao, in tegenwoordigheid van de griffier.