Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:OGHACMB:2018:42

Instantie
Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba
Datum uitspraak
13-02-2018
Datum publicatie
27-02-2018
Zaaknummer
E 46391 – H 38/17
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Beschikking
Inhoudsindicatie

huwelijksvermogensrecht. vergoeding. beleggingsleer. natuurlijke verbintenis. Gebruiksvergoeding.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

BURGERLIJKE ZAKEN 2018 BESCHIKKING NO.

Registratienrs. E 46391 – H 38/17

Uitspraak: 13 februari 2018

GEMEENSCHAPPELIJK HOF VAN JUSTITIE VAN

ARUBA, CURAÇAO, SINT MAARTEN EN VAN

BONAIRE, SINT EUSTATIUS EN SABA

Beschikking in de zaak van:

[DE MAN],

ingeschreven in Curaçao, verblijvende in Frankrijk,

hierna te noemen: de man,

oorspronkelijk verweerder, thans appellant in het principaal appel en geïntimeerde in het incidenteel appel,

gemachtigde: mr. S.N.E. Inderson,

tegen

[DE VROUW],

wonende in Frankrijk,

hierna te noemen: de vrouw,

oorspronkelijk verzoekster, thans geïntimeerde in het principaal appel en appellante in het incidenteel appel,

gemachtigde: mr. Th. Aardenburg.

1 Het verloop van de procedure

1.1.

Voor hetgeen in eerste aanleg is gesteld en verzocht, voor de procesgang aldaar en voor de overwegingen en beslissingen van het Gerecht in eerste aanleg van Curaçao (GEA) wordt verwezen naar de tussen partijen in de zaak met nummer E 46391 gegeven en op 26 april 2011, 23 augustus 2011 (hersteld bij herstelbeschikking van 31 augustus 2011, in hoger beroep bevestigd en aangevuld bij Hofbeschikking van 8 mei 2012, H 5/12), 14 november 2012, 15 februari 2013 (vernietigd bij Hofbeschikking van 5 november 2013, H 135/13), 27 november 2013, 15 april 2014, 3 juni 2014 (hersteld bij herstelbeschikking van 30 juni 2014), 24 juni 2015 en 10 januari 2017 uitgesproken beschikkingen. De inhoud van die beschikkingen geldt als hier ingevoegd.

1.2.

De man heeft in een beroepschrift, met producties, per fax ingekomen op 21 februari 2017, dus tijdig, hoger beroep ingesteld van de beschikkingen van 3 juni 2014, 24 juni 2015 en 10 januari 2017. Hierin heeft hij het beroep toegelicht onder aanvoering van 83 grieven, zijn verzoek vermeerderd en geconcludeerd kennelijk dat het Hof de bestreden beschikkingen zal vernietigen en zal recht doen overeenkomstig zijn verzoek.

1.3.

De vrouw heeft in een verweerschrift, met producties, het door de man ingestelde hoger beroep bestreden, incidenteel hoger beroep ingesteld, en geconcludeerd tot bevestiging van de bestreden beschikkingen, met dien verstande dat het oordeel omtrent het wegens verbetering van de woning in Frankrijk ten laste van de vrouw in de verdeling te betrekken bedrag van EURO 111.000,-- moet worden vernietigd en dit bedrag op nihil moet worden gesteld, met toekenning aan de vrouw van een in goede justitie te bepalen gebruiksvergoeding over de periode dat de man nalatig is geweest en zal zijn om mee te werken aan verhuur of verkoop van de woning in Curaçao, met veroordeling van de man in de kosten van beide procedures.

1.4.

Op 29 augustus 2017 heeft een mondelinge behandeling plaatsgevonden. Partijen zijn verschenen, vergezeld van hun gemachtigden. De partijen en de gemachtigden hebben het woord gevoerd en vragen beantwoord. De gemachtigde van de vrouw heeft pleitaantekeningen overgelegd.

1.5.

Op 26 september 2017 heeft de vrouw een akte uitlating regeling, met productie, genomen.

1.6.

Op 24 oktober 2017 heeft de man een akte uitlating regeling tevens akte uitlating productie genomen.

1.7.

De mondelinge behandeling vond plaats ten overstaan van mrs. De Boer, Saleh en Lasten. Mr. Lasten is thans geen lid van het Hof. Partijen zijn ermee akkoord gegaan dat mr. Lewin haar vervangt zonder nieuwe mondelinge behandeling.

1.8.

Beschikking is nader bepaald op heden.

2 De gronden van de hoger beroepen

Voor de gronden van de hoger beroepen wordt verwezen naar het beroepschrift en het verweerschrift.

3 Beoordeling

3.1.

Partijen zijn op 23 januari 2002 in Nederland in het huwelijk getreden. Zij hebben huwelijkse voorwaarden gemaakt, met een vergoedingsbeding (productie 1 bij verweerschrift in eerste aanleg). Bij beschikking van het GEA van 26 april 2011 is de echtscheiding uitgesproken. Uit het huwelijk zijn twee kinderen geboren: op [geboortedatum] 2002 en [geboortedatum] 2003 in Frankrijk. De vrouw is inmiddels hertrouwd.

3.2.

Het gaat in dit hoger beroep nog enkel om de huwelijksvermogensrechtelijke afwikkeling. De hoger beroepen beogen deze in beginsel in volle omvang aan het Hof voor te leggen.

3.3.

Toen de procedure aanhangig werd gemaakt hadden beide partijen hun gewone verblijfplaats in Curaçao. De Curaçaose rechter is bevoegd van de gedane huwelijksvermogensrechtelijke verzoeken kennis te nemen, ook in hoger beroep (perpetuatio fori-beginsel). Overigens heeft de man ter zitting van het Hof verklaard nog steeds in Curaçao te zijn ingeschreven, daarmee kennelijk bedoelende dat hij nog steeds zijn gewone verblijfplaats in Curaçao heeft; zie ook beroepschrift, slotopmerkingen, waarin gesteld wordt dat de man tijdelijk woonachtig is in Frankrijk.

3.4.

In de huwelijkse voorwaarden is gekozen voor toepasselijkheid van het Nederlandse recht: ‘Ten aanzien van het tussen de echtgenoten geldende huwelijksgoederenrecht’. Dat mogelijkerwijs een buitenlandse belegging intern beheerst wordt door buitenlands recht staat niet in de weg aan de toepasselijkheid van het Nederlandse recht op de afwikkeling van het in de huwelijkse voorwaarden opgenomen vergoedingsbeding. Dat die belegging deels vóór het aangaan van het huwelijk is gedaan staat daaraan evenmin in de weg.

3.5.

Vóór hun huwelijk is in Frankrijk een woning aangekocht (in 2001). Deze is ondergebracht in een rechtspersoon naar Frans recht, de Société Civile Immobilière ‘Advienne que Pourra’. Partijen zijn beiden voor 50% aandeelhouder; de man heeft de aandelen nrs. 1-75, de vrouw de aandelen nrs. 76-150.

3.6.

Tijdens hun huwelijk is in Curaçao een woning aangekocht (in 2007). Deze staat op naam van beiden.

3.7.

Het Hof houdt vast aan de uitleg van het verrekenbeding gegeven in zijn vonnis van 5 november 2013, H 135/13. Hierin is aangehaakt aan het huidige artikel 1:87 (Ned)BW. Hiertegen is door partijen nimmer bedenkingen aangevoerd. Het Hof acht die uitleg redelijk in de verhouding tussen partijen.

Woning in Frankrijk

3.8.

De man heeft meer bijgedragen aan de koopprijs dan de vrouw, maar beiden zijn voor gelijke delen in de woning gerechtigd. Naar het oordeel van het Hof is hier sprake geweest van een voorhuwelijkse gift van de man aan de vrouw. De vrouw heeft haar schepen verbrand in Nederland om de man te volgen naar Frankrijk, waar zij met hem twee kinderen heeft gekregen. Op het vermogen van de man was nog niet ingeteerd doordat partijen op te grote voet leefden. De vrouw hoefde niet in redelijkheid te verwachten dat ter zake van de verkrijging van haar gelijke aandeel in de Franse woning, zij later een rekening gepresenteerd zou krijgen. De vrouw mocht redelijkerwijs begrijpen dat sprake was van een gift. Niet gesteld is dat de man heeft afgesproken of een indicatie heeft gegeven dat het anders was. Indien niet sprake was van een gift, heeft de man voldaan aan een natuurlijke verbintenis jegens de vrouw.

3.9.

Ter zitting in hoger beroep zijn partijen ermee akkoord gegaan dat voor de afwikkeling in deze zaak de (huidige) waarde van de woning wordt gesteld op EURO 550.000.

3.10.

De man verblijft thans in de woning. Het zou onaanvaardbaar naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid zijn dat hij uit de woning zou moeten vertrekken. Beide partijen wensten ter zitting van het Hof dat de man de vrouw uitkoopt (zie ook beroepschrift, onder 99).

3.11.

De waarde van de woning bij aankoop vóór het huwelijk was EURO 317.000. Ter zitting gingen partijen ervan uit dat dit ook de waarde is vlak vóór de verbouwingen. Thans is de waarde (zie rov. 3.9) EURO 550.000. Het Hof acht, op basis van de stukken en het verhandelde ter zitting, voldoende aannemelijk dat tijdens het huwelijk door verbouwingen in de woning geïnvesteerd is (dus zonder gewoon onderhoud) voor EURO 360.000. Het Hof heeft ter zitting begrepen dat ook partijen hiermee instemden. Van dit bedrag heeft de man EURO 300.000 gedragen en de vrouw EURO 60.000.

3.12.

De man heeft ter zake van de verbouwingen recht op vergoeding van 550.000 x 300.000 / (317.000 plus 360.000) = EURO 243.722.

3.13.

De vrouw heeft recht op vergoeding van 550.000 x 60.000 / (317.000 plus 360.000) = EURO 48.744.

3.14.

De vergoedingsrechten zijn totaal: 243.722 + 48.744 = 292.466. Resteert van de waarde: (550.000 – 292.466 =) 257.534, waarvan ieder de helft ontvangt: dus EURO 128.767.

3.15.

Per saldo: man 243.722 plus 128.767 = EURO 372.489; en vrouw 48.744 plus 128.767 = EURO 177.511. D.i. EURO 550.000 totaal. Het verlies (eindwaarde is lager dan beginwaarde + investeringen) voelen de man en de vrouw in hun vergoedingsrecht naar rato van hun investering (300 : 60, dus 5:1). De man draagt via zijn vergoedingsrecht 56.278 (300.000 - 243.722), de vrouw 11.256 (60.000 - 48.744), dat is inderdaad 5:1. De rest van het verlies voelen ze gelijkelijk als eigenaren.

3.16.

Het Hof acht deze afrekening redelijk.

3.17.

Kortom, ter zake van de Franse woning dient de man voor de verkrijging van de aandelen van de vrouw per saldo te betalen: EURO 177.511.

3.18.

Niet staat vast dat de inboedelgoederen in Frankrijk, voor zover aanwezig, thans nog enige waarde hebben (beroepschrift, onder 110). Een behoorlijk bewijsaanbod in hoger beroep is niet gedaan.

3.19.

Partijen waren het in eerste aanleg erover eens dat de man EURO 65.900 (netto) aan huur heeft ontvangen. Het GEA heeft daaruit (na aftrek van onkosten) terecht afgeleid dat de man aan de vrouw dient te vergoeden: EURO 14.261 (GEA 24 juni 2015, rov. 2.4). Hetgeen de man hierover in hoger beroep heeft aangevoerd (beroepschrift onder 103-109) werpt daarop geen ander licht.

3.20.

Sedert oktober 2013 woont de man in de Franse woning. Aan gebruiksvergoeding is hij aan de vrouw verschuldigd ½ x EURO 1.035 per maand (GEA 24 juni 2015, rov. 2.14 en 2.20 onder e) = EURO 517,50 per maand, totdat de aandelen van de vrouw aan hem zijn overgedragen.

3.21.

De man mag EURO 7.891,86 hierop in aftrek brengen wegens onderhoudskosten (GEA 24 juni 2015, rov. 2.14 en 2.20 onder e).

3.22.

Er is brand geweest in de woning. De man had kennelijk niet zorg gedragen voor een behoorlijke verzekering. Dit is echter tijdens huwelijk gebeurd (‘for better and worse’), zodat daarmee niet ten nadele van de man rekening wordt gehouden.

3.23.

Met de reiskosten van de man wordt geen rekening gehouden. Het Hof sluit zich aan bij het oordeel van het GEA ter zake.

Woning in Curaçao

3.24.

Anders dan het GEA acht het Hof naar objectieve maatstaven ten aanzien van de verkrijging voor gelijke delen van de Curaçaose woning geen natuurlijke verbintenis aanwezig. Aan het subjectieve inzicht van degene die de prestatie voldoet, te weten de man, komt geen beslissende betekenis toe. Partijen waren ten tijde van de aanschaf van de woning vijf jaren gehuwd, beiden in tweede echt. De vrouw had enig vermogen, waaronder een half aandeel in een huis in Frankrijk, waaraan een voorhuwelijkse gift van de man ten grondslag lag (zie rov. 3.8). Het vermogen van de man was groter, maar de man beschikte niet over ‘onbeperkte middelen’. Ten tijde van de verkrijging van de Curaçaose woning was het vermogen van de man al flink verminderd. De vrouw (geboren [geboortedatum] 1963) is achttien jaar jonger dan de man (geboren [geboortedatum] 1945). Zij heeft verdienvermogen, in tegenstelling tot de man. Zowel man als vrouw hadden geen betaald werk, zodat zij beiden voor de kinderen konden zorgen. Voor de situatie van ontbinding van het huwelijk door overlijden konden testamentair voorzieningen worden getroffen opdat de vrouw in de woning kon blijven.

3.25.

Partijen waren het ter zitting van het Hof erover eens dat de woning verkocht zal worden (via makelaar Caresto). Voor de woning is destijds betaald EURO 235.974; de bijdrage hieraan van de vrouw was EURO 37.200 en die van de man dus EURO 198.774 (GEA 3 juni 2014, rov. 2.6). De vrouw heeft derhalve recht op (37.200/235.972 = ) 0,1576 maal de toekomstige netto opbrengst en de man op (198.774/235.972 =) 0,8424. Het Hof zal geen rekenkundige correctie toepassen in verband met de verbeterkosten (zie rov. 3.26). Het bedrag der verbeterkosten is relatief klein en, aangezien de woning nog niet verkocht is, is onzeker of de opbrengst hoger dan wel lager dan de aankoopprijs zal zijn.

3.26.

Geen onderbouwde grieven zijn gericht tegen de beslissing van het GEA van 10 januari 2017, dictum onder 3.5 jo rov. 2.8 jo GEA 3 juni 2014, rov. 2.12 dat de vrouw wegens door de man gedragen verbeterkosten (in enge zin) aan de man moet vergoeden: EURO 1.119. Het Hof handhaaft deze beslissing.

3.27.

Wat betreft de gebruiksvergoeding die elk van partijen schuldig is, zal de verhouding 0,1576/0,8424 (zie rov. 3.25) niet worden toegepast. Het artikel 1:87 BW-systeem (zie rov. 3.7) geeft alleen recht op een breukdeel van de waarde van het kapitaal, het goed, en geen recht op een deel van de vruchten, hier het woongenot. Partijen zijn elk voor de helft eigenaar. Het Hof sluit zich daarom aan bij de beslissing van het GEA, als zijnde in overeenstemming met de redelijkheid en billijkheid. De man is schuldig aan de vrouw aan gebruiksvergoeding EURO 3.915 (GEA 10 januari 2017, dictum onder 3.4 jo GEA 3 juni 2014, rov. 2.21). Bovendien zijn hiertegen geen onderbouwde grieven gericht.

3.28.

De vrouw is aan gebruiksvergoeding in redelijkheid schuldig aan de man: EURO 12.500 (GEA 10 januari 2017, dictum onder 3.5 jo GEA 2.18 24 juni 2015, rov. 2.18). Ook hiertegen zijn geen onderbouwde grieven gericht.

3.29.

Niet staat vast dat de inboedelgoederen, voor zover nog aanwezig en niet al verdeeld, nog enige substantiële waarde hebben. Stellingen ter zake zijn wederzijds bestreden. Een behoorlijk bewijsaanbod is in hoger beroep niet gedaan.

3.30.

Evenmin is komen vast te staan dat het de man kan worden verweten dat de woning – die te koop staat – niet is verhuurd. Een behoorlijk bewijsaanbod is in hoger beroep niet gedaan.

Besluit

3.31.

Uit het voorgaande volgt dat de bestreden beschikking van 10 januari 2017 moet worden vernietigd. Het Hof zal beslissen overeenkomstig het voorgaande.

3.32.

De man heeft gevraagd deze beschikking niet uitvoerbaar bij voorraad te verklaren. De vrouw verzet zich daartegen. Een belangenafweging valt uit in het voordeel van de vrouw. Dat de man nu reeds cassatieberoep overweegt (akte 24 oktober 2017, onder 28) is onvoldoende reden de uitvoerbaarheid bij voorraad achterwege te laten. De vrouw, zo is ter zitting en uit de stukken gebleken, heeft er na zeven jaren procederen genoeg van en wenst dat partijen de zaak schikken, hetgeen niet gelukt is, of dat het Hof op korte termijn beslissingen neemt.

3.33.

Partijen zijn gewezen echtgenoten en deze procedure hangt samen met de verbreking van hun relatie. De kosten van deze procedure in beide instanties worden daarom gecompenseerd.

4 Beslissing

Het Hof:

- vernietigt de bestreden beschikking en opnieuw rechtdoende;

ten aanzien van de Franse woning:

- bepaalt dat de vrouw verplicht is haar aandelen in de Société Civile Immobilière ‘Advienne que Pourra’ over te dragen aan de man tegen gelijktijdige betaling door de man aan haar van EURO 177.511 (rov. 3.17);

- bepaalt dat de man aan netto door hem ontvangen huurpenningen aan de vrouw dient te vergoeden: EURO 14.261 (rov. 3.19);

- bepaalt dat de man aan gebruiksvergoeding aan de vrouw verschuldigd is EURO 517,50 per maand, totdat de aandelen van de vrouw aan hem zijn overgedragen (rov. 3.20), onder aftrek van EURO 7.891,86 wegens onderhoudskosten (rov. 3.21);

ten aanzien van de Curaçaose woning:

- bepaalt dat de vrouw recht heeft op 0,1576 maal de toekomstige netto opbrengst bij verkoop en de man op 0,8424 (rov. 3.25);

- bepaalt dat de vrouw wegens door de man gedragen verbeterkosten aan de man EURO 1.119 moet vergoeden (rov. 3.26);

- bepaalt dat man aan de vrouw een gebruiksvergoeding verschuldigd is van EURO 3.915 (rov. 3.27);

- bepaalt dat de vrouw aan de man een gebruiksvergoeding verschuldigd is van EURO 12.500 (rov. 3.28);

- verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad (rov. 3.32);

- compenseert de kosten van deze procedure aldus dat iedere partij de eigen kosten draagt (3.33).

Deze beschikking is gegeven door mrs. J. de Boer, E.A. Saleh en G.C.C. Lewin, leden van het Hof, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 13 februari 2018 in Curaçao, in tegenwoordigheid van de griffier.