Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:OGHACMB:2018:36

Instantie
Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba
Datum uitspraak
06-02-2018
Datum publicatie
21-02-2018
Zaaknummer
AR 33/15 - ghis 82768 - H 109/17
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bonaire. Vervolg op ECLI:NL:OGHACMB:2017:127. Grond. Woning. Huur met koopoptie. Ontruiming. Veranderingen en toevoegingen. Antwoordakte

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Burgerlijke zaken over 2018 Vonnis no.:

Registratienummer: AR 33/15 - ghis 82768 - H 109/17

Uitspraak: 6 februari 2018 (bij vervroeging)

GEMEENSCHAPPELIJK HOF VAN JUSTITIE

van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en

van Bonaire, Sint Eustatius en Saba

V O N N I S

in de zaak van:

Anibel Giovanni Rivero [APPELLANT],

wonende op Bonaire,

oorspronkelijk gedaagde,

thans appellant,

gemachtigde: mr. L.M.G. Dundas,

tegen

1. Marcelina [GEÏNTIMEERDE 1],

2. Ronald Rogelio [GEÏNTIMEERDE 2],

beiden wonende op Bonaire,

oorspronkelijk eisers,

thans geïntimeerden,

gemachtigde: mr. M. Bijkerk.

De partijen worden hierna [appellant], [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 2] genoemd. [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 2] worden gezamenlijk ook [geïntimeerden] genoemd.

1 Het verdere verloop van de procedure

Bij vonnis van 24 oktober 2017 (hierna: het tussenvonnis) heeft het Hof de zaak naar de rol verwezen voor gelijktijdige akten aan beide zijden.

Op 9 januari 2018 heeft [appellant] een akte ingediend, met een productie, en vonnis gevraagd. Vonnis is bij vervroeging bepaald op heden.

2 De verdere beoordeling

2.1

In het tussenvonnis heeft het Hof onder meer als volgt overwogen:

"2.9 In hoger beroep heeft [appellant] een rapport van [deskundige 1] overgelegd (...). Dit rapport roept vragen op. (...)

2.10 [

appellant] heeft bij grief 2 zijn beroep op art. 4 van het huurcontract in zodanige mate onderbouwd dat in hoger beroep niet zonder nader onderzoek geoordeeld kan worden dat [appellant] slechts een bedrag van US$ 1.530,00 kan verrekenen. Het Hof geeft partijen in overweging te trachten in dit opzicht tot een vergelijk te komen. Indien dat niet lukt, voorziet het Hof dat waarschijnlijk een deskundigenbericht noodzakelijk zal zijn om achteraf op basis van schattingen te begroten welk deel van de door [appellant] gedane investeringen beschouwd kan worden als "reparatie en vernieuwingen" in de zin van art. 4 van het huurcontract, zoals hierboven uitgelegd. Voor dat geval zal het Hof de zaak naar de rol verwijzen voor gelijktijdige akte aan beide zijden, waarin partijen zich dienen uit te laten over de persoon van de deskundige, de te stellen vragen en het te betalen voorschot. Zij zullen ook worden toegelaten tot het gelijktijdig nemen van antwoordakten."

2.2

Aan de akte van [appellant] is een tweede partijdeskundigenrapport gehecht, thans van [deskundige 2]. Ook dit rapport roept vragen op. Het gaat immers niet in op de vraag welk deel van de door [appellant] gedane investeringen beschouwd kan worden als "reparatie en vernieuwingen" in de zin van art. 4 van het huurcontract, zoals nader omschreven in het tussenvonnis. Dat neemt niet weg dat het Hof, als partijen dat wensen, zonder nader deskundigenonderzoek een totaalbedrag zou kunnen vaststellen dat [appellant] op de voet van art. 4 van het huurcontract kan verrekenen. Het Hof zou dan niet alleen gebruik maken van de twee partijdeskundigenrapporten, maar van alles wat partijen over en weer hebben gesteld en met stukken onderbouwd, en een schatting maken op basis van onder meer intuïtie en algemene ervaringsregels.

2.3

Het recht van [geïntimeerden] om gelijktijdig met [appellant] een akte in te dienen als bedoeld in de voorlaatste zin van rov. 2.10 van het tussenvonnis, is vervallen. Dat geldt niet voor het in de laatste zin van die rechtsoverweging toegekende recht op het gelijktijdig nemen van antwoordakten. Daartoe zal alsnog gelegenheid worden geboden. In die antwoordakten kunnen partijen ook ingaan op hetgeen het Hof in dit vonnis overweegt.

B E S L I S S I N G

Het Hof:

verwijst de zaak naar de rol van 6 maart 2018 voor gelijktijdige antwoordakten aan beide zijden (zie rov. 2.3);

houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit vonnis is gewezen door mrs. G.C.C. Lewin, H.J. Fehmers en F.W.J. Meijer, leden van het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba en ter openbare terechtzitting van het Hof in Curaçao uitgesproken op 6 februari 2018 in tegenwoordigheid van de griffier.