Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:OGHACMB:2018:302

Instantie
Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba
Datum uitspraak
05-07-2018
Datum publicatie
03-07-2019
Zaaknummer
H-149/2017
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

meineed bev

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Zaaknummer: H-149/2017

Parketnummer: 400.00144/17

Uitspraak: 5 juli 2018 Tegenspraak

Vonnis

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van het Gerecht in eerste aanleg van Bonaire, Sint Eustatius en Saba, zittingsplaats Bonaire, (hierna: het Gerecht) van 16 november 2017 in de strafzaak tegen de verdachte:

[VERDACHTE],

geboren op [geboortedatum] 1986 in [geboorteplaats],

wonende op [woonplaats], Kaya [adres].

Hoger beroep

Het Gerecht heeft de verdachte bij zijn vonnis ter zake van het ten laste gelegde feit veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van zes maanden.

De verdachte heeft hoger beroep ingesteld.

Onderzoek van de zaak

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting.

Het Hof heeft kennisgenomen van de vordering van de procureur-generaal,

mr. M.L.A. Angela, en van hetgeen door de verdachte en zijn raadsman,

mr. E.J. Winkel, naar voren is gebracht.

De procureur-generaal heeft gevorderd dat het Hof het vonnis waarvan beroep zal bevestigen, behoudens ten aanzien van de straf en – in zoverre opnieuw recht doende – de verdachte zal veroordelen tot gevangenisstraf voor de duur van twaalf maanden.

Namens de verdachte is primair vrijspraak bepleit. Subsidiair is namens de verdachte een strafmaatverweer gevoerd.

Vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep zal worden bevestigd, omdat het Hof zich daarmee verenigt, behoudens ten aanzien van de straf en de strafmotivering, en met aanvulling van de toepasselijke wettelijke voorschriften.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is, met inachtneming van de gevorderde en toegewezen wijzigingen, ten laste gelegd:

dat hij, op of omstreeks 2 juni 2017, op het eiland Bonaire, bij de

rechter-commissaris, als getuige in de zaak tegen [verdachte 1], [verdachte 2] en [verdachte 3], nadat hij in handen van de rechter-commissaris op de bij de wet voorgeschreven wijze de belofte had afgelegd de gehele waarheid en niets dan de waarheid te zullen zeggen, mondeling, persoonlijk, opzettelijk valselijk, geheel of ten dele in strijd met de waarheid – zakelijk weergegeven – heeft verklaard: dat hij, op of omstreeks 1 maart 2017 te Bonaire op of aan de Kaya [adres] heeft gesproken met een of meer inzittenden van een zwarte Suzuki Swift waarbij hij, verdachte, de inzittenden van voornoemde Suzuki Swift waarmee hij sprak niet kende en/of niet heeft herkend.

Oplegging van straf

Bij de bepaling van de op te leggen straf wordt gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezen verklaarde is begaan, op de mate waarin de gedraging de verdachte is te verwijten en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen.

De verdachte heeft een meinedige verklaring afgelegd door te verklaren dat hij inzittenden van een auto niet heeft herkend, en daardoor niet de bijdrage heeft geleverd die hij had kunnen en moeten leveren aan de oplossing van een zaak betreffende een dodelijk schietincident. Dit rekent het Hof hem zwaar aan. Oplegging van gevangenisstraf is op zich geïndiceerd.

Ten voordele van de verdachte houdt het Hof er rekening mee dat hij niet eerder voor een soortgelijk feit is veroordeeld. In die omstandigheden ziet het Hof aanleiding de gevangenisstraf geheel voorwaardelijk op te leggen, met de gebruikelijke algemene voorwaarde en met als bijzondere voorwaarde dat hij dienstverlening verricht in de vorm van onbetaalde arbeid.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf is, behalve op de in het vonnis van beroep aangehaalde wettelijke voorschriften, gegrond op de artikelen 17a, 17b en 17c van het Wetboek van Strafrecht BES.

BESLISSING

Het Hof:

bevestigt het vonnis van het Gerecht in eerste aanleg van Bonaire, van 16 november 2017, behoudens ten aanzien van de straf en doet in zoverre opnieuw recht;

veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de drie (3) maanden;

bepaalt dat de gevangenisstraf niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van twee (2) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt;

of gedurende die proeftijd de hierna te melden bijzondere voorwaarde niet heeft nageleefd;

als bijzondere voorwaarde wordt gesteld dat de verdachte, volgens de voorschriften en de aanwijzingen – ook voor wat betreft de voortgang – te geven door of namens de Stichting Reclassering Caribisch Nederland, gedurende honderdtwintig (120) uren dienstverlening in de vorm van onbetaalde arbeid zal verrichten.

Dit vonnis is gewezen door mrs. G.C.C. Lewin, M.W. Scholte en D. Radder, leden van het Hof, bijgestaan door mr. M.D.M. Connor, (zittings)griffier, en op 5 juli 2018 uitgesproken in tegenwoordigheid van de griffier ter openbare terechtzitting op Bonaire.

uitspraakgriffier: