Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:OGHACMB:2018:301

Instantie
Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba
Datum uitspraak
05-07-2018
Datum publicatie
03-07-2019
Zaaknummer
H- 85/2018
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

ontucht minderjarige_bev

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Zaaknummer: H- 85/2018

Parketnummer: 400.00175/17

Uitspraak: 5 juli 2018 Tegenspraak

Vonnis

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van het Gerecht in eerste aanleg van Bonaire, Sint Eustatius en Saba, zittingsplaats Bonaire, (hierna: het Gerecht) van 8 maart 2018 in de strafzaak tegen de verdachte:

[VERDACHTE],

geboren op [geboortedatum] 1975 op [geboorteplaats],

wonende op [woonplaats], [adres].

Hoger beroep

Het Gerecht heeft de verdachte bij zijn vonnis van het primair ten laste gelegde vrijgesproken en ter zake van het subsidiair ten laste gelegde veroordeeld tot een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van één jaar, met een proeftijd van drie jaar. Als bijzondere voorwaarde is de verdachte daarbij het verrichten van tweehonderdveertig uren onbetaalde werkzaamheden opgelegd. De tijd die door de verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering is doorgebracht, wordt bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde dienstverlening in mindering gebracht. Voorts heeft het Gerecht in eerste aanleg beslissingen genomen ten aanzien van de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde partij].

De officier van justitie heeft hoger beroep ingesteld.

Onderzoek van de zaak

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting.

Het Hof heeft kennisgenomen van de vordering van de procureur-generaal,

mr. M.L.A. Angela, en van hetgeen door de verdachte en zijn raadsvrouw,

mr. M.M.A. van Lieshout, naar voren is gebracht. Voorts heeft het Hof kennisgenomen van hetgeen, mr. A. Nicolaas, namens de benadeelde partij in het kader van de vordering tot schadevergoeding naar voren is gebracht.

De procureur-generaal heeft gevorderd dat het Hof het vonnis waarvan beroep zal bevestigen, behoudens ten aanzien van de straf en de beslissing op de vordering van de benadeelde partij en – in zoverre opnieuw recht doende – de verdachte zal veroordelen tot gevangenisstraf voor de duur van twee jaren, waarvan één jaar voorwaardelijk met een proeftijd van drie jaren, onder de bijzondere voorwaarde zoals in eerste aanleg is opgelegd en de vordering van de benadeelde partij zal toewijzen.

Namens de verdachte is verweer gevoerd.

Vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep zal worden bevestigd, omdat het Hof zich daarmee verenigt, onder aanvulling van de motivering ten aanzien van de strafoplegging, ingegeven door de behandeling in hoger beroep.

Aanvullende motivering ten aanzien van de strafoplegging

De procureur-generaal heeft – kort samengevat – aangevoerd dat de aard en ernst van het feit, alsmede de impact die het op het leven van het slachtoffer heeft gehad nopen tot oplegging van een deels onvoorwaardelijke gevangenisstraf. Dat er meer dan vijf jaren waren verstreken tussen de gewraakte handelingen en de behandeling ter terechtzitting doet aan het voorgaande niet af.

Het Hof overweegt als volgt.

De verdachte, een [beroep verdachte], heeft zich schuldig gemaakt aan ontucht met een minderjarige stagiaire die aan zijn opleiding was toevertrouwd. Het wordt de verdachte zeer kwalijk genomen dat hij misbruik heeft gemaakt van zijn positie en geheel voorbij is gegaan aan de kwetsbare situatie waarin het slachtoffer zich ten aanzien van hem bevond. De verdachte heeft met zijn handelen inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit van het slachtoffer, met alle nadelige gevolgen van dien.

Het is een feit van algemene bekendheid dat het voor slachtoffers in zedenzaken lang kan duren voordat zij de stap nemen om melding te maken van hetgeen hun is overkomen. Minderjarige slachtoffers doen vaak pas aangifte op het moment dat zij de volwassenheid hebben bereikt, of zich in een voldoende stabiele situatie bevinden. Voor het slachtoffer [benadeelde partij] is dit niet anders geweest. Dat er in dit geval vijf jaar na het misbruik aangifte is gedaan is als zodanig geen verzachtende omstandigheid.

Het feit heeft, zoals blijkt uit de stukken die bij de civiele vordering zijn gevoegd, een grote impact gehad op de psychische gezondheid van het slachtoffer. Het Hof gaat - zeker gelet daarop - er niet aan voorbij dat het bewezenverklaarde een ernstig feit betreft. Niettemin ziet het Hof geen aanleiding om - zoals door het openbaar ministerie is geëist - de verdachte een deels onvoorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen. Het Hof heeft daarbij in aanmerking genomen dat het opsporingsonderzoek de verdachte, zeker in een kleine gemeenschap zoals die van Bonaire, reeds in sterke mate heeft geraakt. Voorts neemt het Hof de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan uit het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep is gebleken, in aanmerking. Met inachtneming van het voorgaande verenigt het Hof zich met de door het Gerecht opgelegde straf.

BESLISSING

Het Hof:

bevestigt het vonnis van het Gerecht in eerste aanleg van Bonaire, van 8 maart 2018, onder aanvulling van de motivering ten aanzien van de strafoplegging.

Dit vonnis is gewezen door mrs. D. Radder, G.C.C. Lewin en M.W. Scholte, leden van het Hof, bijgestaan door mr. M.D.M. Connor, (zittings)griffier, en op 5 juli 2018 uitgesproken in tegenwoordigheid van de griffier ter openbare terechtzitting op Bonaire.

uitspraakgriffier: