Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:OGHACMB:2018:289

Instantie
Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba
Datum uitspraak
11-09-2018
Datum publicatie
11-06-2019
Zaaknummer
KG83459/17 en CUR2018H00119
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep kort geding
Inhoudsindicatie

KG afbreken behandeling voor alcoholverslaving door werknemer levert dringende reden voor ontslag op

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Burgerlijke zaken over 2018 Vonnis no.:

Registratienummer: KG83459/17 CUR2018H00119

Uitspraak: 11 september 2018

GEMEENSCHAPPELIJK HOF VAN JUSTITIE

van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en

van Bonaire, Sint Eustatius en Saba

V O N N I S

in het kort geding van:

[APPELLANT],

wonende in Curaçao,

oorspronkelijk eiser,

thans appellant,

gemachtigde: mr. E.A. Knoppel,

tegen

de besloten vennootschap

CURAÇAO REFINERY UTILITIES B.V.,

gevestigd in Curaçao,

oorspronkelijk gedaagde,

thans geïntimeerde,

gemachtigde: mr. L.N. Asjes.

De partijen worden hierna [appellant] en CRU genoemd.

1 Het verloop van de procedure

1.1

Bij akte van appel van 3 oktober 2017 is [appellant] in hoger beroep gekomen van het tussen partijen in kort geding gewezen en op 15 september 2017 uitgesproken vonnis van het Gerecht in eerste aanleg van Curaçao (verder: het Gerecht).

1.2

Bij op 27 oktober 2017 ingekomen memorie van grieven, met producties, heeft [appellant] zeven grieven tegen het vonnis aangevoerd en toegelicht. Zijn conclusie strekt ertoe dat het Hof het bestreden vonnis zal vernietigen en zijn vorderingen alsnog zal toewijzen, met veroordeling van CRU in de proceskosten in beide instanties.

1.3

Bij memorie van antwoord heeft CRU de grieven bestreden. Zijn conclusie strekt ertoe dat het Hof het bestreden vonnis zal bevestigen, met veroordeling van [appellant] in de proceskosten in hoger beroep.

1.4

Op de daarvoor nader bepaalde dag hebben partijen pleitnotities overgelegd.

1.5

Vonnis is gevraagd en nader bepaald op heden.

2 De beoordeling

2.1.1

Ook in hoger beroep kan worden uitgegaan van de volgende in het bestreden vonnis onder 2.2 tot en met 2.10 weergegeven feiten.

2.1.2 [

appellant] is op 18 juni 2016 voor een periode van zes maanden (opnieuw) in dienst getreden van CRU in de functie van Control Room Technician. Het overeengekomen salaris bedroeg NAf 6.332,- bruto per maand.

2.1.3

Eerder was [appellant] van 15 november 2002 tot 25 mei 2015 in dienst geweest van CRU. Dit dienstverband is geëindigd in verband met zijn alcoholverslaving. Bij brief van 18 december 2015 heeft [appellant] aan CRU geschreven dat hij na drie maanden van “completed treatment for alcohol problems” zijn fout erkent en daarvoor de volledige verantwoordelijkheid neemt. [appellant] verzoekt om een tweede kans en verzekert CRU daarbij: “I fully commit to never allowing this to be an issue again”.

2.1.4

In artikel 8 van de arbeidsovereenkomst van 15 juni 2016 zijn partijen overeengekomen als volgt:

1. Adhere to this contract is the employee obliged to follow a relapse prevention under guiding of the FMA and also follow instructions given via the company doctor namely ARBO or other indicated institution.

2. No compliance with this will result in immediate termination of this contract.

3. This Agreement constitutes the full and complete understanding and agreement of the parties and shall substitute all arrangements and promises made between the employee and/or the affiliates of the Company.

2.1.5

Bij overeenkomst van 23 juni 2016 is [appellant] een Kontrakto Terapeutiko met de Unidat di Tratamentu Ambulante van Fundashon Pa Maneho di Adikshon, hierna te noemen: FMA, overeengekomen. Overwogen is daarbij, vrij vertaald, dat de kans groot is dat [appellant] zich niet volledig zal onthouden van drank. De adequate therapie voor [appellant] zou een gesloten behandeling zijn. Gelet op de financiële situatie van [appellant] is FMA evenwel bereid om een uitzondering te maken. In dat kader krijgt [appellant] een proefperiode waarin hij zich moet houden aan de afspraken in deze overeenkomst.

2.1.6

In de overeenkomst van 23 juni 2016 is voorts vermeld: “Na momento ku kliente faya ku un di e akuerdonan aki lo sera kliente su kaso i lo rekomenda kliente pa bai risibi su tratamentu den un setting residensial (oftewel: op het moment dat [appellant] één van deze afspraken niet nakomt, zal zijn dossier worden gesloten en zal cliënt worden aanbevolen om een behandeling te ondergaan in een gesloten setting)”. De afspraken zijn (vrij vertaald): [appellant] moet twee keer per week naar FMA gaan voor behandeling. Hij mag niet naar de toko gaan en ook niet in de steeg zijn waar de toko zich bevindt. Hij dient de heer [naam 2] te bellen op het moment dat hij drang om te drinken voelt. Hij mag geen contact maken met vrienden die drinken. In zijn vrije tijd is hij bij zijn buurman en/of zwager.

2.1.7

Bij brief van 2 september 2016 - die CRU bij e-mailbericht van

15 september 2016 heeft ontvangen - heeft FMA, zakelijk weergegeven, CRU bericht dat zij het dossier van [appellant] sluiten en een gesloten behandeling aanbevelen.

2.1.8

In de brief van 2 september 2016 worden als redenen voor het sluiten van het dossier aangevoerd, vrij vertaald, dat [appellant] een kans heeft gekregen om te beginnen met ambulante behandeling maar dat zijn externe motivatie (het behouden van zijn baan) groter was dan zijn interne motivatie (de eigen wens om zijn gedrag te wijzigen). [appellant] heeft daarbij, aldus FMA, laten zien dat hij niet de capaciteit heeft om, onder ambulante begeleiding, het vol te houden om van de drank af te blijven. [appellant] werkte niet volledig open mee aan zijn behandelplan, ondanks dat dit punt verschillende keren aan de orde is gekomen. [appellant] is verschillende malen de gemaakte afspraken niet nagekomen. Gedurende de behandeling kon worden opgemerkt dat [appellant] wel wilde stoppen maar niet de kracht had om dit op zich zelf te doen. Gelet op voormelde redenen alsmede op de mate van verslaving, concludeert FMA dat een ambulante behandeling niet voldoende intensief is voor [appellant].

2.1.9

Bij brief van 20 september 2016 heeft CRU de arbeidsovereenkomst per direct beëindigd wegens handelen in strijd met artikel 8 van die overeenkomst.

2.1.10

Bij brief van 10 januari 2017 heeft [appellant] de nietigheid van het ontslag ingeroepen en CRU verzocht hem te berichten dat hij zijn werkzaamheden als voorheen kan hervatten.

2.2

De vordering die [appellant] in dit kort geding heeft ingesteld strekt ertoe dat CRU wordt veroordeeld om hem het loon over de na het ontslag op 20 september 2016 nog resterende looptijd van de overeenkomst (dat wil zeggen: tot en met 17 december 2016) door te betalen wat volgens [appellant] neerkomt op een bedrag van NAf 52.252,08, welk bedrag nog dient te worden vermeerderd met de vertragingsrente, vakantiegeld, vakantiedagen en dertiende maand, alsmede met de wettelijke rente over al deze bedragen en onder veroordeling van CRU in de proceskosten.

2.3

In het bestreden vonnis heeft het Gerecht de vordering afgewezen omdat het voorshands van oordeel was dat [appellant] niet tijdig aan CRU kenbaar heeft gemaakt dat hij bereid was de bedongen arbeid te verrichten. Ten overvloede overwoog het Gerecht dat [appellant] aan CRU een dringende reden heeft gegeven hem te ontslaan.

2.4

De tegen deze oordelen gerichte grieven falen op grond van het volgende.

2.5

Anders dan [appellant] stelt, heeft CRU hem niet ontslagen vanwege zijn ziekte (alcoholverslaving) maar omdat hij in strijd met de met hem gemaakte afspraken blijk had gegeven van onvoldoende bereidheid om zich voor die ziekte te laten behandelen. CRU heeft na een eerder dienstverband, dat in 2015 was beëindigd na een lange historie (sinds in elk geval 2007) van alcoholmisbruik en afgebroken behandelingen, [appellant] op diens verzoek en onverplicht nog een kans gegeven om te bewijzen dat hij, zoals hij had geschreven, nu wel zijn eigen verantwoordelijkheid voor zijn verslavingsziekte kon nemen. In dat verband hebben partijen duidelijk afgesproken dat het volgen van een terugvalbehandeling bij, en naar de richtlijnen van, FMA een harde voorwaarde was voor de bereidheid van CRU om [appellant] wederom in dienst te nemen en te houden. Dat het beding van artikel 8 wegens strijd met de wet niet het door CRU beoogde rechtsgevolg - beëindiging van rechtswege op grond van op voorhand gegeven wederzijds instemming - kan hebben, doet aan de duidelijkheid van die boodschap niet af.

2.6

Zoals uit de onder 2.15 en 2.1.6 aangehaalde passages uit de behandelovereenkomst blijkt, heeft FMA er op haar beurt geen misverstand over laten bestaan dat zij van mening was dat [appellant] eigenlijk een zwaardere behandeling in een gesloten setting nodig had en dat zij uitsluitend omwille van het financiële belang van [appellant] om weer aan het werk te kunnen gaan heeft ingestemd met ambulante behandeling tijdens een proefperiode, op voorwaarde dat alle afspraken en door FMA gestelde regels door [appellant] stipt zouden worden nageleefd. Dit met de aankondiging dat de ambulante behandeling zou worden beëindigd zodra [appellant] een van de afspraken niet nakomt. [appellant] was er met dat alles terdege van doordrongen wat er op het spel stond en dat hij alles op alles moest zetten om de - voor zijn dienstverband cruciale - ambulante behandeling tot een succes te maken en te voorkomen dat FMA deze zou beëindigen en alsnog op gesloten behandelingen zou aandringen.

2.7

Op grond van de brief van FMA van 2 september 2016 en de nadere schriftelijke toelichting van drs. [naam 1] van FMA van 28 juni 2018 is voldoende aannemelijk dat [appellant] een aantal door FMA gestelde voorwaarden niet heeft nageleefd en er dus verwijtbaar voor verantwoordelijk is dat FMA de ambulante behandeling niet heeft willen voortzetten. Bepaald onwaarschijnlijk daarentegen is dat CRU kort nadat zij [appellant] een laatste kans had gegeven en hem vervolgens in de maanden juli en augustus 2016 nog volop en kennelijk naar tevredenheid van (over)werk had voorzien, druk is gaan uitoefenen op FMA om de behandeling te stoppen om zo [appellant] te kunnen ontslaan en dat de behandelaar van [appellant] bij FMA hierin is mee gegaan. De schriftelijke verklaringen van [appellant] en zijn familieleden, die vooral door frustratie en ontkenning van verantwoordelijkheid lijken te zijn ingegeven, leggen onvoldoende gewicht in de schaal.

2.8

Het gevolg van deze tekortkoming van [appellant] is geweest dat CRU in weerwil van alle toezeggingen en afspraken toch weer werd geconfronteerd met een werknemer die moest worden opgenomen en dus een tijdlang niet, althans niet op verantwoorde wijze, inzetbaar was. Onder die omstandigheden kon van CRU redelijkerwijs niet worden gevergd de overeenkomst

- ook al liep die nog maar iets meer dan twee maanden door - voort te zetten. Zij was ook niet gehouden om aan te bieden tijdens de gesloten opname het loon door te betalen. In zoverre is het strijdpunt of CRU daar al dan niet toe bereid is geweest niet van belang en zal het Hof ervan uitgaan dat dit niet het geval is geweest. Mocht die bereidheid wel zijn getoond, dan was de weigering van [appellant] om gesloten behandeling te ondergaan een reden temeer om hem op staande voet te ontslaan.

2.9

Voldoende aannemelijk is dan dat ook de bodemrechter zal oordelen dat sprake is van een dringende reden in de zin van artikel 7A:1615p lid 1 BW en dat die ook onverwijld is meegedeeld, in aanmerking genomen dat CRU na ontvangst van de brief op (naar CRU onweersproken heeft gesteld) 15 september 2016 enig onderzoek heeft willen en mogen verrichten en [appellant] heeft uitgenodigd voor een gesprek alvorens zij [appellant] op 20 september 2016 met de bevindingen en de conclusie van FMA confronteerde en hem zijn ontslag aanzegde.

2.10

Nu de grieven falen, dient het vonnis waarvan beroep te worden bevestigd. [appellant] zal als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de kosten van het hoger beroep.

B E S L I S S I N G

Het Hof:

bevestigt het vonnis waarvan beroep;

veroordeelt [appellant] in de kosten van het hoger beroep, aan de zijde van CRU gevallen en tot op heden begroot op NAf 425,64 aan betekeningskosten en NAf 7.500,00 aan salaris voor de gemachtigde.

Dit vonnis is gewezen door mrs. E.A. Saleh, H.J. Fehmers, F.W.J. Meijer, leden van het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba en ter openbare terechtzitting van het Hof in Curaçao uitgesproken op 11 september 2018 in tegenwoordigheid van de griffier.